Conclusie
eiseressen tot cassatie,
advocaten: A.H. Vermeulen en A.A.M. Knol
verweerder in cassatie,
advocaten: G.C. Nieuwland en G.J. Harryvan
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
(...) Weliswaar is de zorg vervolgens uitgevoerd op een andere manier dan in de verschillende stukken is vermeld, maar op grond daarvan kan niet worden gesteld, laat staan wettig en overtuigend bewezen, dat InterCare B. V., [eiseres 1] en [betrokkene 1] zich schuldig hebben gemaakt aan oplichting en/of verduistering.
(...)
(...) acht de rechtbank niet aannemelijk geworden dat tussen Qualitas en CNS enerzijds en InterCare anderzijds de afspraak is gemaakt om alle geïndiceerde uren te factureren.
(...) Uit het voorstaande blijkt, aldus naar het oordeel van de rechtbank, dat InterCare niet op de hoogte was van het verschil tussen de daadwerkelijk geleverde zorguren en de aan InterCare gefactureerde uren. [eiseres 1] en [betrokkene 1] hebben zich naar het oordeel van de rechtbank niet schuldig gemaakt, aan het vervalsen van zorgroosters.
(...) Voorts is van de gestelde, van het wezen van de ZIN [Zorg in natura, hof.]- verlening afwijkende, afspraak tussen InterCare en Qualitas op geen enkele wijze gebleken (...).”
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Begaclaim-arrest heeft de Hoge Raad deze gronden als volgt omschreven in rov. 3.3:
Begaclaim-arrest overwogen:
Subonderdeel 1.2klaagt dat het hof in rov. 6.5 blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zich enkel te baseren op het arrest van 9 april 2010, terwijl [eiseres 1] ook een beroep heeft gedaan op het arrest De Mispelhoef. Volgens het subonderdeel negeert het hof dat alle omstandigheden van het geval moeten worden betrokken bij de beoordeling van de vraag wanneer de verjaringstermijn een aanvang neemt.
Subonderdeel 4.1voert aan dat het hof, door te oordelen dat het beroep van de Staat op verjaring niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens het subonderdeel heeft het hof miskend dat in de korte verjaringstermijn al een element van billijkheid besloten ligt, hetgeen mede bepalend is voor het aanvangstijdstip van de korte verjaringstermijn. Het hof miskent ook in deze context hetgeen is bepaald in het arrest De Mispelhoef, aldus nog steeds het subonderdeel.