Conclusie
Nummer25/00524
Inleiding
voorbereiding van moord”
medeplichtigheid aan medeplegen van moord”
De zaak
Het elfde middel
twintigjaren, terwijl in de met de kroongetuige gesloten overeenkomst als uitgangspunt een gevangenisstraf van
vierentwintig jaren stond vermeld.
de rechter het achteraf niet eens is met het rechtmatigheidsoordeel van de rechter-commissaris of (…) hij de verklaring anderszins niet deugdelijk vindt.” Bij aanvang van de behandeling van de strafzaak Eris liet het OM al weten tot verlaging van de strafeis voor de kroongetuige over te gaan, terwijl er nog verscheidene verhoren van die getuige ten overstaan van de rechter op de rol stonden, zulks ter toetsing van de door de kroongetuige eerder in het vooronderzoek afgelegde verklaringen.
Het juridisch kader: de kroongetuigeregeling
Passage), overwoog de Hoge Raad over de kroongetuigeregeling onder meer het volgende:
3.3. De wettelijke regeling houdt in dat aan een verdachte door de officier van justitie een toezegging kan worden gedaan in ruil voor de bereidheid van die verdachte om een verklaring af te leggen in de strafzaak tegen een andere verdachte. De officier van justitie geeft kennis aan de rechter-commissaris van de afspraak die hij voornemens is te maken met een verdachte in ruil voor de toezegging dat bij de vervolging in de strafzaak van deze verdachte strafvermindering met toepassing van art. 44a Sr zal worden gevorderd. Art. 226g, eerste lid, Sv houdt in dat deze afspraak uitsluitend betrekking heeft op het afleggen van een verklaring in het kader van een opsporingsonderzoek naar een ernstig, in deze wettelijke bepaling nader omschreven misdrijf. Het tweede lid van art. 226g Sv bevat (vorm)voorschriften met betrekking tot de inhoud van de op schrift gestelde voorgenomen afspraak. Op grond van art. 226g, derde lid, Sv toetst de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie de rechtmatigheid van deze afspraak. Het vierde lid van art. 226g Sv bepaalt dat van afspraken die niet worden aangemerkt als een afspraak als bedoeld in art. 226g, eerste lid, Sv en die voor het onderzoek in de zaak van betekenis kunnen zijn, proces-verbaal wordt opgemaakt. Dat proces-verbaal wordt door de officier van justitie ten spoedigste bij de processtukken gevoegd.
Kroongetuigeovereenkomst en overwegingen hof
“Overeenkomst als bedoeld in de aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken”van 13 november 2018 (hierna: de kroongetuigeovereenkomst). Deze houdt onder meer in:
2.2 De officier van justitie verklaart, na kennis genomen te hebben van alle relevante feiten zoals die blijken uit de eerdergenoemde processen-verbaal en overige dossierstukken, en na collegiaal overleg, dat onder gelijke omstandigheden, doch zonder onderhavige afspraak, de zaaksofficier van justitie voor alle in de considerans genoemde aan getuige ten laste gelegde of te leggen strafbare feiten van getuige een totale gevangenisstraf zou hebben geëist, dan wel zal eisen, voor de duur van 24 jaren. Bij onverkorte nakoming door getuige van de in onderhavige overeenkomst onder 1 overeengekomen verplichtingen, zal de zaaksofficier van justitie zijn strafeis voor deze feiten matigen met 50%, te weten tot een gevangenisstraf van 12 jaren.
“5.1.3. De rechtmatigheid van de overeenkomst
De bespreking van het elfde middel
geen strafverzwaring” teweeg heeft gebracht. Daarmee wordt het oordeel van de Hoge Raad m.i. niet in een juist perspectief geplaatst. De Hoge Raad heeft immers (‘slechts’) geoordeeld dat de wijziging van de vi-regeling niet kan worden aangemerkt als een wijziging van wetgeving ten aanzien van de strafbaarstelling of de strafbedreiging, zulks op de grond dat “
zowel voor als na de gedeeltelijke inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen de mogelijkheid bestond en bestaat dat de veroordeelde de door de rechter opgelegde gevangenisstraf voor de volledige duur daarvan moet ondergaan.” [5]
Het twaalfde middel
Prokuratuur [8] en
Landeck [9] .
