Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Uitgangspunten in cassatie
4.2 Ongewijzigd doorlopen vaste reiskostenvergoeding
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 23 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure die was aangespannen door de Gemeente [X1] tegen de Staatssecretaris van Financiën. De zaak betreft de afdracht van loonheffingen over reiskostenvergoedingen die zijn toegekend aan werknemers van de gemeente. De Gemeente [X1] had een beroep gedaan op goedkeuringen die waren verleend in het kader van de coronamaatregelen, specifiek het Besluit noodmaatregelen coronacrisis van 14 april 2020. Dit besluit stelde dat werkgevers gedurende de coronamaatregelen geen gevolgen hoefden te verbinden aan wijzigingen in het reispatroon van werknemers met betrekking tot vaste reiskostenvergoedingen. De Hoge Raad oordeelde dat deze goedkeuring alleen van toepassing was op reiskostenvergoedingen die vóór 13 maart 2020 waren toegekend. De Gemeente [X1] had na deze datum reiskostenvergoedingen toegekend zonder dat de werknemers hiervoor een keuze hadden gemaakt in het digitale personeelssysteem. Het Hof had eerder geoordeeld dat de Gemeente [X1] geen gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen aan de goedkeuringen, omdat de goedkeuringen niet van toepassing waren op vergoedingen die na 12 maart 2020 waren toegekend. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond.