Uitspraak
29 april 1994.
Hoge Raad
In deze zaak vordert eiser schadevergoeding van de Staat wegens onrechtmatige voorlopige hechtenis en een onrechtmatige beschikking van het Gerechtshof Amsterdam. Eiser verbleef van 28 augustus 1986 tot 17 maart 1987 in voorlopige hechtenis op verdenking van afpersing, maar werd later vrijgesproken. Tevens werd hij veroordeeld voor wederrechtelijke vrijheidsberoving en bedreiging, wat leidde tot een nieuwe voorlopige hechtenis van 9 januari tot 7 maart 1988.
Eiser stelde dat de Staat onrechtmatig handelde door het niet ontvankelijk verklaren van zijn verzoek tot schadevergoeding op grond van art. 89 Sv Pro. door het Hof Amsterdam, en vorderde vergoeding voor de geleden schade. De Rechtbank wees zijn vorderingen af, maar het Hof vernietigde dit vonnis deels en verklaarde de beschikking van 28 juni 1989 onrechtmatig.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof voor zover het de onrechtmatigheid van deze beschikking vaststelde, omdat niet is gebleken dat fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden. De Raad bevestigt dat voorlopige hechtenis niet automatisch onrechtmatig is bij vrijspraak, tenzij sprake is van strijd met wettelijke voorwaarden of fundamentele vereisten. De civiele rechter kan slechts op grond van art. 89 Sv Pro. schadevergoeding toekennen. De beroepen worden verder afgewezen en de kosten worden aan eiser opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat de Staat niet aansprakelijk is voor schade door voorlopige hechtenis tenzij fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden en bevestigt dat vrijspraak niet automatisch leidt tot recht op schadevergoeding.