Conclusie
1.Overzicht
Inleiding
wiemoet beoordelen of een ingreep een therapeutisch doel heeft en of de
motieven van de patiënt [1] om de behandeling te ondergaan bij de beoordeling een rol spelen.
PFC Clinic [3] van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof van Justitie). Het Hof had doorslaggevend belang moeten hechten aan de beoordeling door de behandelend arts, die bij alle diensten het therapeutische doel heeft vastgesteld op de grond dat een besnijdenis altijd een preventief karakter heeft (
middelonderdeel I). Ook voert het middel aan dat het Hof miskent dat een therapeutisch doel aanwezig is als tijdens het uitvoeren van de behandeling blijkt dat de ingreep ook vanuit medisch oogpunt zou zijn geïndiceerd (
middelonderdeel II). Verder voert het middel aan dat het Hof miskent dat de inspecteur en de rechter zich moeten beperken tot een marginale toetsing. Onder verwijzing naar een beleidsbesluit uit 2008 [4] betoogt het dat de mogelijkheid tot heffing van omzetbelasting over te gaan is beperkt tot evidente gevallen. Het Hof gaat ten onrechte op de stoel van de medisch specialist zitten door zelf een oordeel te geven over het doel dat met de onderhavige ingrepen is beoogd (
middelonderdeel III). Ook is belanghebbende het niet eens met de ‘schatting’ dat in 5 procent van de gevallen sprake is van behandelingen met een therapeutisch doel (
middelonderdeel IV).
ander doelwordt verricht dan de bescherming, met inbegrip van de instandhouding of het herstel, van de gezondheid (bijvoorbeeld omdat deze wordt verricht met een zuiver cosmetisch doel), dan kan deze niet delen in de medische vrijstelling. De rechter kan dit oordeel zelf vellen, omdat deze beoordeling geen medische kennis vereist.
Middelonderdeel IItreft daarom evenmin doel.
middelonderdeel IIIbeschoren. Ik kom in onderdeel 5 van de conclusie tot de slotsom dat het beroep op het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 28 februari 2008 [5] belanghebbende niet kan baten.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
3.Het geding in cassatie
4.De beoordeling van het doel van de medische verrichting
Het wettelijk kader van de medische vrijstelling
in sepreventief als daarmee een ziekte, een letsel of een gezondheidsprobleem wordt afgewend, tegengegaan of voorkomen of waarmee een latent of in de kiem aanwezige ziekte wordt opgespoord. [21] Niet elke dienst in het kader van de uitoefening van een medisch of een paramedisch beroep die tot gevolg heeft dat bepaalde ziekten worden voorkomen, kan echter onder de medische vrijstelling van art. 132(1)c Btw-richtlijn vallen. Er moet een concreet risico van aantasting van de gezondheid bestaan. [22] Alleen dan heeft een preventieve behandeling een therapeutisch doel. Zo kunnen bijvoorbeeld voedingsbegeleidingsdiensten en (het gelegenheid geven tot) sportbeoefening bijdragen aan de preventie van bepaalde ziekten, en aldus een gezondheidsgerelateerd doel nastreven, maar zij hebben niet (noodzakelijkwijs) een therapeutisch doel. [23]
D. [24] oordeelt het Hof van Justitie dat het vaststellen van biologische verwantschap door middel van biologische analysen niet een therapeutisch doel dient. Hetzelfde oordeel velt het Hof van Justitie ter zake van het opstellen van een medisch deskundigenrapport over de gezondheidstoestand van een persoon, ter bepaling of een verzoek om invaliditeitsuitkering gegrond is of niet. Als het
voornaamstedoel van de dienst niet is – kortweg – de bescherming van de gezondheid, dan kan de dienst niet van btw worden vrijgesteld, zo overweegt het Hof van Justitie in punt 43 van
Unterpertinger [25] (cursivering CE):
, maar het voornaamste doel van die dienst is niet de bescherming, met inbegrip van instandhouding of herstel, van de gezondheid van de onderzochte persoon. Deze dienst, die tot doel heeft een antwoord te geven op de in het expertiseverzoek gestelde vragen, wordt verricht om een derde in staat te stellen een beslissing te nemen die rechtsgevolgen zal hebben voor de betrokkene of voor anderen. Weliswaar kan om een medisch deskundigenrapport ook worden gevraagd door de betrokkene zelf en kan dit rapport indirect bijdragen tot de bescherming van zijn gezondheid, doordat een nieuw probleem wordt ontdekt of een eerdere diagnose bijgesteld, maar het voornaamste doel van elke verrichting van dit type is toch het voldoen aan een bij wet of overeenkomst gestelde voorwaarde in het besluitvormingsproces van anderen. Voor een dergelijke dienst kan de vrijstelling […] dus niet gelden.”
d’Ambrumenil en Dispute Resolution Services [26] .De verwijzende nationale rechter legt in die zaak een veelheid aan activiteiten verricht door een medisch beroepsbeoefenaar aan het Hof van Justitie voor, ter beoordeling of de medische vrijstelling al dan niet van toepassing is. De overwegingen van het Hof van Justitie in dit arrest laten zien dat die beoordeling hoogst casuïstisch is. Het stramien voor de beoordeling volgt uit de punten 60 e.v., die ik hierna citeer. Voor de lezer die het citaat wil overslaan, merk ik kortheidshalve op dat uit de overwegingen onder meer naar voren komt dat de
contextwaarin de dienst wordt verricht in aanmerking moet worden genomen om vast te stellen wat het voornaamste doel is van de medische dienst:
PFC Clinic. [27] PFC Clinic biedt een grote verscheidenheid aan cosmetische en reconstructieve behandelingen aan. Het gaat enerzijds om ingrepen die strekken tot behandeling van patiënten die door ziekte, letsel of aangeboren afwijkingen esthetische chirurgie behoeven en anderzijds om ingrepen die vooral beantwoorden aan de wens van de patiënt om het uiterlijk te wijzigen of verfraaien. Los van het doel, vormen de diensten vanuit medisch oogpunt gelijksoortige diensten. Beide categorieën ingrepen vereisen immers de medische bekwaamheden van de chirurg. Toch zijn ze niet gelijksoortig voor de heffing van btw, zo volgt uit dit arrest.
PFC Clinicwordt voorts herhaald dat voor de beoordeling of een medische verrichting vrijgesteld of belast is, het doel van de verrichting bepalend is. [28] Volgens het Hof van Justitie moet onderscheid worden gemaakt tussen esthetische ingrepen die tot doel hebben een gezondheidsprobleem te behandelen en esthetische ingrepen die worden verricht met een zuiver cosmetisch doel. De eerste categorie kan onder de medische vrijstelling vallen, de tweede niet:
PFC Clinical te gemakkelijk over een aantal praktische uitdagingen heenstapt, onder meer waar het de beoordeling door de medisch beroepsbeoefenaar betreft. Zij schrijft in een annotatie bij dit arrest onder meer: [31]
contextwaarin de dienst wordt verricht in aanmerking moet worden genomen. Uit de voorbeelden die in de rechtspraak van het Hof van Justitie aan de orde zijn geweest, in het bijzonder in
Unterpertinger [33] en
d’Ambrumenil en Dispute Resolution Services [34] , [35] kan worden afgeleid dat de in aanmerking te nemen context mede wordt bepaald door de motieven die de opdrachtgever van de dienst heeft. Zo maak ik uit de in
d’Ambrumenil en Dispute Resolution Servicesbeschreven voorbeelden (zie het citaat in 4.12) op dat een onderzoek met als doel de beslechting van een financieel of administratief vraagstuk (bijvoorbeeld de toekenning van oorlogspensioen, schaderaming, toetsing van haalbaarheid van een vordering in rechte) niet een therapeutisch doel dient. Natuurlijk is het mogelijk dat uit zo’n onderzoek informatie naar voren komt die kan bijdragen aan de bescherming, met inbegrip van instandhouding of herstel, van de gezondheid van de persoon die wordt onderzocht, maar het onderzoek is niet met dat doel aangevangen.
PFC Clinicleunt, lijkt mij met name op dit vlak van belang, omdat de verificatie van de beweegredenen van de patiënt die kennis en ervaring vereist.
PFC Clinic.Het Hof van Justitie oordeelt in dat arrest weliswaar dat de louter subjectieve opvatting van degene die de ingreep ondergaat niet
beslissendis, maar dat betekent niet dat het doel of de beweegredenen van de patiënt om de behandeling te ondergaan niet
relevantzijn voor de beoordeling die de (para)medicus moet uitvoeren. De feitelijke context moet in aanmerking worden genomen, en die context wordt mede bepaald door de beweegredenen van de patiënt. Dat volgt naar mijn inzicht voldoende duidelijk en buiten redelijke twijfel uit de hiervoor besproken jurisprudentie van het Hof van Justitie (4.25).
contextwaarin de dienst wordt verricht in aanmerking worden genomen (4.12, 4.25). Daarbij kunnen (ook) de beweegredenen van degene die de ingreep ondergaat, dan wel van degene die de opdracht geeft tot de ingreep, een rol spelen (4.25-4.28).
nietis de bescherming van de gezondheid, bijvoorbeeld bij een ingreep die puur om redenen van cosmetische aard plaatsvindt, dan kan die handeling niet delen in de medische vrijstelling. De rechter kan dit oordeel zelf vellen, omdat de beoordeling geen medische kennis vereist.
Middelonderdeel IIfaalt daarom ook.
5.Marginale toetsing en heffing in evidente gevallen
2.1.1. Gezondheidskundige verzorging van de mens door beroepsbeoefenaren met een BIG-opleiding en psychologen
Alleen in deze evidente gevallen is omzetbelasting verschuldigd.
Daarbij kan het alleen gaan om een marginale toetsing door de inspecteur aangezien hem een inhoudelijk oordeel op medisch vlak niet toekomt.De (para)medicus die aanspraak maakt op toepassing van de medische vrijstelling moet evenals tot dusverre een administratie voeren waarin op duidelijke en overzichtelijke wijze de gegevens voor de toepassing daarvan zijn vastgelegd (zie artikel 6 van Pro het uitvoeringsbesluit). De belaste en vrijgestelde prestaties zullen derhalve apart moeten worden vastgelegd in de administratie.”
altijdeen preventief karakter heeft. Die stelling had het Hof eenvoudig kunnen afdoen op de gronden als vermeld in 4.10, 4.12 en 4.13. Het had zijn vingers niet hoeven branden aan beschouwingen over medische literatuur.
voornaamstedoel van de handeling therapeutisch moet zijn. Ook is in die passages opgenomen dat onder ‘therapeutisch doel’ wordt verstaan: de bescherming, met inbegrip van instandhouding of herstel, van de gezondheid van de mens. Het besluit verwijst in dat kader naar de arresten
d’Ambrumenil en Dispute Resolution Servicesen
Unterpertinger,waaruit onder meer volgt dat de context van de desbetreffende medische handeling in aanmerking moet worden genomen om vast te stellen wat het voornaamste doel van de handeling is. Ook de in het besluit genoemde voorbeelden, die stroken met de lijn die het Hof van Justitie heeft uitgezet in de voornoemde arresten, onderstrepen dat voor toepassing van de vrijstelling van omzetbelasting het voornaamste doel van een medische handeling therapeutisch moet zijn. Verder gaat de uitleg eraan voorbij dat de tekst die volgt op de zin over de evidente gevallen verduidelijkt wat een evident geval is: het geval dat de belastingplichtige niet naar redelijkheid de aanwezigheid van het therapeutische doel aannemelijk maakt. [52]
uitsluitendverfraaiing van het uiterlijk als doel of, iets ruimer, medische handelingen met uitsluitend een niet-therapeutisch doel niet onder de vrijstelling kunnen vallen, kan naar objectieve beschouwing in redelijkheid niet uit de beleidsregel worden afgeleid. [54]
6.Vastleggingen in de administratie
Dit betekent dat de vastlegging van deze beoordeling door deze beroepsbeoefenaar heel eenvoudig, bijvoorbeeld door vermelding op de uitgereikte factuur kan plaatsvinden. De Belastingdienst vraagt geen inzage in het patiëntendossier. Op deze wijze is het voor de desbetreffende beroepsbeoefenaren dus goed mogelijk de wettelijke regels uit te voeren.”
Middelonderdeel IVfaalt ook.