De overwegingen van het hof
“5.2 Het onderzoek aan gegevensdragers en locatiegegevens
Een nadere omschrijving van het twaalfde middel
Het juridisch kader: Prokuratuur en Landeck
Prokuratuur. [12] Daarnaast deed het Hof van Justitie in de zaak
Landeckuitspraak [13] over Richtlijn 2016/680. [14]
Landeckgaf de Hoge Raad (bij arrest van 18 maart 2025) aanleiding zijn rechtspraak over opsporingsonderzoek aan gegevensdragers als volgt bij te stellen. [18] Als politie en justitie aan gegevensdragers onderzoek willen verrichten dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zal teweegbrengen, is daarvoor – behalve in spoedeisende gevallen – voortaan een voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris vereist. De rechter-commissaris toetst of de inbreuk die door het onderzoek aan de gegevensdrager op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker wordt gemaakt, gerechtvaardigd is, mede gelet op de ernst van het strafbare feit waarop de verdenking betrekking heeft en het belang van het onderzoek voor de waarheidsvinding. [19] In dit verband wijs ik erop dat het Hof van Justitie overweegt “
dat de ernst van het strafbare feit waarnaar het onderzoek loopt, een van de belangrijkste parameters is bij de toetsing van de evenredigheid van de ernstige inmenging die het gevolg is van de toegang tot de op een mobiele telefoon opgeslagen persoonsgegevens aan de hand waarvan nauwkeurige conclusies kunnen worden getrokken over het privéleven van de betrokkene.” [20]
Prokuratuur-arrest van het Hof van Justitie duidelijk heeft gemaakt dat er geen afwijkende regels gelden voor de sanctionering van vormverzuimen waarmee de verkrijging van verkeers- en locatiegegevens gepaard is gegaan. Hier is artikel 359a Sv onverminderd van toepassing. [21] Ik zie geen reden waarom dat anders zou zijn bij vormverzuimen die zijn begaan bij het onderzoek aan gegevensdragers. [22]
Landeck. [29] De uitspraak van het Hof van Justitie dateert van 8 oktober 2024 (en is overigens op het punt van de voorafgaande rechterlijke toetsing in lijn met de conclusie). [30] Bovendien dateert het
Prokuratuur-arrest van het Hof van Justitie van 2 maart 2021 en formuleerde de Hoge Raad het daarop bijgestelde kader voor de vordering van verkeers- en locatiegegevens bij arrest van 5 april 2022. Deze conclusie en uitspraken zijn dus van (ruim) vóór de sluiting van het onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte (op 12 februari 2025). Bij die stand van zaken gaat de in cassatie ingenomen stelling mij te ver. Van een advocaat mag worden verwacht dat hij onder deze omstandigheden in staat is te beoordelen of een verweer over eventuele onrechtmatigheden bij het onderzoek aan gegevensdragers en de vordering van verkeers- en locatiegegevens kans van slagen heeft (en past in de verdedigingsstrategie). [31]
De bespreking van het twaalfde middel
Het eerste middel
alle documenten die in het kader van een opsporingsonderzoek tot stand zijn gekomen, inclusief de stukken die door de officier van justitie, zijnde de samensteller van het procesdossier, als niet-relevant zijn aangemerkt en dus niet tot processtuk gepromoveerd zijn.” [34]
De relevante delen van de processtukken
“Verzoeken strekkende tot kennisneming c.q. voeging van (proces)stukken
” vanuit [plaats] (en dit toestel derhalve kwalificeert als een voorbereidingsmiddel), apert onjuist is —want die vaststelling wordt immers weersproken door de mastgegevens van bedoeld toestel.
”. Door de provider No.1BC is vorig jaar bevestigd dat dit in de verhouding Sky-No1Bc inderdaad technisch onmogelijk is.
dat verband ook op eerdere uitspraken van uw Hof respectievelijk de rechtbank Zeeland-West-Brabant over vergelijkbare situaties (vindplaatsen in de voetnoot).”
Daarnaast wordt aangenomen dat de lokker en [slachtoffer 1] samen in één auto hebben gezeten, omdat uit het dossier zou volgen dat maar één kenteken reisbeweging 3 maakt. Dat klopt niet: er zijn meerdere kentekens die op dat cruciale moment – het moment waarop [slachtoffer 1] zou zijn gelokt – die reisbeweging vanuit [plaats] naar [plaats] maken. Dit is een cruciaal punt, te meer omdat de kroongetuige heeft verklaard dat er een andere auto in het spel was. Het zou dan gaan om een auto uit de groep van [betrokkene 4] , die achter [slachtoffer 1] zou zijn aangereden. Die verklaring lijkt (dus) te worden bevestigd aan de hand van de ARS-gegevens, waaruit blijkt dat er in elk geval op het moment dat de [snelweg] opgedraaid werd, een andere auto achter de Kangoo aanreed. Wie er in die andere auto reed zullen we moeten vaststellen, maar de stelling dat het alleen maar zo kan zijn dat [slachtoffer 1] bij de lokker in de auto heeft gezeten, houdt dus in elk geval geen stand.
