Conclusie
advocaat: mr. T. van Malssen
verweerder in cassatie,
advocaat: mr. J.W.H. van Wijk
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
Belang en spoedeisendheid?
3.Bespreking van het cassatiemiddel
in redelijkheid kan menendat de gevraagde gegevens voor de belastingheffing van belang
kunnenzijn. De Hoge Raad heeft dit als volgt omschreven:
Voor de positie van [belastingplichtige] is voorts van belang dat hij de gestelde onmogelijkheid om aan het bevel te voldoen (opnieuw) aan de orde kan stellen door op de voet van art. 611d Rv opheffing van de dwangsom te vorderen, en dat hij in een eventueel executiegeschil kan aanvoeren dat hij aan het bevel heeft voldaan. Daarbij verdient opmerking dat in een executiegeschil op de Staat de stelplicht en bewijslast rusten dat dwangsommen zijn verbeurd; zie HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3640, NJ 2013/435, rov. 3.9 onder b. Ook voor het overige zijn er dus waarborgen dat de dwangsommen in dit concrete geval niet zullen neerkomen op een punitieve sanctie.”
eerste rechtsklachtvan onderdeel IA houdt in dat het hof in rov. 7.2 heeft miskend dat het had moeten nagaan of de in dit geval door de Belastingdienst verlangde informatie aan de vereisten voldoet dat deze bestaat en dat de belastingplichtige daarover beschikt dan wel redelijkerwijs kan beschikken. Op geen van beide eisen is het hof ingegaan, aldus de klacht. Met betrekking tot de tweede eis heeft het hof bovendien ten onrechte aan het slot van rov. 7.2 overwogen dat die pas aan de orde komt nadat [eisers] de informatie naar hun beste kunnen hebben verstrekt.
ookinformatie vraagt die [eisers] onmogelijk kunnen verstrekken” (onderstreping toegevoegd). Uit deze overweging volgt dat het hof ervan is uitgegaan dat [eisers] in elk geval goeddeels over de gevraagde informatie kunnen beschikken. In het licht van het voorgaande is ook deze vaststelling – die eveneens berust op het partijdebat en van feitelijk aard is en dus in cassatie alleen op begrijpelijkheid kan worden onderzocht – evenmin onbegrijpelijk.
tweede rechtsklachtvan onderdeel IA voert aan dat voor zover het hof in rov. 7.7 (en in de laatste volzin van rov. 7.2) heeft bedoeld tot uitdrukking te brengen dat in een executiegeschil in meer algemene zin kan worden beoordeeld of [eisers] aan de redelijkerwijs door hen op grond van art. 47 AWR Pro te leveren inspanningen hebben voldaan, dit getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens de klacht moet namelijk onderscheid worden gemaakt tussen de vooraf te beoordelen vraag of de belastingplichtige, indien hij de redelijkerwijs van hem te verwachten inspanningen levert, over de gevorderde gegevens zal kunnen beschikken en de achteraf te beantwoorden vraag of de belastingplichtige alle redelijkerwijs van hem te verwachten inspanningen heeft verricht. Volgens de klacht zou het hof de tweede vraag hebben beantwoord en de eerste vraag niet, anders dan het had moeten doen.
subsidiaire motiveringsklachtvan onderdeel IA houdt in dat het kennelijke oordeel van het hof dat de gevorderde gegevens bestaan en dat [eisers] daarover (redelijkerwijs kunnen) beschikken – in het licht van het partijdebat – onbegrijpelijk is. De klacht verwijst hierbij naar stellingen van [eisers] in hun spoedappeldagvaarding en de pleitnota in hoger beroep van hun advocate.