Conclusie
Nummer22/04148
Inleiding
Het eerste en het tweede middel
1. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 9 augustus 2016 in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , doorgenummerde pagina’s 020-021.
[betrokkene 1]:
[betrokkene 1]:
.elk van de misdrijven omschreven in de artikelen 92 tot en met 96, 108, tweede lid, 115, tweede lid, 117, tweede lid, 121, 122, 157, onderdeel 3°, 161quater, onderdeel 2°, 164, tweede lid, 166, onderdeel 3°, 168, onderdeel 2°, 170, onderdeel 3°, 174, tweede lid, en 289, alsmede in artikel 80, tweede lid, Kernenergiewet, indien het misdrijf is begaan met een terroristisch oogmerk;
NJ2020/215, m.nt. Rozemond. In dit arrest heeft de Hoge Raad een aantal algemene overwegingen geweid aan bedreiging met een terroristisch misdrijf:
(…)”
NJ2020/215. Hij zag de analogie met het arrest van 25 januari 2011 niet omdat “aan de telefonist [niet] wordt (…) gemeld dat er een terreuraanslag zal worden gepleegd om die telefonist de vrees aan te jagen dat zijn naasten iets heel ergs zal worden aangedaan met de bedoeling om een inbreuk te maken op de persoonlijke vrijheid van de telefonist”.