1. De verdediging heeft op eerdere zittingen al uitvoerig betoogd dat en waarom het veroordelend vonnis van de rechtbank apert onjuist is. De inhoud van de onlangs verstrekte ‘Aanvulling 134a’ heeft dat betoog onderschreven; daarmee is nu toch echt duidelijk geworden dat het vonnis in de zaak [verdachte] niet langer houdbaar is.
het is immers niet langer vol te houden dat (alleen) de gebruiker van de # [PGP-nummer] die 5de juli 2017 een afspraak met [slachtoffer 1] in [plaats] kan hebben gehad;
het is niet langer vol te houden dat alleen de gebruiker van de # [PGP-nummer] [slachtoffer 1] vanuit [plaats] naar [plaats] kan hebben gebracht;
het is niet langer vol te houden dat slechts de gebruiker van de # [PGP-nummer] de aankomsttijd van [slachtoffer 1] kan hebben doorgegeven;
en dus is het niet langer vol te houden dat de gebruiker van de # [PGP-nummer] (met opzet) de lokker moet zijn geweest.
"
Dit temeer omdat in een samenhangend onderzoek (naar de criminele erfenis van [slachtoffer 1] ) diezelfde auto - en de gebruiker(s) daarvan - al nadrukkelijk in beeld waren gekomen. Het was uit hoofde van dat onderzoek al bekend wie deze auto van 30 juni tot en met 1 juli had gehuurd; voor welke persoon dat was gedaan; en ook dat die beide personen in nauw contact stonden met [slachtoffer 1] . Allemaal informatie die vanuit dat andere onderzoek (Mont du Chat) reeds in de periode 2017-2018 ter beschikking stond voor onderzoeksteam Eris.
In de zaak [verdachte]
(…)
Een nadere omschrijving van het eerste middel
Het juridisch kader: verzoeken om inzage en artikel 6 EVRM Pro
307. The right to an adversarial trial also requires, in a criminal case, that the prosecution authorities disclose to the defence all material evidence in their possession for or against the accused (…). The term “material evidence” cannot be construed narrowly, in the sense that it cannot be confined to evidence considered as relevant by the prosecution. Rather, it covers all material in the possession of the authorities with potential relevance, also if not at all considered, or not considered as relevant (…). Failure to disclose to the defence material evidence which contains such particulars as could enable the accused to exonerate him- or herself or have his or her sentence reduced would constitute a refusal of facilities necessary for the preparation of the defence (…).
De beoordeling van het eerste middel
uit de periferie” van het slachtoffer op 5 juli 2017 gedurende vijf minuten in/vanuit [plaats] (naar de [snelweg] ) in de buurt van de auto van de verdachte heeft gereden. Deze essentiële informatie ondergraaft het (door de rechtbank voor het bewijs gebezigde) argument dat er op 5 juli 2017 géén tweede auto was die met de auto van het slachtoffer heeft meebewogen vanuit [plaats] (richting [plaats] ), aldus de verdediging.
Het tweede tot en met het vijfde middel en het zevende middel
De bewezenverklaring en de bewijsoverwegingen
op 5 juli 2017 te [plaats] en [geboorteplaats] en [plaats] en [plaats] , ter voorbereiding van het te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord (op [slachtoffer 1] ), als bedoeld in artikel 289 van Pro het Wetboek van Strafrecht, opzettelijk
een Renault Kangoo
[kroongetuige] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] op 7 juli 2017 te [plaats] , tezamen en in vereniging opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven hebben beroofd door met vuurwapens kogels in het lichaam van [slachtoffer 1] te schieten, bij welk feit verdachte in de periode van 5 juli 2017 tot en met 7 juli 2017, in Nederland opzettelijk behulpzaam is geweest door
een afspraak te maken met het beoogde [slachtoffer 1] en ervoor zorg te dragen, dat deze [slachtoffer 1] op een locatie (op een parkeerterrein bij het treinstation [plaats] ) zou verschijnen, alwaar [slachtoffer 1] van het leven beroofd werd.”
“6.3.2. BREUK
6.3.2.1. De liquidatie van [slachtoffer 1]
6.3.2.2. De verklaringen van [kroongetuige]
6.3.2.3.4. De lokker
”. Op basis van deze bevindingen zijn op 5 juli 2017 over drie tijdvakken de gegevens van de ARScamera’s in [plaats] en [plaats] bevraagd. Daaruit kwam slechts één kenteken naar voren dat vanaf [plaats] (via [plaats] en [geboorteplaats] ) dezelfde reisbeweging heeft gemaakt als de telefoons van [slachtoffer 1] . Dit betrof een Renault Kangoo, kleur grijs, met het [kenteken 2] . Uit een onderzoek door het NFI waarover op 21 november 2018 is gerapporteerd, blijkt dat de bevindingen 500.000 keer waarschijnlijker zijn als de iPhone en de PGP van [slachtoffer 1] met deze Renault Kangoo reisden dan als zij met een ander vervoermiddel reisden.
”. [medeverdachte 2] stuurt hierop het bericht dat hij er “morgen 1000% is
”.
6.3.2.5De rol van [medeverdachte 4]
”.
De rol van [verdachte]
“Het is een feit van algemene bekendheid dat criminelen hun telefoon, niet zijnde een PGPtelefoon, doorgaans thuislaten of uitzetten bij criminele activiteiten om te voorkomen dat locatiegegevens worden vastgelegd”]
.
“In het onderzoek Eris zijn na een liquidatie vaker PGPaccounts stopgezet. Uit de bewijsmiddelen in bijlage 3 (veredelingen en identificaties) blijkt dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] de dag na de moord op [betrokkene 13] een nieuw PGPaccount in gebruik hebben genomen”]
.
de uitvoerders over weinig informatie over de bestelauto beschikten;
[slachtoffer 1] volgens de verdediging in een andere auto van [plaats] naar [plaats] is gereisd;
de lokker en [slachtoffer 1] een ingewikkelde route hebben afgelegd;
[kroongetuige] niets weet over het ophalen van een waterscooter;
[slachtoffer 1] rond 19.00 uur vanuit [plaats] en om 19.42 uur vanuit [plaats] is vertrokken en op het tussenliggende traject dus niet in een file kan hebben gestaan;
in het ergste geval ook de lokker het leven zou moeten laten;
de organisatie van de opdrachtgever niet met ‘blanke Hollanders’ samenwerkt.
5.juli 2017
[verdachte] beschikte op 5 juli 2017 over de Renault Kangoo met het [kenteken 2] (met trekhaak) waarmee de waterscooter is opgehaald, terwijl die waterscooter voor [slachtoffer 1] kennelijk (een van) de reden(en) was om een afspraak met [verdachte] te maken. Dit was ook de auto waarmee [slachtoffer 1] is vervoerd naar de parkeerplaats bij NSstation [plaats] waar hij bij aankomst zou worden geliquideerd. De Renault Kangoo was zodoende bestemd voor de moord op [slachtoffer 1] .
7.juli 2017
[verdachte] heeft zelf niet deelgenomen aan de uitvoering van de moord op [slachtoffer 1] . Zijn bijdrage daaraan – het maken van een afspraak met [slachtoffer 1] om op 7 juli 2017 om 15.00 uur opnieuw naar het parkeerterrein bij NSstation [plaats] te komen – is belangrijk om de uitvoerders in de gelegenheid te stellen [slachtoffer 1] daar alsnog te liquideren. Die bijdrage is op zichzelf echter niet van zodanig gewicht dat [verdachte] als medepleger van de moord op [slachtoffer 1] kan worden gezien, zodat hij van het primair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Wel levert die bijdrage medeplichtigheid bij de moord op [slachtoffer 1] op.
Een nadere omschrijving van het tweede, derde en zevende middel
[naam]” daarin refereert aan de verdachte, (iii) dat de verdachte op 7 juli 2017 omstreeks 15.21 uur zijn telefoon had uitgeschakeld en in een BMW langs de plaats delict is gereden ‘om in de gaten te houden wat daar gebeurde’ en (iv) dat de verdachte de afspraak met het slachtoffer op 7 juli 2017 zonder tussenkomst van derden heeft gemaakt.
