ECLI:NL:PHR:2010:BL1118
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Schadevergoeding na strafrechtelijke vervolging en vrijspraak wegens fraude bij bank
Eisers, voormalige accountmanagers bij een bank, werden in 1996 geschorst en ontslagen na een interne fraudeconstatering. Na strafrechtelijk onderzoek en aanhouding in 1998 werden zij in 2001 vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten. Eisers vorderden vervolgens schadevergoeding van de Staat en de bank wegens onrechtmatige vervolging en beëindiging van hun dienstverband.
De rechtbank wees de vorderingen grotendeels af, deels wegens verjaring. Het hof vernietigde dit oordeel voor de vordering van een eiser tegen de Staat en kende een immateriële schadevergoeding toe. De Hoge Raad bevestigt dat de verjaringstermijn van vijf jaar begint te lopen vanaf de dag na de aanhouding, omdat eisers toen bekend waren met de schade en de aansprakelijke partij. Het zogenoemde 'gebleken onschuld'-criterium leidt niet tot uitstel van de verjaringstermijn.
De Hoge Raad oordeelt verder dat geen sprake is van een afzonderlijke onrechtmatige daad naast de aanhouding en vervolging, en dat de verwevenheid tussen de Staat en de bank onvoldoende is om gedragingen van de Staat aan de bank toe te rekenen. Ook wordt bevestigd dat de bank niet onrechtmatig heeft gehandeld buiten de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De immateriële schadevergoeding van €20.000,- aan een eiser wordt als redelijk beschouwd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de verjaringstermijn van vijf jaar begint te lopen vanaf de aanhouding, niet na de vrijspraak.