Conclusie
1.Overzicht
Rechtbank Den Haagheeft belanghebbendes beroep ongegrond verklaard. Houdsterverliezen zijn ex art. 20(4) (oud) Wet Vpb alleen verrekenbaar met houdsterwinsten. Art. 5(4) Besluit fiscale eenheid (BFE) rekent weliswaar de winst van [C] BV toe aan de belanghebbende voor de verrekening van haar voorvoegingsverliezen ex art. 15ae Wet Vpb, maar dat neemt niet weg dat die managementwinst geen houdsterwinst is en dus niet verrekend behoort te worden met houdsterverliezen. Een andere uitleg zou art. 20(4) Wet Vpb zinloos maken en in strijd komen met doel en strekking van zowel de houdster-verliesregeling als art. 5(4) BFE omdat verschil zou ontstaan tussen zelf nieuwe activiteiten beginnen (geen verrekening omdat de belanghebbende dan geen ‘houdster’ meer zou zijn) en daartoe een dochter oprichten en meteen voegen (wel verrekening, die echter niet door de wetgever is bedoeld). Dat belanghebbendes geval puur binnenslands is en dus geen
Bosal-gat aan de orde is, is geen reden om de houdsterverliesregeling buiten toepassing te laten, nu zij expliciet geen onderscheid maakt naar gelang het houdsterverlies is veroorzaakt door kosten in verband met binnenlandse of buitenlandse deelnemingen. HR
BNB2018/205 (zie 6.5 hieronder), waarin u letterlijke uitleg in het voordeel van de belastingplichtige verkoos boven teleologische uitleg in het voordeel van de fiscus, leidde de Rechtbank niet naar een ander oordeel omdat dat arrest ging over een specifiek probleem van toepassing van art. 13d(4) Wet Vpb (liquidatieverliesregeling) en geen algemene uitlegregel inhoudt voor andere regelingen. Ook belanghebbendes beroep op vertrouwen op een beleidsbesluit faalt.
sprongcassatiestelt de belanghebbende dat grammaticale interpretatie van art. 20(4) jo. art. 15ae(1)(a)(3) Wet Vpb jo. art. 5(4) BFE leidt tot verrekening van haar voorvoegings-houdsterverlies 2010 met de belastbare (management)winst 2016: art. 5(4) BFE rekent niet de winstgevende
activiteiten, maar alleen de ‘winst’ van [C] BV aan haar toe, en bij de verrekening van voorvoegingshoudsterverliezen vragen art. 15ae(3) Wet Vpb en art. 20(4) Wet Vpb alleen naar belanghebbendes
eigenactiviteit, die uit houdsterschap bestaat, en niet naar die van de gevoegde dochter, zodat haar voorvoegingshoudsterverlies verrekend kan worden met de haar voor verliesverrekeningsdoeleinden toegerekende managementwinst. Doel en strekking van die bepalingen verzetten zich niet tegen deze tekstuele uitleg van de duidelijke wetteksten omdat de houdsterverliesregeling is ingevoerd naar aanleiding van het
Bosal-arrest van het HvJ EU en dient om kostenaftrek in verband met niet-onderworpen deelnemingen te beperken. Die regeling bevat
overkilldoordat ook houdsters van wél onderworpen deelnemingen zoals de belanghebbende er aan zijn onderworpen, zodat er teleologisch geen reden is om in haar geval van de duidelijke wettekst af te wijken. De wetgever moet bovendien bekend zijn geweest met de door art. 5(4) BFE jo. art. 15ae(3) Wet Vpb jo. art. 20(4) Wet Vpb geboden mogelijkheid om voorvoegings-houdsterverliezen te verrekenen met winst uit niet-houdsteractiviteiten van een nieuw opgerichte en meteen gevoegde dochter; hij heeft er voor gekozen om niets te doen, met name art. 5(4) BFE niet aan te passen, zodat grammaticale interpretatie de voorkeur heeft boven teleologische interpretatie (HR
BNB2018/205; zie 6.5 hieronder). De belanghebbende beroept zich subsidiair opnieuw op het genoemde beleidsbesluit van 16 juli 2014.
fraus legisgesteld. In cassatie moet er daarom vanuit gegaan worden dat daarvan geen sprake is.
ongespecificeerde navoegingswinst van [C] BV. De ‘winst’ 2016 van [C] BV wordt door art. 5(4) BFE voor de verrekening van het voorvoegingsverlies aangemerkt als belanghebbendes winst en zij voldoet, zoals art. 15ae(3) Wet Vpb eist,
stand aloneaan de voorwaarden die art. 20(4) Wet Vpb aan houdsters stelt;
Bosalbudgettair neutraliseren zonder het verwijt te kunnen krijgen van
Bosal-frustratie c.q. discriminatie van grensoverschrijdende gevallen.
BNB2016/30) dat belastingplichtigen er in redelijkheid niet vanuit konden gaan dat beroep op de naar dat resultaat leidende eenduidige wettekst gehonoreerd zou worden omdat hen duidelijk moest zijn dat dat niet de bedoeling
konzijn.
BNB2016/30 achtte u onaanvaardbaar een uitleg die tot het ongerijmde gevolg zou leiden ‘dat de ontbinding en vereffening van de enige dochtermaatschappij kan leiden tot een ruimere mogelijkheid om voorvoegingsverliezen te verrekenen dan de mogelijkheden die bestonden vóór de beëindiging van de fiscale eenheid.’ In die zaak was echter ook de tekst van de wet niet eenduidig in het voordeel van de belastingplichtige. In belanghebbendes geval biedt de wettekst haar eenduidige steun, en anders dan in HR
BNB2016/30, is het in haar geval – althans vanuit art. 5(4) BFE bezien - geenszins ‘ongerijmd’ dat de voeging van [C] BV ‘kan leiden tot een ruimere mogelijkheid om voorvoegingsverliezen te verrekenen dan de mogelijkheden die bestonden vóór [het ontstaan van] de fiscale eenheid’. Ruimere verrekeningsmogelijkheid is immers juist de verklaarde bedoeling van art. 5(4) BFE.
In de context van art. 20(4) Wet Vpbwil art. 15ae(3) Wet Vpb slechts voorkomen dat de voeging mogelijkheden tot verrekening van voorvoegingshoudster-verliezen
verloren doet gaan: het strekt juist tot voortwentelbaarheid van voorvoegings-houdsterverliezen ook na de voeging. Die beperkte strekking heeft geen betekenis voor de litigieuze vraag
waarmeeeen als gevolg van art. 15ae(3) Wet Vpb ook na voeging nog verrekenbaar voorvoegingshoudsterverlies wordt verrekend.
BNB2018/205, waarin u de wet strikt naar haar tekst toepaste, overwegende dat “de (…) spanning tussen wettekst en doel en strekking van de liquidatieverliesregeling in een geval als het onderhavige haar oorzaak niet zozeer vindt in artikel 13d, lid 4, van de Wet, maar veeleer in het samenstel van wettelijke bepalingen die zien op de wijze waarop het opgeofferde bedrag moet worden bepaald.”
2.De feiten en het geding bij de Rechtbank
De feiten
Bosal-arrest van het HvJ EU, is expliciet niet beperkt tot gevallen waarin het houdsterverlies is veroorzaakt door kosten in verband met buitenlandse deelnemingen (
Kamerstukken I, 2003/04, 29 210, C, blz. 22). Ook belanghebbendes beroep op HR
BNB2018/205, waarin u letterlijke uitleg in het voordeel van de belastingplichtige koos in plaats van teleologische uitleg in het voordeel van de fiscus, baatte haar niet omdat dat arrest ging over een volgens de Rechtbank specifiek probleem van toepassing van art. 13d(4) Wet Vpb (periode waarin een deelneming in waarde daalt met gevolgen voor de liquidatieverliesregeling) en geen algemene uitlegregel inhoudt voor andere regelingen. De houdsterverliesregeling is ondanks haar afschaffing per 1 januari 2019, ex art. 34i Wet Vpb van toepassing gebleven voor houdsterverliezen die ter zake van perioden vóór 1 januari 2019 zijn vastgesteld. De Rechtbank heeft tenslotte ook belanghebbendes (vertrouwens)beroep op het Besluit van 16 juli 2014, nr. BLKB2014/362M afgewezen.
NTFR2020/1133 zijn opvatting (zie 5.6 hieronder) dat art. 5(4) BFE jo. art. 15ae(3) Wet Vpb (wel) de mogelijkheid biedt om art. 20(4) Wet Vpb te frustreren en hekelt het onvermogen van de wetgever om de wet correct te formuleren. Het gaat in art. 20(4) Wet Vpb zijns inziens om een
activiteitentoets bij de
moederen niet, zoals de Rechtbank lijkt te menen, om de
aardvan de activiteiten waarmee de
dochterhaar winst heeft behaald. Grammaticaal heeft de belanghebbende zijn inziens gelijk, maar gezien de strekking van art. 5(4) BFE acht hij het wel volstrekt duidelijk dat haar standpunt strijdt met doel en strekking van die bepaling.
NLF2020/0485) betwijfelt dat art. 5(4) BFE behalve de dochter
winstook de
aardvan die winst toerekent aan de moeder van de fiscale eenheid, maar ook hij meent dat belanghebbendes uitleg niet strookt met de ratio van art. 20(4) Wet Vpb.
FED2020/46) acht het enkele feit dat de dochterwinst uit niet-houdsterbezigheden komt mogelijk onvoldoende om verrekening met moeder’s houdsterverliezen te voorkomen omdat de wetgever in art. 20(4) Wet Vpb bewust niet heeft onderscheiden naar de aard van de verliezen c.q. winsten om
Bosal-spanning te voorkomen en om budgettaire redenen. Zij wijst op HR
BNB2014/247 t/m 250 (zie 6.6 hieronder) waarin de ‘onspecificiteit’ van de resultaataanwijzing in art. 20(4) eveneens van belang was en u die bepaling grammaticaal uitlegde. Die arresten gingen wel over een andere kwestie, nl. de niet-toegelichte temporele eis in art. 20(4) Wet Vpb (‘nagenoeg het gehele jaar’ houdsterschap). Gezien de samenloop tussen de houdsterverliesregeling en het wél-toegelichte art. 5(4) BFE heeft de Rechtbank haars inziens wellicht terecht een wetshistorische en teleologische interpretatie gekozen. HR
BNB2018/205, waarin u een niet-geleden liquidatieverlies toch in aftrek toestond (zie 6.5 hieronder) houdt verband met de specifieke merites van artt. 13d(4) en (8) Wet Vpb, maar volgens De Groot kan ook betoogd worden dat de spanning tussen wettekst en -ratio in belanghebbendes zaak, net zoals in die zaak, in het samenstel van wetsbepalingen ligt. Zij acht het mogelijk dat in hogere instantie ook
fraus legisnog aan de orde komt.
fraus legisniet alsnog aan de orde gekomen en zijn kennelijk beide partijen van mening dat daarvan ook geen sprake is.
3.Het geding in (sprong)cassatie
stand aloneaan de voorwaarden van art. 20(4) voldoet. Dat is het geval, nu de belanghebbende in 2016 houdster was. Art. 5(4) BFE rekent vervolgens bij de verrekening van voorvoegingsverliezen de
winstvan management BV geheel toe aan de belanghebbende en vraagt niet naar de
aardvan de
bezighedenwaarmee [C] BV die winst heeft behaald. Ook de parlementaire geschiedenis biedt geen steun aan de opvatting dat die aard relevant zou zijn.
niet-Bosal-geval is. De houdsterverliesregeling is ingevoerd naar aanleiding van het
Bosal-arrest van het HvJ en dient om (financierings)kostenaftrek in verband met niet in Nederland onderworpen deelnemingen te beperken. Die regeling bevat
overkilldoordat ook houdsters van wel degelijk volledig onderworpen deelnemingen, zoals de belanghebbende, er aan worden onderworpen. Teleologisch is er dan geen reden is om van de duidelijke wettekst af te wijken in geheel binnenlandse
niet-
Bosal-, dus
overkill-gevallen zoals dat van de belanghebbende. Zij verwijst naar de parlementaire behandeling [2] , literatuur [3] en jurisprudentie [4] die die
overkillbekritiseren. De houdsterverliesregeling is niet bedoeld om verrekening van verliezen van houdsters van binnenlands onderworpen deelnemingen te beperken. Het litigieuze houdster-verlies is niet veroorzaakt door kosten in verband met niet-onderworpen deelnemingen en daarom moet niet van de wettekst worden afgeweken, aldus de belanghebbende.
BNB2018/205).
Kamerstukken I, 2003/04, 29 210, C (NnavV), pag 22, de toelichting op art. 20(4) Wet Vpb in de Nota van Wijziging bij het Belastingplan 2004, [6] het in het advies van de Raad van State en het nader rapport over de nota van wijziging aangewezen doel van art. 20(4) Wet Vpb (voorkoming van ongewenst gebruik van verliezen uit het houden van deelnemingen [7] ) en de strekking van de houdsterverliesregeling volgens de toenmalige Staatssecretaris van Financiën (verliezen uit houdsterschap mochten niet weggestreept kunnen worden tegen later ontplooide reële winstgevende activiteiten [8] ). Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de houdsterverlies-regeling blijkt volgens de Staatssecretaris duidelijk dat zij moet waarborgen dat een verlies uit houdsterschap alleen wordt verrekend met winst uit houdsterschap; niet met andere winst.
Kamerstukken II2003/04, 29 210, nr. 8, p. 22). Belanghebbendes stelling dat de managementwinst door de toerekening ex. art. 5(4) BFE verandert in houdsterwinst is volgens de Staatssecretaris onjuist. Voor de kwalificatie van resultaat als houdsterresultaat is van belang met welke feitelijke werkzaamheid dat resultaat is behaald; het gaat om een weging van alle werkzaamheden die een vennootschap verricht. Vast staat dat de belanghebbende in 2016 houdster was en een houdsterverlies heeft geleden. Het past in het systeem van de regeling dat de verliesverrekeningsbeperking (houdsterverlies alleen met houdsterwinst verrekenen) wordt voortgezet ook na vorming van een fiscale eenheid, hetgeen de wetgever met art. 15ae(3) Wet Vpb heeft willen zeker stellen. Belanghebbendes uitleg van art. 5(4) BFE heeft het ongerijmde gevolg dat haar houdsterverlies kan worden verrekend met niet-houdsterwinst door een nieuwe dochter op te richten en tot hetgeen art. 5(4) BFE juist moet voorkomen, nl. onderscheid tussen het geval waarin de belanghebbende zelf management ontplooit (geen voorvoegingsverlies-verrekening) en het geval waarin zij een dochter opricht om management te ontplooien (wel voorvoegingsverliesverrekening).
4.De wet en diens geschiedenis
Art. 20(4) Wet Vpb: de houdsterverliesregeling
Bosal-arrest van het HvJ EU veroorzaakte fiscale gat te beperken. Dat arrest verbood het om aftrek in Nederland van deelnemingskosten te beperken tot kosten in verband met in Nederland belastbare winst van of op die deelnemingen. Het creëerde aldus een ernstige incoherentie tussen de aftrek in Nederland van kosten van (financiering van) deelnemingen en de onbelastbaarheid in Nederland van de (uitdeling van) winsten van en de vermogenswinsten op die deelnemingen. De wetgever reageerde aanvankelijk met (i) een
thin capregeling en (ii) de boven geciteerde houdsterverliesregeling. De
thin capregeling is per 1 januari 2013 vervangen door een excessieve-deelnemingskostenregeling (art. 13L (oud) Wet Vpb) en is op 1 januari 2019, tegelijk met de tot dan voortbestaande houdsterverliesregeling, vervangen door een
earnings strippingregeling (art. 15b Wet Vpb) als implementatie van art. 4 van Pro de EU-ATAD. [9]
1. Inleiding
6.Beperking verliesverrekening houdstermaatschappijen
Bosal-arrest: de houdsterverliesregeling had tot doel te voorkomen dat verliezen uit houdsteractiviteiten worden verrekend met winsten uit later ontplooide reële winstgevende activiteiten. Hij bevestigde dat geen onderscheid wordt gemaakt naar de oorsprong van verliezen: [16]
Bosal-arrest, zij voor alle houdster- en financieringsvennootschappen geldt, dus ook voor houdster- en financieringsvennoot-schappen die alleen in Nederland onderworpen deelnemingen houden/financieren: [17]
Bosal-uitspraak omdat anders het
Bosal-arrest zou worden gefrustreerd: [18]
Art. 15ae(3) Wet Vpb (voorvoegingshoudsterverliezen bij voeging in een fiscale eenheid)
change of controlna inkrimping) moet worden toegepast bij voorvoegingshoudsterverliezen). Het luidde in 2016 als volgt:
II. Artikelsgewijs
stand alonewordt toegepast, dus bij de voegeling met de voorvoegingsverliezen: [21]
Art. 5(4) Besluit FE: uitzondering op de compartimentering van voorvoegingsverliezen
5.Prima facieinterpretatie
stand aloneworden beoordeeld. Niet in geschil is dat zij inderdaad in 2016 uitsluitend houdsterdingen deed in de zin van art. 20(4). Op basis van de eenduidige wettekst van art. 15ae(3) Wet Vpb moet de belanghebbende dus ook na de voeging als houdster in de zin van art. 20(4) Wet Vpb beschouwd worden. Dat betekent dat haar (houdster)verliezen verrekenbaar blijven met haar winsten.
stand alone) bezighield, en dat was houdsterschap, zodat aan de voorwaarden van art. 20(4) Wet Vpb is voldaan. Volgens de eenduidige tekst van art. 5(4) BFE is de winst 2016 van [C] BV winst van de belanghebbende.
stand alonebeoordeeld – zoals art. 15ae(3) Wet Vpb wil - voldeed zij aan de eis van art. 20(4) Wet Vpb dat zij in 2016 uitsluitend houdsterdingen deed.
behaald methoudster- of concernfinancieringsactiviteiten, maar over ‘winst’
van jarenwaarin de feitelijke werkzaamheid van de belastingplichtige bestond uit houdster- en financieringsdingen. Niet in geschil is dat de feitelijke werkzaamheid van de belastingplichtige in 2016 bestond uit houdsterdingen.
6.Een wettekst die niet strookt met de bedoeling; precedenten
ex-warrant-arrest HR
BNB1996/138 [30] paste u de wet naar haar tekst toe, hoewel uit de parlementaire geschiedenis onmiskenbaar bleek dat dat niet de bedoeling van de wetgever was. De regering had de tekst niet in overeenstemming met de expliciet door zowel parlement als regering uitgesproken bedoeling gebracht omdat zij ongewenste complicaties vreesde. De wetgever schoof de complicaties in wezen door naar de rechter, die daardoor ontstane problemen maar met teleologische c.q. wetshistorische interpretatie moest oplossen. In geschil was of de waarde-aangroei van ex-
warrantobligaties (obligaties ontdaan van hun
warrants, die daardoor (ver) onder
parideden) onder art. 25a Wet IB 1964 vielen, dat onder meer de waarde-aangroei van blote eigendom van vorderingen en van ex-coupon-obligaties belastte. De tekst van art. 25a Wet IB 1964 liet geen andere lezing toe dan dat een ex-
warrantlening er niet onder viel. Uit de parlementaire behandeling daarentegen bleek onmiskenbaar dat de medewetgever ook ex-
warrantleningen onder art. 25a Wet IB 1964 wilde laten vallen, maar de wettekst ondanks een suggestie daartoe vanuit het parlement niet had aangepast omdat dat tot ongewenste complicaties zou leiden. U overwoog:
fraus legisin geval van opzetjes om die discrepantie c.q. ontgaansmogelijkheid antifiscaal uit te baten. [31] Dat volgt met name uit HR
BNB2013/151 (
Flitspartnerschap), [32] over twee mede-eigenaren van vastgoed die voor één dag een geregistreerd partnerschap aangingen uitsluitend om te profiteren van de vrijstellingen van overdrachtsbelasting bij inbreng in en ontbinding van een geregistreerd partnerschap. De regering was vóór invoering van de gelijkstelling van geregistreerde partners met gehuwden uitdrukkelijk gewezen op deze ontgaansmogelijkheid, zowel door de literatuur als in het parlement, maar had haar wetsvoorstel over gelijkstelling er niet op aangepast. U overwoog:
BNB 1993/201, waarin een gemeenschap van goederen ontstond tijdens het huwelijk van de betrokkenen, en er geen aanwijzing bestond dat dit huwelijk slechts was aangegaan om overdrachtsbelasting te vermijden.
Kamerstukken I, 1996-1997, 23 761, nr. 157d, blz. 3). Aan het andersluidende oordeel van het Hof ligt kennelijk de opvatting ten grondslag dat indien kenbaar is dat constructies kunnen worden opgezet om een (vrijstellende) regeling van toepassing te laten zijn, het achterwege blijven van een wettelijke regeling ter bestrijding daarvan eraan in de weg staat dat het ontgaan van de geldende wetgeving door middel van die constructies wordt bestreden met een beroep op het leerstuk van wetsontduiking. Deze opvatting is onjuist (vgl. HR 10 juli 2009, nr. 43 363,
LJN BJ2006,
BNB 2009/237).”
fraus legiskan stellen ook als de wetgever expliciet is gewaarschuwd maar het risico of de omvang van antifscale opzetjes onderschatte of te druk was met andere dingen. In onze zaak heeft de Inspecteur niet gesteld dat de belanghebbende
in fraudem legiszou hebben gehandeld en van dien aard heeft de Rechtbank ook niets vastgesteld. Dat neemt niet weg dat uit het arrest ook afgeleid kan worden dat de wet nog steeds naar doel en strekking toegepast kan worden ook als de wetgever in de literatuur expliciet is gewaarschuwd dat zijn tekst niet strookt met zijn bedoeling. Dat is kennelijk slechts anders (zie het
ex warrantarrest in 6.1) als de wetgever een volgens hem
welte belasten configuratie welbewust en expliciet
nietonder de wettekst laat vallen en een soort
side lettermaakt in de
Handelingen. U vergelijke de rechtspraak van het HvJ EU, met name in de zaken
Denkavit, VITIC en Voormeer [33] en
Epson Europe, [34] waarin dat Hof een beroep op
side lettersin de notulen van de Raad van Ministers van de EU verwerpt en alleen de desbetreffende EU-Richtlijn zelf beslissend acht.
BNB2009/237 (antifiscale dubbeldekker-constructie tot ontwijking van overdrachtsbelasting) en HR
BNB1986/127 (antifiscale tussenschuiving van een Antilliaanse NV tot ontwijking van dividendbelasting) zeggen dat als blijkt dat antifiscale constructies worden opgezet, het uitblijven van bestrijding ervan door wetswijziging niet in de weg staat aan bestrijding ervan door
fraus legis. Ik maak daaruit op dat het uitblijven van een wetswijziging tot opheffing van spanning tussen de bedoeling van de wetgever en de wettekst op zichzelf evenmin in de weg staat aan toepassing van die wet naar haar doel en strekking. De wettekst moet daarvoor echter wel voldoende ruimte bieden, hetgeen kennelijk in de
ex warrantzaak (zie 6.1) niet het geval was.
BNB2016/30 [35] koos u, anders dan in het
ex warrant-arrest, voor een van de wettekst afwijkende teleologische interpretatie omdat toepassing naar de tekst een ‘ongerijmd’ gevolg zou hebben. De zaak betrof de vraag of voorvoegingsverliezen van de moeder van een fiscale eenheid konden worden verrekend met winsten van een geliquideerde enige dochter. Volgens de Rechtbank kon dat omdat zich in zo’n geval geen ontvoegingstijdstip voordeed, anders dan waarvan de tekst van art. 15aa(1)(c) Wet Vpb van uitging; daardoor kon de winstsplitsing ex art. 15ag(1) Wet Vpb per ‘ontvoegingstijdstip’ niet worden toegepast. U oordeelde echter anders:
BNB2018/205, [37] waarin u strikt grammaticaal oordeelde. Die zaak betrof een belanghebbende die in 2004 alle aandelen in de groepsvennootschap D BV verwierf en haar meteen in haar fiscale eenheid opnam. D BV hield al vanaf 2000 alle aandelen in een Zwitserse AG die zij steeds op historische kostprijs (circa € 104 miljoen) was blijven waarderen, hoewel AG’s waarde tussen 2000 en 2004 zeer aanzienlijk was gedaald. Ook de eenheid waardeerde AG op historische kostprijs, hoewel AG ten tijde van D’s voeging kennelijk nog maar € 10 miljoen waard was. In 2009 werd D BV ontvoegd en geliquideerd. De liquidatie-uitkering bedroeg 24 miljoen, bestaande uit de deelneming AG ad € 10 miljoen en liquide middelen ad € 14 miljoen. De belanghebbende trok een liquidatieverlies ad € 94 miljoen af omdat door de gehandhaafde kostprijswaardering het voor D BV opgeofferde bedrag volgens art. 13d(2) Wet Vpb € 119 miljoen beliep: omdat AG al in waarde was gedaald vóór belanghebbendes verkrijging van D BV, viel die daling niet in de volgens art. 13d(4) relevante bezitsperiode van de belanghebbende. De tekst van art. 13d(4) Wet Vpb gaf haar dus gelijk. Het Hof achtte aftrek zo evident in strijd met doel en strekking van de liquidatie-verliesregeling, met name van art. 13d(4) Wet Vpb, dat hij die liet prevaleren boven de wettekst. Ook uw A-G achtte aftrek van een niet-bestaand liquidatieverlies in strijd met het recht, maar u oordeelde:
BNB2018/205) annoteerde dat u de Vpb-wetgever vaak de hand boven het hoofd had gehouden door in gevallen waarin grammaticale uitleg in het voordeel van de belastingplichtig was, een uitleg naar doel en strekking in diens nadeel te kiezen. Uw in HR
BNB2018/205 gekozen grammaticale uitleg van art. 13d(4) Wet Vpb in het voordeel van de belastingplichtige leek hem samen te hangen met de specifieke casus en niet te wijzen op een casusoverstijgende betekenis van de grammaticale uitlegmethode. Het blijft zijns inziens moeilijk te voorspellen naar welke kant de weegschaal met ‘alle relevante (rechtsvindings) gegevens’ zal uitslaan, naar de letter of naar doel en strekking van de wet. Ook de Cursus (Formeel) Belastingrecht zag in HR
BNB2018/205 geen algemenere regel die grammaticale boven teleologische uitleg zou stellen. [38] Kooiman (
NTFR2018/2249) zag niet zozeer grammaticale interpretatie als wel het oordeel dat er systematisch en wetshistorisch geen reden was om de duidelijke bewoordingen van de wet terzijde te schuiven. Ook volgens hem kan in geen geval de conclusie worden getrokken dat u meer belang bent gaan hechten aan grammaticale wetsinterpretatie.
BNB2014/247, [39] HR
BNB2014/248, [40] HR
BNB2014/249 [41] en HR
BNB2014/250. [42] Die betroffen vier belanghebbenden die gedurende minder dan 90% van hun boekjaren een deelneming hadden gehouden: in drie gevallen ging het om verwerving van de deelneming pas in de loop van het jaar; in één ander geval om het jaar van ontbinding en vereffening van de deelneming. In geschil was (i) of voorbereiding of afwikkeling van houdsterschap onder de term ‘feitelijke werkzaamheid bestaande uit het houden van deelnemingen’ valt en (ii) of perioden waarin überhaupt geen werkzaamheden zijn verricht buiten beschouwing blijven bij de 90%-tijdtoets (de temporele eis). De conclusie in deze zaken betoogde dat weliswaar op basis van de parlementaire geschiedenis ook voorbereidende en afwikkelende werkzaamheden onder ‘feitelijke werkzaamheden die bestaan uit het houden van deelnemingen’ zouden kunnen vallen, maar dat die uitleg tot praktische onuitvoerbaarheid en rechtsonzekerheid zou leiden en daarom het door de feitenrechters gebruikte grammaticale criterium de voorkeur verdiende: de feitelijke werkzaamheid ‘houden van deelnemingen' doet zich alleen voor als daadwerkelijk een deelneming gehouden wordt. De duidelijke tekst van art. 20(4) Wet Vpb, de onduidelijke ratio van het criterium ‘nagenoeg het gehele jaar’, het gegeven dat ook kosten van inactiviteit onder de regeling vallen en het onsystematische en budgettaire karakter van de regeling lieten volgens die conclusie trouwens ook geen teleologische interpretatie van het criterium ‘nagenoeg het gehele jaar’ toe die sterk genoeg was om in de plaats te stellen van de duidelijke wettekst:
Bosalbeperkende achtergrond van de 'nagenoeg het gehele jaar'-eis (…) zie ik aanwijzingen die ertoe zouden nopen van die duidelijke tekst af te wijken. Het onsystematische, opportunistische en budgettaire karakter van de regeling (…) maken het mijns inziens onmogelijk om het temporele criterium volgens enige teleologie te interpreteren in afwijking van zijn duidelijke tekst.”
Bosalzouden profiteren zonder echter het verwijt te krijgen
Bosalgericht te frustreren, (iii) het gegeven dat ook kosten van inactiviteit (orgaankosten) onder de regeling kunnen vallen, en (iv) het onsystematische, opportunistische en budgettaire karakter van de regeling, het onmogelijk maken om het temporele criterium volgens enige teleologie te interpreteren in afwijking van zijn duidelijke tekst. De teleologie van de 'nagenoeg het gehele jaar'-eis is - in vergelijking met zijn duidelijke tekst - in dichte nevelen gehuld.
special purpose companyals verwerfster of vervreemdster de regeling te omzeilen in een aankoop-, vervreemdings- of liquidatiejaar, maar dat illustreert slechts het onsystematische van een grammaticaal heldere regeling die in uitgangspunt al opmerkelijk koersonvast is doordat zij bijmenging van niet-houdsteractiviteiten over de jaargrens heen wél bestrijdt maar binnensjaarse bijmenging niet. Ik meen dat het aan de wetgever is om te bepalen of het geheel ontbreken van feitelijke werkzaamheid gelijkgesteld kan worden met feitelijke werkzaamheid en zo ja, met welke feitelijke werkzaamheid gedurende welk deel van het jaar.”
BNB2014/247:
ex warrantarrest). Teleologische uitleg is ook uitgesloten als de wetgever niet rechtstreeks regelt wat hij wil, maar een andere maatstaf kiest (opgeofferd bedrag) en daarvoor ‘nauwkeurig en duidelijk’ criteria geeft waaraan de belastingplichtige voldoet, en de spanning tussen wettekst en -ratio haar oorzaak vervolgens niet vindt in een individuele wetsbepaling, maar in het samenstel van wettelijke bepalingen die dat opgeofferde bedrag bepalen (HR
BNB2018/205). Is de wettekst eenduidig, dan past u hem in het algemeen zonder meer toe, met name als het om uiterst technische, gelegenheids- of puur budgettaire wetgeving gaat waarin weinig andere ratio valt te onderkennen dan een budgettaire, opportunistische of incidentele (HR
BNB2014/247 t/m 250). Maar u laat doel en strekking prevaleren boven de tekst als tekstuele toepassing tot een (te) ‘ongerijmd’ resultaat leidt (HR
BNB2016/30), waarbij zij aangetekend dat de wettekst in HR
BNB2016/30 niet geheel eenduidig was.
prima facie) te interpreteren.
bezighedenzouden zijn toegerekend, zij geen houdster in de zin van art. 20(4) Wet Vpb zou zijn geweest omdat zij dan niet (nagenoeg) uitsluitend met houdsterdingen zou zijn bezig geweest. Ik baseer dat op deze overweging van de Rechtbank:
7.Politiek correcte interpretatie van art. 20(4) Wet Vpb
Bosal-arrest van het HvJ, dat ten onrechte strijd met de vestigingsvrijheid zag in de fiscaal-coherente koppeling van aftrek van deelnemingskosten aan binnenlands belastbare winst van die deelnemingen of hun houdsters. Art. 20(4) Wet Vpb moet voorkomen dat houdsterverliezen die tegenover vrijgestelde deelnemingsvoordelen staan, worden afgezet tegen belaste winsten door ‘bijmenging’ van winstgevende niet-houdster-activiteiten bij de houdster. Het maakt geen onderscheid meer tussen onderworpen en niet-onderwerpen deelnemingen, juist om beweerdelijke strijd met de EU-vestigingsvrijheid te voorkomen.
Bosal-beperkende en daarmee politiek incorrecte uitleg van art. 20(4) Wet Vpb: zij betoogt dat art. 20(4) Wet Vpb verrekening van verliezen in verband met niet-onderworpen deelnemingswinsten wil beperken en dat
haarverliezen juist verband houden met
welonderworpen deelnemingswinsten, zodat zij er teleologisch niet onder valt. Dit betoog is onjuist omdat het ertoe leidt dat het – weliswaar ten onrechte - door het HvJ als discriminerend veroordeelde oude regime deels voortbestaat, terwijl de verklaarde bedoeling van de wetgever was om onderscheid tussen onderworpen en niet-onderworpen deelnemingen juist te vermijden. Zoals ook uiteengezet in de gemene bijlage bij de conclusies voor de geciteerde temporele-eis-arresten (zie 6.6) is de houdsterverliesregeling daarom expliciet niet beperkt tot verliezen die door
Bosalaftrekbaar zouden worden. De wetgever vreesde terecht dat die beperking een EU-rechtelijk verboden frustratie van het onjuiste [45] Bosal-arrest zou inhouden. De regeling is uitdrukkelijk niet bedoeld om
Bosalterug te draaien (zie 4.7 t/m 4.10 hierboven). Zij ziet zelfs op verliezen van vennootschappen die helemaal geen deelnemingen houden maar alleen verbonden lichamen financieren (zie 4.8 hierboven). Van Horzen (commentaar in
NTFR2011/1428 op HR
BNB2011/244 [46] ) merkt dan ook op dat art. 20(4) Wet Vpb weliswaar bedoeld is om de reikwijdte van
Bosalbinnen de budgettaire perken te houden, maar een veel bredere reikwijdte heeft gekregen.
overkill: [47]
Bosalvoorkomen, (ii) zonder
Bosalongedaan te maken, althans zonder de EU-rechtelijke verwijten te kunnen krijgen van HvJ-rechtspraakfrustratie of gunstiger behandeling van houdsters van onderworpen deelnemingen dan van houdsters van niet-onderworpen deelnemingen. EU-noodgedwongen moesten ook houdsters van geheel binnenlandse deelnemingen worden beperkt in hun verliesverrekening, zij het dat voeging van die deelnemingen in een fiscale eenheid uitkomst kan bieden. De wetgever heeft, gedwongen door
Bosal, uitdrukkelijk de door de belanghebbende terecht gewraakte fiscaal incoherente
overkillaanvaard die voortvloeit uit de aftrekweigering van kosten die wél het behalen van in Nederland belaste winst dienen.
Bosalratio-analyse van art. 20(4) Wet Vpb strookt het dus met doel en strekking van de houdsterverliesregeling om de verrekening van belanghebbendes houdsterverliezen met de managementwinsten van [C] BV te weigeren.
8.art. 15ae(3) Wet Vpb: voorvoegingshoudsterverliezencompartimentering
stand alonemoet worden beantwoord bij de houdster met de voorvoegingsverliezen (zie 4.13). Dit voorkomt dat voorvoegingsactiviteiten van verschillende voegelingen gemengd worden binnen de fiscale eenheid, zoals in HR
BNB2011/190 [52] bleek te geschieden onder het oude regime (vóór invoering van art. 15ae(3) Wet Vpb en vóór de herziening van het fiscale-eenheidsregime). In die zaak ging het om de activiteiten(omvangs)toets in art. 20a Wet Vpb (verliesverdamping bij
change of controlna activiteitenkrimp). Als gevolg van de voeging was onvoldoende activiteitenkrimp zichtbaar om verliesverrekening te weigeren: de activiteitenkrimp bij de ene gevoegde werd gecompenseerd door de activiteiten van de andere gevoegde.
change of control) bestrijdt de compartimentering van de activiteitentoets (en van de beleggingstoets) in art. 15ae(3) Wet Vpb dus activiteitenmenging die handel in verliesvennootschappen mogelijk kan maken.
In de context van art. 20(4) Wet Vpbdaarentegen strekt art. 15ae(3) Wet Vpb in beginsel juist tot
beschermingtegen verliesverdamping, nl. tot voortwentelbaarheid van voorvoegingshoudsterverliezen ook na voeging:
stand alonebezien, houdt de verlieshoudster zich immers ook na voeging nog steeds nagenoeg uitsluitend bezig met houden en blijft haar voorvoegingshoudsterverlies dus verrekenbaar. Van Horzen schrijft daarover: [53]
stand alonevoldoen aan de activiteitentoets (is zij een ‘houdster’?) van art. 20(4) Wet Vpb. Niet in geschil is dat zij daaraan voldoet. De oprichting en voeging van [C] BV veranderen daar niets aan;
stand aloneblijft de belanghebbende houdster in de zin van art. 20(4) Wet Vpb. Dat is ook de verklaarde bedoeling van art. 15ae(3) Wet Vpb, met het oog op de correcte werking van art. 20(4) Wet Vpb. Art. 15ae(3) sluit daarom – door de verwijzing naar art. 20(4) - net als art. 20(4) zelf aan bij de
activiteitenvan de gevoegde houdster; niet bij haar
winst.
waarmeeeen aldus ook na voeging verrekenbaar gebleven voorvoegingshoudsterverlies wordt verrekend. Zij houdt geen enkel verband met (eventuele werking van) art. 5(4) BFE.
stand alonebij de voegeling met de voorvoegingsverliezen) in de context van art. 20(4) Wet Vpb (voorkomen dat voorvoegingshoudsterverliezen verdampen door de voeging) hier noch daar.
9.Art. 5(4) BFE: uitzondering op de verliescompartimentering bij voeging
winstvan de voegeling toerekent aan haar oprichters en niet dier
activiteiten, en dat dat onbedoelde en ongewenste situaties kon doen ontstaan bij samenloop met de art. 15ae en 20a Wet Vpb (art. 20(4) Wet Vpb was in 2002 nog niet ingevoerd; het
Bosal-arrest is van september 2003):
change of control) is het (omgekeerde) probleem opgelost met invoering van art. 15ae(5) Wet Vpb: draagt een voegeling met voorvoegings-verliezen werkzaamheden over binnen de fiscale eenheid, dan worden die werkzaamheden voor de activiteitentoets van art. 20a(4) (zijn de activiteiten gekrompen?) toch toegerekend aan die voegeling. Deze ingreep lijkt te impliceren dat ook de wetgever meent dat art. 5(4) BFE alleen
winsten niet de
activiteitvan de nieuwe dochter toerekent aan de oprichters; anders was de ingreep overbodig geweest.
10.De rechtsvraag redux; beoordeling
ongespecificeerde ‘winst’ van [C] BV en
Bosalbudgettair neutraliseren zonder het verwijt te kunnen krijgen van
Bosal-frustratie of discriminatie van grensoverschrijdende gevallen.
BNB2016/30; zie 6.4) dat belastingplichtigen er in redelijkheid niet vanuit konden gaan dat beroep op de naar dat resultaat leidende tekst gehonoreerd zou worden omdat hen duidelijk moest zijn dat dat niet de bedoeling
konzijn. U vergelijke uw criterium voor de toepassing van het vertrouwensbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur bij bestuurlijke toezeggingen
contra legemdie ‘zo duidelijk’ (kenbaar) in strijd met de wet zijn dat de belastingplichtige ‘redelijkerwijs niet op nakoming mocht rekenen’. [59]
BNB2016/30 c.q. net zo onverdedigbaar als nakoming van een toezegging die zozeer in strijd is met de wet dat daar redelijkerwijs niet op gerekend mag worden?
NTFR2020/1133 op de thans te beoordelen uitspraak achtte hij het volstrekt duidelijk dat verrekening van het litigieuze verlies in strijd komt met doel en strekking van art. 5(4) BFE (zie 2.5 hierboven) en was voor hem de uitspraak van de Rechtbank naar doel en strekking dan ook ‘geen verrassing’. Dat suggereert dat hij het resultaat van tekstuele uitleg in casu evident ‘ongerijmd’ acht. Ik zou overigens, zoals betoogd, de strijd met de ratio van de wet niet zien bij art. 5(4) BFE, maar bij art. 20(4) (oud) Wet Vpb. De wetstechnische
foutzat weliswaar in art. 5(4) BFE, maar de wetsbepaling wier ratio werd gefrustreerd was het inmiddels afgeschafte art. 20(4) Wet Vpb.
BNB2016/30 achtte u onaanvaardbaar een uitleg die tot het ‘ongerijmde’ gevolg zou leiden ‘dat de ontbinding en vereffening van de enige dochtermaatschappij kan leiden tot een ruimere mogelijkheid om voorvoegingsverliezen te verrekenen dan de mogelijkheden die bestonden vóór de beëindiging van de fiscale eenheid.’ Wat meehielp, was dat de wettekst niet eenduidig was: weliswaar moest er een ‘ontvoegingstijdstip’ zijn (dat er in die zaak niet was omdat de enige dochter niet ontvoegd, maar geliquideerd was), maar dezelfde wetsbepaling had het óók over ‘beëindiging’ van de fiscale eenheid en een beëindiging deed zich wel degelijk voor. In ons geval biedt de wettekst de belanghebbende meer, nl. eenduidige steun. Ons geval is verder een inverse van HR
BNB2016/30 in die zin dat in HR
BNB2016/30 de enige dochter
ontvielaan de eenheid, die daarmee
ophieldte bestaan, terwijl in ons geval [C] BV juist
opgenomenwordt, waardoor de eenheid
ontstaat.
in de context van art. 20(4) Wet Vpbis immers (zie onderdeel 8) voorkomen dat voeging kan leiden tot een
kleineremogelijkheid tot verrekening van voorvoegingshoudsterverliezen dan vóór het ontstaan van de fiscale eenheid; niet om te voorkomen dat een ruimere mogelijkheid zou ontstaan. Art. 15ae(3) Wet Vpb heeft geen betekenis voor de vraag
waarmeeeen door haar werking ook na voeging verrekenbaar gebleven voorvoegingshoudsterverlies wordt verrekend. Dat art. 15ae(3) Wet Vpb
in de context van art. 20a Wet Vpbeen andere strekking heeft, maakt dat mijns inziens niet anders.
interactietussen drie wetsbepalingen, vergelijkbaar met de interactie tussen wetsbepalingen in de zaak HR
BNB2018/205 (aftrek niet-bestaand liquidatieverlies; zie 6.4 hierboven), waarin u de wet strikt naar haar tekst toepaste, overwegende dat
stand aloneactiviteitentoets had gemaakt en/of art. 5(4) BFE voor de toepassing van art. 15ae(3) Wet Vpb de winstgevende
activiteitenvan [C] BV aan de belanghebbende had toegerekend, zou er niets aan de hand geweest zijn.
BNB2016/30) eenduidige teksten in casu minder ongerijmd dan wetgever-plaatsvervangend optreden door de rechter in afwijking van die eenduidige wetteksten om de door de wetgever wellicht gewenste, maar door hem niet ter hand genomen rationele afstemming tussen de drie betrokken wetsbepalingen alsnog te bewerkstelligen.
Bosalop BEPS-terrein kennelijk onvoldoende onderlegde HvJ EU, [60] maar daar hebben belastingplichtigen geen boodschap aan;
11.Het vertrouwensberoep
BNB1980/218 [62] en HR
BNB2018/20 [63] volgt dat (goedkeurende) beleidsregels moeten worden uitgelegd zoals belastingplichtigen die naar de objectieve beschouwing van de rechter redelijkerwijze moeten hebben opgevat. Niet zozeer de bedoeling van de beleidsregelgever of de strekking van de regeling is beslissend, maar het vertrouwen dat een belastingplichtige, objectief bezien, aan de beleidsregel ontleent.