De bespreking van het tweede, derde en zevende middel
[naam]”). Daarnaast ligt in de overwegingen van het hof besloten dat het aannemelijk is dat de verdachte geld verdiende met criminele activiteiten, [46] dat de verdachte zich in de periode voor en na de feiten bezighield met het ‘spotten’ van personen [47] en dat hij in meer of mindere mate verbonden was met de criminele organisatie van de opdrachtgever. [48]
kunnendragen. Deze zijn gezien in het geheel van de bewijsmotivering telkens niet onbegrijpelijk. Dat bepaalde feiten uit de bewijsmiddelen (op zichzelf beschouwd) ook voor andere uitleg vatbaar zijn, zoals in het derde middel is beargumenteerd, staat daaraan uiteraard niet in de weg. Het gaat bij de bewijsvraag immers om de uitleg van het gehele feitensubstraat, in samenhang beschouwd. Dat brengt mee dat het derde en het zevende middel in zoverre falen. Voor de begrijpelijkheid van de onder (i)-(iii) genoemde conclusies is verder niet relevant of, en zo ja hoe, op 5 juli 2017 communicatie tussen de lokker, [medeverdachte 2] en [kroongetuige] heeft plaatsgevonden. Die relevantie blijkt ook niet uit de cassatieschriftuur. Daarop stuiten de in het tweede middel opgenomen klachten af.
Een nadere omschrijving van het vierde middel
Het verweer van de verdediging
16. De verdediging is van oordeel dat de rechtbank met de aldus de gebezigde bewijsvoering heeft miskend dat de verklaringen van de kroongetuige over het aspect ‘lokker’ slechts zeer betrekkelijke waarde hebben. De rechtbank zegt in het vonnis (in het algemeen) wel die verklaringen met extra behoedzaamheid te zullen beschouwen, maar gaat desondanks ongemotiveerd voorbij aan de vele inconsistenties in die verklaringen en een gebrek aan steunbewijs op cruciale onderdelen ervan. Het vonnis is daardoor op drijfzand gebaseerd.
2.1.3.1 Inconsistenties (op cruciale onderdelen)
”
V: Was die afspraak gemaakt door de persoon die eerder de lokker was?
De toelichting op het vierde middel
117. Het (…) gevoerde betrouwbaarheidsverweer bestaat in feite twee uit delen. Eerst is betoogd dat de auditu-verklaringen van de kroongetuige over de vermeende betrokkenheid van een lokker bij moord op [slachtoffer 1] niet alleen weinig concreet zijn, maar op belangrijke punten bovenal inconsistent, terwijl het voor deze verklaringen ook aan het nodige steunbewijs ontbreekt op onderdelen waar de aanwezigheid van dat steunbewijs - gelet op het verrichtte rechercheonderzoek - wel mag worden verwacht. Dat betekent volgens de verdediging dat de verklaringen van de kroongetuige reeds om die redenen (intrinsiek) onvoldoende betrouwbaar zijn om op grond daarvan enig scenario te kunnen reconstrueren, laat staan dat aan die verklaringen buiten redelijke twijfel kan worden ontleend dat de gebruiker van de Renault Kangoo en de # [PGP-nummer] -PGP , de lokker is geweest. Vervolgens is nog betoogd dat het (op grond van die verklaringen) door de rechtbank in eerste aanleg bewezenverklaarde scenario, aan stevige contra-indicaties onderhevig is. Zo is - anders dan door de rechtbank is vastgesteld - technisch uitgesloten dat de gebruiker van de # [PGP-nummer] -PGP met [medeverdachte 2] communiceerde over de terugreis van [slachtoffer 1] uit [plaats] en biedt de inhoud van het dossier de nodige houvast voor de vaststelling dat de Renault Kangoo helemaal geen onderdeel was van (de uitvoering van) het vermeende plan [slachtoffer 1] naar [plaats] te lokken. Dit draagt bij aan het standpunt dat de informatie die de kroongetuige ‘van horen zeggen’ heeft en de wijze waarop hij die informatie heeft verwerkt en zich herinnert, onvoldoende betrouwbaar is om het tenlastegelegde scenario mede op basis van die verklaring te kunnen bewijzen.
87. Dit u.o.s. maakt onderdeel uit van het bredere u.o.s. dat ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige is gevoerd. Daarover gaat ook het vierde middel. (…) De 7 juli-verdenking betreft een zelfstandig tenlastegelegd feit, dat in beginsel op zijn eigen merites moet worden beoordeeld. In het kader van die beoordeling heeft de verdediging aldus het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt ingenomen dat erop neerkomt dat de de auditu-verklaringen van de kroongetuige over degene die [slachtoffer 1] naar de afspraak van 7 juli 2017 zou hebben gelokt inconsistent zijn en daarom onvoldoende betrouwbaar zijn om te dienen voor het bewijs dat requirant die lokker is geweest. Zie in dat verband in het bijzonder nogmaals paragraaf 2.1.3.1.7 van de pleitnota van 21 maart 2024.
De bespreking van het vierde middel
kunnenbegrijpen). Ik meen van wel. In het algemene deel over de verklaringen van [kroongetuige] bespreekt het hof diens bijzondere hoedanigheid (van kroongetuige) en koppelt daaraan de noodzaak van een kritische benadering en extra behoedzaamheid. Het hof beschrijft uitgebreid zijn beoordeling van de verklaringen van [kroongetuige] en zet uiteen welke factoren daarbij in aanmerking zijn genomen. Uiteindelijk wordt geconcludeerd dat tegen de achtergrond van het totaal van zijn vele verklaringen en in het licht van de overige onderzoeksbevindingen het beeld van [kroongetuige] als een overwegend betrouwbaar verklarende getuige (ondanks een aantal kanttekeningen) in stand blijft. Dat het hof deze overwegingen heeft opgenomen in dit arrest laat zien dat dit algemene oordeel doorwerkt in de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaring in het deelonderzoek Breuk . Verderop in het arrest oordeelt het hof (daarop voortbouwend) dat de in deze zaak voor het bewijs gebruikte verklaring van [kroongetuige] betrouwbaar is, omdat die op belangrijke onderdelen bevestiging vindt in meerdere bewijsmiddelen en de daarin vervatte objectieve onderzoeksresultaten. Dat laat het hof in zijn bewijsoverwegingen ook zien. [55] Dat bepaalde onderdelen van de verklaringen van [kroongetuige] steun vinden in andere bewijsmiddelen en dat die onderdelen ‘belangrijk’ zijn, bestrijden de stellers van het middel niet. Gelet op het voorgaande is het oordeel van het hof over de betrouwbaarheid van de verklaringen van [kroongetuige] (in Breuk ) dan ook niet onbegrijpelijk en evenmin ontoereikend gemotiveerd.
Een nadere omschrijving van het vijfde middel
De bespreking van het vijfde middel
anderenverantwoordelijk zijn voor het in een volgauto doorgeven van informatie over de reisbewegingen van het slachtoffer op 5 juli 2017 en/of voor het met die auto afzetten van [slachtoffer 1] bij de parkeerplaats in [plaats] . Dan zou namelijk
nog steedsuit het bewijs volgen dat (ook) de verdachte strafbaar is voor de voorbereiding van de moord op [slachtoffer 1] die dag. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting [57] en is gelet op het gepresenteerde alternatieve scenario en de rest van de bewijsmotivering [58] niet onbegrijpelijk. Alleen al daarom is de verwerping van het verweer van de verdediging toereikend gemotiveerd.
Het zesde middel
De relevante delen van de processtukken
41. In het licht van het voorgaande doet de verdediging nog wel een voorwaardelijk verzoek. Als Uw Hof - indachtig de recente ontwikkelingen - niet tot een integrale vrijspraak komt, verzoekt de verdediging tot het horen van [getuige 2] (laatst bekende adres: [c-straat 1] , [postcode] [plaats] ).
De verdediging heeft op de zitting op 11 november 2024 gevraagd om [getuige 2] als getuige te horen als het hof niet komt tot een integrale vrijspraak van de aan [verdachte] ten laste gelegde feiten. Deze persoon zou volgens de verdediging kunnen bevestigen dat het ophalen van [slachtoffer 1] op de parkeerplaats bij NSstation [plaats] in verband met het wegbrengen van een waterscooter met een geleend busje van tevoren ook bij anderen bekend was en dat [verdachte] na de afspraak in [plaats] alleen is vertrokken.
De bespreking van het zesde middel
Het achtste en negende middel
De relevante delen van de processtukken
De verdediging heeft ook aangevoerd dat een veroordeling in strijd is met het recht op een eerlijk proces door de optelsom van de volgende gestelde omstandigheden:
De beperkingen voor de verdediging in het onderzoek naar de betrouwbaarheid van de originele bron van de uitlatingen die de kroongetuige heeft overgebracht;
Het eenzijdige opsporingsonderzoek waardoor mogelijk bewijs verloren is gegaan;
Het onthouden van toegang tot relevante stukken.
De bespreking van het achtste middel
De bespreking van het negende middel
Het tiende middel
De overwegingen van het hof
Het bewezenverklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op: