ECLI:NL:HR:2026:82

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
24/02365
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond in loonheffingenzaak gemeente

De gemeente X2 heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 23 april 2024, waarin het hoger beroep van de gemeente tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland over het door de gemeente afgedragen bedrag aan loonheffingen over juni 2021 werd behandeld.

De Hoge Raad heeft de klachten van de gemeente beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van het hof. De Hoge Raad heeft daarbij geen motivering gegeven omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.

De Advocaat-Generaal had eerder geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep, maar de Hoge Raad volgde dit niet. Er is geen veroordeling in proceskosten opgelegd. Het arrest is op 23 januari 2026 in het openbaar gewezen door de genoemde raadsheren onder voorzitterschap van de vice-president.

Uitkomst: Het beroep in cassatie van de gemeente wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van het hof bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/02365
Datum23 januari 2026
ARREST
in de zaak van
GEMEENTE [X2] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 23 april 2024, nr. 23/485 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 22/3779) betreffende het door belanghebbende afgedragen bedrag aan loonheffingen over het tijdvak juni 2021.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.J. van Ginhoven en R. Bosma, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 14 maart 2025 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie. [2]

2.Beoordeling van de middelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). [3]

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, M.T. Boerlage, A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2026.