Conclusie
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
Companies Registry.
fishing expeditionniet aan de orde is, nu de Inspecteur opheldering wenst te verkrijgen over de vraag of belanghebbende mogelijk subjectief belastingplichtig is in Nederland. Vervolgens heeft de Rechtbank per vraag beoordeeld of deze terecht in de informatiebeschikkingen is opgenomen. De Rechtbank overwoog dat de vragen opgenomen in de informatiebeschikkingen door de Inspecteur mochten worden gesteld, op vraag 23 en 25 na. Die vragen zijn namelijk – in tegenstelling tot de andere vragen – wel adequaat beantwoord. Ook heeft de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat die twee vragen (opzettelijk) onjuist zijn beantwoord. De informatiebeschikkingen zijn ten onrechte gegeven voor zover zij zien op deze twee vragen; voor het overige heeft belanghebbende ten onrechte niet aan de informatieverzoeken van de Inspecteur voldaan.
fishing expeditionis niet aan de orde. De gestelde vragen zijn niet adequaat beantwoord en de verzochte informatie is niet verstrekt.
criminal chargeaan de orde is. Een informatiebeschikking vormt geen maatregel waarmee de verstrekking van informatie wordt afgedwongen, wat niet anders wordt door het gegeven dat zij gepaard kan gaan met omkering en verzwaring van de bewijslast. Belanghebbende kan dus niet met een beroep op artikel 6 EVRM Pro of enig ander voorschrift weigeren de gevraagde inlichtingen te verstrekken. Ook heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de Inspecteur zijn bevoegdheden heeft ingezet met een ander doel dan de beoordeling van de belastingplicht van belanghebbende (geen
détournement de pouvoir). Ook is er geen ongerechtvaardigde inbreuk gemaakt op art. 8 EVRM Pro. Het opvragen van de gegevens was voorts proportioneel in de gegeven omstandigheden.
3.Het geding in cassatie
eerste middelhoudt in dat de Rechtbank en het Hof volgens belanghebbende hebben verzuimd ambtshalve een onderzoek te doen naar de rechtsmacht van het Hof.
tweede middelziet op het oordeel van het Hof over de territoriale begrenzing van art. 47 en Pro 52a AWR (geschilpunt c). Belanghebbende stelt dat de bevoegdheidsuitoefening door de Inspecteur het territorialiteitsbeginsel schendt. Ook stelt belanghebbende dat het oordeel van het Hof dat de abbb niet zijn geschonden onbegrijpelijk is (geschilpunt e).
derde middelkomt op tegen het oordeel van het Hof over geschilpunt a en b. Belanghebbende meent wel belang te hebben bij het beroep tegen de informatiebeschikkingen 2008, 2009, 2011 en 2012.
vierde middelbestrijdt het oordeel van het Hof omtrent geschilpunt f, inhoudende dat de informatiebeschikkingen niet zijn opgelegd in strijd met art. 8 EVRM Pro, de artt. 5, 9 en 17 van het IVBPR en het nemo-tenetur-beginsel of enig ander internationaal voorschrift.
vijfde middelkomt op tegen het oordeel van het Hof dat de informatiebeschikkingen niet in strijd met de TIEA zijn gegeven (geschilpunt g). Belanghebbende meent dat de informatiebeschikkingen wel in strijd met de TIEA en goede verdragstrouw zijn.
zesde middelstelt belanghebbende dat de Inspecteur onvoldoende heeft gespecificeerd voor het Hof welke gegevens nog moeten worden aangeleverd.
4.Mogelijkheden tot informatievergaring door de inspecteur in relatie tot Jersey
ieder(waar ook woonachtig) informatie op te vragen die voor de belastingheffing van die persoon van belang kan zijn:
The competent authority of the requesting party shall only make a request for information pursuant to this Article when it is unable to obtain the requested information by other means, except where recourse to such means would give rise to disproportionate difficulty.
foreseeably relevant’ is bedoeld om enerzijds informatieuitwisseling in de breedst mogelijke zin te regelen en anderzijds om
fishing expedtionste voorkomen. Het element ‘
foreseeably’ is bedoeld om te voorkomen dat informatieverzoeken worden afgewezen in gevallen waarin de relevantie van de informatie pas kan komen vast te staan nadat die informatie is ontvangen: [27]
jurisdictional scopevan het verdrag tot uitdrukking gebracht. In de TIEA is die bepaling gevoegd in de tweede volzin van art. 1 TIEA Pro (“
A requested party is not obliged to provide information which is neither held by its authorities nor in the possession of or obtainable by persons who are within its territorial jurisdiction.”). [28] In de OESO-toelichting staat vermeld dat hiermee is bedoeld te verduidelijken dat een verdragsstaat niet verplicht is informatie te verstrekken waar die staat niet zelf toegang toe heeft en waar personen in de territoriale jurisdictie van die staat ook geen toegang tot hebben. De informatieuitwisselingsverplichting wordt echter niet beperkt door de woonplaats of nationaliteit van de persoon op wie de informatie ziet: [29]
Doel van het uitputtingsbeginsel is uiteraard niet het beperken van gegevensuitwisseling, maar wel het vermijden dat de ene belastingadministratie onnodig verzoeken doet en dus extra werk creëert voor de andere belastingadministratie.”
fishing expeditionste voorkomen. De subonderdelen a tot en met g van art. 5(5) OESO-Modelverdrag moeten echter “
liberally” worden geïnterpreteerd om te voorkomen dat de effectiviteit van de informatieuitwisseling niet wordt gefrustreerd. Subonderdeel g (waar het uitputtingsbeginsel in staat verwoord) kan worden verklaard door het feit dat een informatieverzoek een extra last kan meebrengen voor de administratie van de partij die de informatie moet verstrekken. Bij toepassing van het uitputtingsbeginsel speelt volgens de OESO de proportionaliteit van het verzoek een rol. Dat houdt in dat het makkelijker moet zijn voor de verzochte partij om de informatie te verkrijgen dan voor de verzoekende partij (vetgedrukt RJK): [32]
interpreted liberallyin order not to frustrate effective exchange of information.
is explained by the fact that, depending on the tax system of the requested Party,
a request for information may place an extra burden on the administrative machinery of the requested Party. Therefore, a request should only be contemplated if an applicant Party has no convenient means to obtain the information available within its own jurisdiction. In as far as other means are still available in the applicant Party, the statement prescribed in sub-paragraph g) should explain that these would give rise to disproportionate difficulties.
In this last case an element of proportionality plays a role. It should be easier for the requested Party to obtain the information sought after, than for the applicant Party.For example, obtaining information from one supplier in the requested Party may lead to the same information as seeking information from a large number of buyers in the applicant Party.”
naar verwachting van belang zijn voor de heffingvan belastingen die vallen onder de reikwijdte van de wederzijdse bijstand, bedoeld in artikel 1.
redelijke mogelijkheidbestaat dat de verzochte inlichtingen
van belang zullen zijn voor de belastingaangelegenheden van een of meerdere belastingplichtigen, bij naam geïdentificeerd of anderszins, en
het verzoek gerechtvaardigd is voor de doeleinden van het onderzoek.
5.Een rangorde tussen art. 47 AWR Pro en een informatieuitwisselingsverdrag?
sensu stricto’. [40]
sensu stricto) voegt daar naar mijn indruk in juridische zin niets toe. Het strekt er eerder toe voor fiscale doeleinden het volkenrechtelijke territorialiteitsbeginsel onder te verdelen in een subjectieve territorialiteit (de belasting van eigen inwoners over hun wereldinkomen) en een objectieve territorialiteit (het heffen over binnenlandse bronnen van niet binnenlands belastingplichtigen). De juridische grondslag en gelding van het (beperkte, objectieve) fiscale territorialiteitsbeginsel is daarom niet sterker of anders dan het (algemene, subjectieve en objectieve) volkenrechtelijke territorialiteitsbeginsel.
legislative jurisdictionen
enforcement jurisdiction. [48] Deze zaak heeft uitsluitend betrekking op eerstgenoemde soort jurisdictie.
explanatory memorandumbij het richtlijnvoorstel is daarover opgemerkt dat “the purpose (…) is to grant the competent authority of the requested State the option of refusing to comply with the request if that authority considers that the circumstances are as described in that sentence”. [53] Uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 13 (oud) WIB volgt dat met art. 13(1)(onderdeel e) (oud) WIB, waar het uitputtingsbeginsel in stond verwoord, is aangesloten bij de Richtlijn 77/799/EEG en dat een vergelijkbare bepaling ook voorkomt in het OESO-Modelverdrag en de meeste door Nederland gesloten verdragen ter voorkoming van dubbele belasting. Ook is opgemerkt dat niet is beoogd een beperking aan te brengen ten opzichte van de Richtlijn 77/799/EEG. [54] In art. 17(1) Richtlijn 2011/16/EU, [55] die Richtlijn 77/799/EEG verving, is het uitputtingsbeginsel ook opgenomen.
derogationis op de hoofdregel dat informatie moet worden uitgewisseld betreft – strikt moeten worden uitgelegd en dat de lidstaten op grond van de goede trouw gehouden zijn de uit de richtlijn voortvloeiende informatieuitwisseling daadwerkelijk uit te voeren: [56]
Établissements RimbaudCase [57] the court held that the predecessor of Art. 17 in Pro the old Directive only provided for exceptions to the exchange of information by way of derogation. It thus has to be narrowly construed and, by virtue of the principle of sincere cooperation (now Art. 4(3) TEU), the Member States are required to engage fully in the exchange of information provided for under the Directive. I agree with AG Kokott in her opinion in the
Bean HouseCase [58] that this case law also applies to the current Directive.”
Berlioz [59] gaat Van Eijsden in op de vraag of een justitiabele een beroep kan doen op het uitputtingsbeginsel. [60] In
Berliozoverwoog het HvJ EU namelijk dat sommige van de weigeringsgronden genoemd in art. 17 Richtlijn Pro 2011/16/EU “in aanmerking zouden kunnen worden genomen om te bepalen of het aan de justitiabele gerichte inlichtingenverzoek wettig is” (ovw. 88). Hij meent dat de weigeringsgronden van art. 17 Richtlijn Pro 2011/16/EU voorwerp van rechterlijke toetsing kunnen zijn, en dit acht hij een wenselijke conclusie uit het oogpunt van rechtsbescherming. Degene op wie het onderzoek betrekking heeft, heeft er volgens hem belang bij dat effectief aan deze weigeringsgronden wordt getoetst. Hier voegt hij aan toe:
verplichtis te toetsen of aan het uitputtingsbeginsel is voldaan door het andere land, maar mag vertrouwen op een daartoe strekkende mededeling van de andere staat, en b) het
aan de justitiabele isom te stellen en aannemelijk te maken dat aan het uitputtingsbeginsel niet is voldaan. In de uitspraak van 20 april 2016 heeft de ABRvS die lijn bevestigd. [66] De Amsterdamse rechtbank lijkt de lat iets lager te hebben gelegd. Zij overwoog namelijk dat de “belanghebbende in voorkomend geval aannemelijk [dient] te maken dat aan het voldaan zijn van deze voorwaarde op zijn minst valt te twijfelen”. [67]
moetbewandelen”, neigt echter naar de opvatting dat schending van het uitputtingsbeginsel
secna een daarop gedaan beroep door een justitiabele ertoe kan leiden dat het informatieverzoek van tafel moet. Die opvatting lijkt te worden gedeeld door de ABRvS en verschillende bestuurs-, civiele en fiscale feitenrechters (zie 5.16, 5.18 en 5.19).
6.Beoordeling van het cassatieberoep
eerste middelhoudt in dat de Rechtbank en het Hof hebben verzuimd ambtshalve een onderzoek te doen naar hun rechtsmacht. Belanghebbende stelt dat Nederlandse rechters onbevoegd zijn “rechtstreeks bevelen op te leggen binnen de Jersey rechtsorde”. Belanghebbende wijst er in dit verband op dat tussen Jersey en Nederland geen verdrag bestaat ter erkenning en tenuitvoerlegging van executoriale titels of vonnissen in verband met belastingzaken, en dat Jersey geen lid is van de EU.
tweede middelziet op het oordeel van het Hof over de territoriale begrenzing van artt. 47 en 52a AWR (geschilpunt c). Belanghebbende stelt, als ik het goed begrijp, dat de bevoegdheidsuitoefening door de Inspecteur het territorialiteitsbeginsel schendt en dat het Hof die bevoegdheidsuitoefening had moeten toetsen aan de TIEA. Belanghebbende meent (kennelijk) dat de Inspecteur (eerst) de TIEA had moeten benutten om de gevraagde informatie te verkrijgen. Verder stelt belanghebbende dat de AWR niet rechtstreeks verbindend kan zijn in de rechtsorde van Jersey; Jersey zou exclusief soeverein zijn. Ook stelt belanghebbende in het middel dat het oordeel van het Hof dat de abbb niet zijn geschonden, onbegrijpelijk is (geschilpunt e).
bij het opleggen van een belastingaanslag wegens het genieten van Nederlandse belastingobjectenop zich zelf helemaal niets van doen heeft met Jersey, maar zijn eigen rechtsmacht uitoefent, en dus ook geen ‘inbreuk’ maakt op de jurisdictie van Jersey. Nederland zou – bijvoorbeeld – pas met Jersey te maken krijgen als de Nederlandse ontvanger zich zou willen verhalen op eigendommen van belanghebbende die zich op Jersey bevinden.
Banković. [77] De zaak die leidde tot dat arrest ging over een raket die door een vliegtuig van de ‘
NATO forces’ was afgevuurd op een gebouw in Belgrado. De Europese NAVO-landen werden aangeklaagd door familieleden van mensen daardoor waren omgekomen. De vraag was of de slachtoffers zich bevonden ‘
within the jurisdiction’ van die NAVO-landen. Bij een bevestigend antwoord op die vraag zouden deze NAVO-landen op grond van art. 1 EVRM Pro verplicht zijn geweest de in het EVRM neergelegde ‘
rights and freedoms’ van de slachtoffers te garanderen. Het EHRM oordeelde echter dat dit niet het geval was. De slachtoffers waren niet binnen de jurisdictie van de NAVO-landen gekomen ‘
on account of the extra-territorial act in question’. Belanghebbende is echter binnen de jurisdictie van Nederland gebleven omdat hij ofwel inwoner van Nederland is gebleven ofwel buitenlands belastingplichtige is geworden ten aanzien van zijn Nederlandse inkomensbronnen (waaronder de woning in Nederland).
derde middelkomt op tegen het oordeel van het Hof omtrent de geschilpunten a en b. Belanghebbende meent wel belang te hebben bij het beroep tegen de informatiebeschikkingen 2008, 2009, 2011 en 2012, waarbij belanghebbende ten dele teruggrijpt naar de klachten over schending van het territorialiteitsbeginsel aangevoerd bij middel 2. Verder stelt belanghebbende dat het Hof acht had moeten slaan op het gegeven dat vergrijpboetes zijn opgelegd bij de navorderingsaanslagen.
vierde middelbestrijdt het oordeel van het Hof omtrent geschilpunt f, inhoudende dat de informatiebeschikkingen niet zijn opgelegd in strijd met art. 8 EVRM Pro, de artt. 5, 9 en 17 van het IVBPR en het nemo-tenetur-beginsel of enig ander internationaal voorschrift.
vijfde middelkomt op tegen het oordeel van het Hof dat de informatiebeschikkingen niet in strijd met de TIEA zijn gegeven (geschilpunt g). Belanghebbende meent dat de informatiebeschikkingen wel in strijd met de TIEA en goede verdragstrouw zijn. Het Hof heeft de rechtsbeschermingswaarborgen opgelegd aan de verdragspartijen in art. 1 TIEA Pro niet in overweging genomen dan wel daar voorrang aan verleend, aldus belanghebbende.
zesde middelklaagt belanghebbende over het gedrag van de Inspecteur en mogelijk ook dat van de landsadvocaat. Belanghebbende stelt dat de Inspecteur onvoldoende heeft gespecificeerd voor het Hof welke gegevens nog moeten worden aangeleverd. Na sommatie daartoe door de landsadvocaat heeft belanghebbende naar eigen zeggen gegevens aangeleverd. De landsadvocaat heeft in reactie daarop aangegeven welke gegevens nog zouden ontbreken. De Inspecteur heeft volgens belanghebbende het Hof hierover niet ingelicht en ook niet toegelicht welke gegevens nog zouden ontbreken.