ECLI:NL:HR:2026:82
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Cassatie van de Gemeente tegen de Staatssecretaris van Financiën inzake loonheffingen over juni 2021
In deze zaak heeft de Gemeente [X2] (hierna: belanghebbende) beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 23 april 2024, nr. 23/485. Dit hoger beroep volgde op een eerdere uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 22/3779) betreffende het door belanghebbende afgedragen bedrag aan loonheffingen over het tijdvak juni 2021. De Gemeente was vertegenwoordigd door M.J. van Ginhoven en R. Bosma, terwijl de Staatssecretaris van Financiën, vertegenwoordigd door [P], een verweerschrift indiende. De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 14 maart 2025 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld en geconcludeerd dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad heeft geen verdere motivering gegeven, aangezien het niet nodig was om vragen te beantwoorden die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht, zoals vermeld in artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie. De Hoge Raad heeft ook geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uiteindelijk heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie ongegrond verklaard. Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, M.T. Boerlage, A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en is in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2026.