II.
Het eerste cassatiemiddel en de bespreking daarvan
Het middel
3. Het eerste middel is gericht tegen de bewezenverklaring van 1. poging tot moord (door met een vuurwapen meermalen schoten op het lichaam, althans in de richting van aangever [slachtoffer 1] af te vuren). Geklaagd wordt dat het opzet, mede in het licht van wat door de verdediging is aangevoerd, niet zonder meer kan volgen uit de bewijsvoering, zodat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed, en/of dat het hof heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het van een daarop betrekking hebbend uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging is afgeweken. De toelichting op het middel maakt daarbij nog een onderscheid tussen (i) het schot op het raam van een kebabzaak en (ii) het daaropvolgende schot in een steegje toen de verdachte achter de aangever aanrende (de achtervolging).
De bewezenverklaring en bewijsoverwegingen van het hof
4. Ten laste van de verdachte is onder 1 primair bewezenverklaard dat:
“hij op 10 juli 2021 te Arnhem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachte rade van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen meermalen, schoten op het lichaam, althans in de richting van die [slachtoffer 1] heeft afgevuurd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;”
5. Het hof heeft de bewezenverklaring op een zogenoemde promis-wijze als volgt gemotiveerd (hier weergegeven zonder de voetnoten):
“
Oordeel van het hof
Verdachte was op 10 juli 2021 in de kebabzaak aanwezig en sprak aangever [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]) aan. Hij wilde [slachtoffer 1] iets te drinken aanbieden. Toen [slachtoffer 1] dat aanbod afsloeg, ontstond er een woordenwisseling tussen hen waarbij verdachte beledigende woorden uitte richting [slachtoffer 1], onder meer over de moeder van [slachtoffer 1], waarna een handgemeen volgde. Verdachte kreeg (onder andere) meerdere vuistslagen en [slachtoffer 1] moest bij verdachte worden weggehaald.
Hierna, om 06:00:31 uur, verliet verdachte de kebabzaak, rende naar een taxi en stapte in. Verdachte was woedend en gekrenkt en wilde naar de locatie waar het vuurwapen lag. Verdachte heeft de taxichauffeur opdracht gegeven hem naar de Fagelstraat te brengen en maande hem dit “snel, snel, snel” te doen. In die straat stapte verdachte uit en zei dat de taxichauffeur moest wachten. Na een minuut kwam verdachte terug met een voorwerp aan de voorzijde van zijn broek en zei tegen de taxichauffeur dat hij hem snel terug moest brengen.
Om 06:12:16 uur kwam verdachte terug bij de kebabzaak.
Terug bij de kebabzaak wilde verdachte aan de zijde van het Nieuwe Plein naar binnen, maar de deur was inmiddels afgesloten. Verdachte had oogcontact met [slachtoffer 1], zette een stap naar achteren en loste een schot. [slachtoffer 1] zag verdachte en zag dat hij een vuurwapen in zijn hand had en zijn armen gestrekt had in zijn richting, waarna hij schoot.
[getuige 1] heeft verklaard dat na de ruzie in de kebabzaak de deur, waar later ook de sporen van de kogel in zaten, werd afgesloten. Hij zag dat de Marokkaan (hof: verdachte) een vuurwapen had, welke hij met twee handen vasthield en waarmee hij schoot in de richting van de Surinamer (hof: [slachtoffer 1]).
De voorzijde van het pand (ingang [kebabzaak]) was voorzien van een raampartij en een naar binnen draaiende deur. In het raam zat een beschadiging van de kogelinslag op circa 171,5 centimeter hoogte.
[getuige 2] heeft verklaard dat, op het moment dat er geschoten werd, [slachtoffer 1] gelijk vooraan rechts achter het raam vanaf de ingang van het Nieuweplein stond.
Uit deze bewijsmiddelen leidt het hof af dat verdachte gericht op [slachtoffer 1] heeft geschoten. De eerst in hoger beroep afgelegde verklaring dat hij langs [slachtoffer 1] (richting een cola-koelkast) richtte, volgt het hof dan ook niet.
Het schot had, gezien de richting en met name de hoogte van het schot, [slachtoffer 1] dodelijk kunnen treffen, als het door het glas was gekomen.
Ter terechtzitting in hoger beroep hof heeft verdachte verklaard dat hij ervan uitging dat de kogel “hoogstwaarschijnlijk” niet door het (dubbel)glas zou gaan. Het hof acht die verklaring eveneens niet aannemelijk. Verdachte had de ruit van de kebabzaak niet voor het schietincident bestudeerd, zodat hij niet kon weten dat er sprake was van dubbel glas. Of de kogel van dat kaliber al dan niet door een ruit met dubbelglas zou gaan, wist hij niet specifiek. Daar had hij geen onderzoek naar gedaan en hij was geen geoefend schutter, aldus verdachte.
Het hof merkt nog op dat de verdediging expliciet heeft aangegeven niet het verweer te voeren dat sprake was van een ondeugdelijke poging.
Na het lossen van het eerste schot verliet [slachtoffer 1] om 06:12:27 uur via de uitgang aan de Hoogstraat de kebabzaak. Om 06:12:31 uur was [slachtoffer 1] voornemens de Korte Hoogstraat in te rennen, maar, omdat vanuit die straat verdachte aan kwam rennen, besloot [slachtoffer 1] richting de Korenmarkt te rennen. Binnen die momenten schoot verdachte richting [slachtoffer 1]. Gezien dit zeer korte tijdsbestek moet verdachte (vrijwel) direct hebben geschoten op het moment dat hij [slachtoffer 1] in de Kort Hoogstraat zag.
De kogel belandde in de schoen van [getuige 3], die zeer dichtbij het rennende slachtoffer stond. Verdachte is achter [slachtoffer 1] aan gerend, waarbij hij het vuurwapen op [slachtoffer 1] gericht hield en waarbij hij het vuurwapen doorlaadde.
Uit voorgaande bewijsmiddelen blijkt dat verdachte, nadat hij zich gekrenkt voelde door en woedend was op [slachtoffer 1], een vuurwapen is gaan halen. Met dit wapen, dat bij uitstek geschikt kan zijn om een slachtoffer van het leven te beroven, heeft hij gericht geschoten op [slachtoffer 1] in de kebabzaak. Naar het oordeel van het hof zijn deze gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer op de dood van [slachtoffer 1] gericht dat daaruit het opzet op de dood kan worden afgeleid. Het handelen direct aansluitend aan dit eerste geloste schot, duidt op het volharden in dit opzet. Hij heeft immers [slachtoffer 1] weer opgezocht en direct op hem geschoten toen hij hem zag. Vervolgens is hij met het vuurwapen gericht naar [slachtoffer 1] achter hem aangerend, waarbij hij tevens het wapen door heeft geladen. Het hof volgt verdachte dan ook niet in zijn verklaring dat hij het tweede schot bewust laag zou hebben gericht.
Voor de bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachten raad’ acht het hof in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden redengevend.
Verdachte ging, nadat hij door [slachtoffer 1] was mishandeld, naar een woning om een vuurwapen te halen. Hij nam hiervoor een taxi en zorgde dat de taxichauffeur bleef wachten voor een snelle terugreis. Nadat de taxichauffeur zag dat verdachte met iets in zijn broeksband terugkwam in de taxi zei hij tegen verdachte: “als je ruzie hebt, dan eerst even rustig doen, eerst even een nachtje over slapen, eerst uitpraten”. Verdachte zei hierop: “als je geneukt bent, moet je voor je eer opkomen.” Tussen het moment dat verdachte de kebabzaak verliet en dat hij daar terugkwam zat ongeveer 12 minuten.
Het hof concludeert op grond van deze feiten en omstandigheden dat verdachte voorafgaand aan zijn handelen voldoende tijd heeft gehad zich te beraden op het genomen besluit. Uit de opmerking van verdachte tegen de taxichauffeur, dat hij voor zijn eer moest opkomen, leidt het hof af dat hij in die momenten ook daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling waarin verdachte zou hebben gehandeld is niet gebleken. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is dat, doordat verdachte was geslagen, bij hem een zodanig hevige gemoedsbeweging is veroorzaakt dat het voor hem niet meer mogelijk was om zich gedurende de genoemde ruime tijdspanne te bezinnen op zijn voorgenomen besluit.
Evenmin is gebleken van andere contra-indicaties die het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan.
Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en acht poging moord, door tweemaal op [slachtoffer 1] te schieten, bewezen.”
Het verweer van de verdediging
6. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft zich, blijkens het proces-verbaal van die zitting, onder meer het volgende voorgedaan:
“Verdachte verklaart, desgevraagd:
Ik ben in hoger beroep gekomen, omdat ik het niet eens ben met de veroordeling voor feit 1. Over de andere feiten hoeven we het niet te hebben. Ik kan leven met het vonnis wat die feiten betreft.
Verdachte verklaart, desgevraagd:
In de avond van 10 juli 2021 was ik in Arnhem uit geweest. Ik had eerst op die avond ruzie. Er was een woordenwisseling en ik heb toen een fles naar [slachtoffer 2] gegooid. Mijn vriend heeft me daar toen weggetrokken. Daarna zijn we naar de kebabzaak gegaan. De man met wie ik was, was in gesprek met een meisje. Dat meisje was samen met aangever ([slachtoffer 1]). Hij vond dat niet leuk. Ik probeerde een ruzie te voorkomen. Ik bood aangever een drankje aan om af te koelen. Hij reageerde agressief en ik schold hem uit. Daarop is een gevecht ontstaan. Ik heb toen van alles geroepen en heb ook zijn moeder uitgescholden. Het klopt dat dat niet in het Nederlands was. Daarop viel hij me aan en pakte me bij mijn nek. Ik werd toen op de bank gesmeten. Daarna kwam ik op de grond terecht en werd ik door meerdere personen op de grond in elkaar geschopt en geslagen. Ik had mijn handen voor mijn gezicht voor dekking. Ik ben ook nog even helemaal weg geweest. Toen stond ik op. De jongen met wie ik was ging naar buiten met de aangever.
Ik ben naar buiten gegaan naar een taxi. Ik voelde me woedend en ik was gekrenkt. Ik was echt boos. Toen ben ik met de taxi naar de locatie gegaan waar het vuurwapen lag. Het klopt dat dat in de buurt van mijn schoonmoeder was, maar meer wil ik daar niet over verklaren. Ik ging daarheen omdat daar in de buurt een vuurwapen lag.
De voorzitter vraagt verdachte:
In uw woning is ook een vuurwapen gevonden, waarom ging u niet naar uw woning?
Verdachte antwoordt:
Ik kan door toen niet terecht.
U vraagt of ik kon kiezen tussen verschillende wapens om mee te nemen. Nee, in het huis waar ik was, kon ik alleen dit wapen ophalen.
De taxi moest wachten tot ik terug was. Ik was wel boos, maar niet richting de taxichauffeur. Ik heb hem wel gevraagd te haasten, maar niet om de wet te overtreden. Het klopt dat ik vanuit de taxi gebeld had, maar ik wil niet zeggen met wie ik belde. Ik wil niet zeggen of diegene die ik belde in het huis was waar het wapen lag.
Het wapen lag niet in een aparte kluis. Het wapen en de munitie lagen bij elkaar.
Ik ben terug naar de taxi gegaan en we zijn toen terug naar de kebabzaak gereden. Ik heb toen de taxichauffeur betaald en ben uitgestapt.
Gedurende die momenten dacht ik dat ik aangever bang wilde maken. Ik wilde hem laten weten dat ik niet over me heen laat lopen. Arnhem is klein en ik loop daar rond met mijn vrouw en kind. Ik wilde dat hij wel twee keer nadacht voordat hij weer naar me toe zou gaan. U vraagt hoe ik hem bang wilde maken. Ik wilde hem laten weten dat als je mij lastig valt, dat ik dan schiet.
In eerste instantie wilde ik het wapen laten zien. Ik wilde naar binnen in de kebabzaak, maar de deur was dicht. Toen had ik oogcontact met hem. Er werd nog wat gezegd. Toen had ik het wapen in mijn broeksband. Ik denk niet dat het wapen toen zichtbaar was voor anderen. Toen trok ik het wapen en liep naar achteren. Hij rende toen weg, en ik loste een eerste schot. Ik was erg boos en wilde hem bang maken. Ik dacht toen dat ik wel op het raam kon schieten, want de kogel zou er hoogstwaarschijnlijk niet doorheen gaan. Ik dacht dat het wel dubbelglas zou zijn. Het klopt dat ik de ruit niet van te voren had bestudeerd.
Ik heb wel geschoten, maar ik wist dat niemand in mijn schietrichting stond. Hij was al weg gerend. In de schietrichting stond een colakoelkast. Als de ruit van enkelglas was geweest, dan had ik de colakoelkast geraakt. Het klopt dat aangever het wapen zag en dat hij zag dat ik het wapen trok. Ik had het wapen vast met twee handen. De zaak is hoger gelegen dan de stoep waarop ik stond. Het klopt dat hij uit de kebabzaak dezelfde kant op rende als ik.
De voorzitter vraagt verdachte:
Het hof heeft de camerabeelden bekeken. Te zien is dat u achter aangever aan rent en dat mensen buiten stonden. Hoe had u het wapen op die momenten?
Verdachte antwoordt:
Ik had het wapen naar beneden gericht, langs mijn rechter bovenbeen. Alleen na het tweede schot niet meer. Ik heb één keer geschoten bij de kebabzaak. De tweede keer schoot ik naar naar beneden.
Na het eerste schot bij de kebabzaak ging ik naar links en ik ging de steeg in. Toen ik bij de steeg kwam, had ik het wapen langs mijn bovenbeen. Ik stopte en wilde het wapen weer trekken. Ik wilde richten en aangever draaide om. Ik richtte en loste het tweede schot. Ik richtte daarbij naar beneden, omdat ik andere mensen zag.
U vraagt of die mensen niet een reden vormden om te stoppen met handelen. Nee, ik was in blinde woede. Ik heb niet iemand recht vooruit me geraakt. Het was niet mijn bedoeling om aangever in zijn bovenlichaam te raken. Ik heb op zijn voeten gericht en een schot gelost. Bij alle geloste schoten heb ik stil gestaan en had ik twee handen vooruit. Het wapen hield ik goed vast. Ik heb niet gemerkt waar de tweede kogel terecht kwam.
Ik ging ervan uit dat ik de grond had geraakt. Ik wist dat ik toen niemand had geraakt. Het klopt dat ik toen wel een risico heb genomen, omdat er veel mensen waren. Het was zeker een domme actie.
De voorzitter houdt verdachte voor.
U was eerder die avond uit een horecagelegenheid gezet. Vervolgens vond de zware mishandeling met de fles plaats. Daarna ging u naar de kebabzaak. U stelt dat u in blinde woede was. U ging snel achter aangever aan en heeft geschoten terwijl er publiek bij was. Maar aan de andere kant stelt u vrij bewust op de colakoelkast en buiten naar beneden te hebben gericht. Dat kan wat dubbel klinken.
Verdachte verklaart:
Ik vind het niet dubbel. Ik had beter moeten nadenken. Bij de acties die ik uitgevoerd heb, waren domme acties. Het was geen moord, omdat ik hem niet om het leven wilde brengen. Er was ook geen kans om hem dodelijk te raken. Ik had geen intentie hem te doden.
De voorzitter houdt verdachte voor:
De rechtbank heeft overwogen dat u naar dat huis bent gegaan met de taxi. U had tijd om na te denken over uw handelen. De taxichauffeur had nog gezegd: ‘slaap er een nachtje over’. U wilde dat niet horen.
Verdachte verklaart:
Dat klopt.
De voorzitter vervolgt:
Dan gaat u terug naar de kebabzaak, u schiet en dan is uw actie nog niet afgelopen. U lijkt nog steeds achter aangever aan te willen gaan. Wat had u gedaan als de deur van de kebabzaak open was geweest?
Verdachte antwoordt:
Dan had ik hem bedreigd of geslagen met dat wapen. Mijn intentie was om hem bang te maken. Dat was niet gelukt, omdat hij al weg rende. Ik dacht: als ik schiet, wordt hij bang maar raak ik niemand. Dan weet hij dat hij niet met me kan sullen. Ik heb er spijt van en schaam me ervoor. Het was erg dom. Ik heb jonge kinderen. U houdt me voor dat een foto in het dossier zit waarop ik een kind op mijn arm heb, terwijl er ook een wapen zichtbaar is. Daar wil ik niet over verklaren.
Het klopt dat ik vroeger snel gekrenkt was. Het klopt ook dat mijn vriendin zwanger was ten tijde van deze gebeurtenissen. Ze is in februari bevallen. U vraagt me waarom ik me dan toch zo heb opgesteld.
Ik zat in die periode niet goed in mijn vel. Ik had geen vaste verblijfplaats. Mijn dochter en partner moesten naar mijn schoonouders. Daar was ik niet trots op. Zonder vaste basis was het moeilijk om te focussen en dan word ik licht ontvlambaar.
De voorzitter houdt verdachte voor:
Op de camerabeelden is te zien dat u liep met het pistool gericht op aangever. Het lijkt daarbij of u gaat schieten.
Verdachte verklaart:
Dat lijkt zo, maar ik heb niet geschoten. Ik zag hem nog. Hij rende nog en was bang. Daarom rende ik nog een stukje achter hem aan. Ik vind het logisch als ik bestraft wordt voor mijn daden, maar niet voor die datgene dat me nu verweten wordt.
De voorzitter vraagt verdachte:
Bent u een expert in glas en in wapens?
Verdachte antwoordt:
Nee, maar als je zo’n wapen hebt, dan zoek je het uit. Bijvoorbeeld door op YouTube te kijken. Ik heb daardoor geleerd dat het wapen van laag kaliber was. Ja, het wapen zou wel door enkel glas kunnen schieten. Of het wapen geschikt was om door dubbelglas te schieten, weet ik niet specifiek. Dat heb ik niet helemaal uitgezocht. Ik weet wel dat een wapen van een groter kaliber een grotere kans heeft om door een raam met dubbelglas te schieten.
Het wapen dat gevonden is, is van groter kaliber. Maar daar zijn geen kogels van gevonden. U vraagt of dat wapen wel door dubbelglas kan schieten. Daar ga ik wel vanuit. Ik ben geen professionele schutter.
Op vragen van de oudste raadsheer antwoordt verdachte:
Het klopt dat ik niet door had dat de kogel in de schoen van een omstander terecht kwam. U vraagt of ik een geoefend schutter ben. Mijn schietervaring bestaat eruit dat ik in het buitenland recreatief heb geschoten. Ik heb niet bij een schietvereniging gezeten en ben geen militair geweest.
U houdt voor dat ik tegen de taxichauffeur heb gezegd: “als je geneukt bent, moet je voor je eer opkomen”. Ik weet niet of ik dat heb gezegd. De taxichauffeur heeft me terug naar de kebabzaak gebracht en ik heb hem geld gegeven. Als hij zo angstig voor me was, dan had hij toch gewoon weg kunnen gaan?
U houdt me voor dat een dergelijke opmerking lijkt op een soort wraakgedachte.
Ik was boos en wilde wat ondernemen. Je zou het wraak kunnen noemen.
De oudste raadsheer vraagt verdachte:
U verklaarde dat u geschoten had en dat een domme actie vond. Toch is een half jaar later bij u een wapen gevonden. Hoe kan dat? Dacht u niet dat wapen moet ik weg doen?
Verdachte antwoordt:
Nee, anders had ik dat gedaan. Wel had ik de dag na het incident al gedacht dat het een domme actie was. U vraagt waarom ik dan toch dat wapen had. De situatie was nog gevaarlijk. De situatie was nog niet opgelost.
Op vragen van de advocaat-generaal antwoordt verdachte:
Ik kan het me herinneren dat aangever [slachtoffer 1] en ik oogcontact hadden op het moment dat ik terugkwam bij de kebabzaak. Ik liep op de zaak af en hij zag me aankomen en zag me staan. Toen ik de deur open wilde doen, keek hij naar me.
Verdachte verklaart als zijn laatste woord:
Ik zei dat het een wraakactie was, maar daar kom ik op terug. Het was geen wraak. Toen ik in de taxi zat, wilde ik geen wraak nemen. Ik wilde voorkomen dat hij me in de toekomst lastig zou vallen. Daarom wilde ik hem zo bang maken.”
7. De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting het woord gevoerd overeenkomstig haar aan het hof overhandigde en aan het proces-verbaal van die zitting gehechte pleitnota, die voor zover hier relevant het volgende inhoudt (met weglating van de voetnoten):
“
Feit 1
6. In de ochtend van zaterdag 10 juli 2021, omstreeks 06:00 uur is bij de horecaonderneming [kebabzaak] in het centrum van Arnhem een ruzie ontstaan tussen client en aangever [slachtoffer 1]. Client zou beledigende bewoordingen hebben geuit in de richting van aangever, waarna aangever client (aldus de verklaring van aangever zelf) bij zijn keel greep en optilde, in een bank gooide en vervolgens met zijn vuist een aantal keer hard op client in heeft geslagen. Dit is kennelijk met zoveel kracht gebeurd, dat client voor een kort moment zijn bewustzijn verloor. Zo verklaart [getuige 1] op 15 juli 2021.
“
De Surinamer [[slachtoffer 1]] had de Marokkaan [client] gepakt en ging hem met de vuist slaan. De Surinaamse man was sterk en ging hem slaan en niemand haalde ze uit elkaar. (...) lk denk dat de Marokkaan 5 seconden niet bij kennis was. Toen vluchtte de Marokkaan weg.”
Client verklaart overigens zelf ook dat hij door de klappen knock out gingen daarom een stuk kwijt is.
7. Bond en blauw geslagen en compleet van slag door wat er zoeven in de kebabzaak was gebeurd, is client vervolgens naar buiten gerend. Client heeft vervolgens in een vlaag van verstandsverbijstering de keuze gemaakt om een wapen te gaan halen. Waarom client dit heeft gedaan, kan hij zich niet exact meer herinneren. Client herinnert zich nog wel dat hij op dat moment bang was, zich zeer vernederd en aangeslagen voelde en tegelijkertijd erg boos was door wat er was gebeurd, waardoor hij op dat moment niet helder kon nadenken.
8. Niet veel later is client teruggekomen bij de kebabzaak, met het wapen dat hij vlak daarvoor had opgehaald. Het staat vast dat client vervolgens twee keer met dit wapen heeft geschoten: één keer bij de kebabzaak en één keer in de buurt van de Korenmarkt. Dit blijkt uit de verklaringen van verschillende getuigen, de gevonden kogel(hulzen) en de verklaring van client, waarin hij heeft bekend twee keer een schot te hebben gelost. Client heeft echter nooit de intentie gehad om aangever hiermee dodelijk te raken. Dit heeft hij dan ook vanaf de start van deze zaak in zijn verklaringen aangegeven: client heeft aangever angst willen aanjagen, omdat hij vlak daarvoor vrijwel uit het niets door aangever in elkaar is geslagen.
9. Uiteindelijk zijn de door client afgevuurde kogels terecht gekomen in het glas van één raam van de kebabzaak (schot 1) en in een schoen van één van de getuigen die op straat aanwezig was: [getuige 3] (schot 2).
10. De vraag die aan uw hof voorligt, is of client met het lossen van deze schoten heeft beoogd, dan wel op de koop toe heeft genomen dat hij aangever [slachtoffer 1] daarmee dodelijk had kunnen raken. Mocht uw hof deze vraag bevestigend beantwoorden, dan ligt vervolgens de vraag of client voornoemd feit met voorbedachte raad zou hebben gepleegd en derhalve of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat client zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde poging tot moord.
11. Op de vraag of er bij cliënt sprake is geweest van opzet, zal de verdediging per schietincident ingaan. Vervolgens wordt besproken of al dan niet kan worden vastgesteld of sprake is geweest van voorbedachte raad.
Schietincident 1 – Kebabzaak
12. In de eerste plaats dient te gelden dat de rechtbank in haar vonnis constant uit is gegaan van het feit dat er op de
deurvan de kebabzaak is geschoten. Ten onrechte. Uit het dossier blijkt dat er een inschot is in een
raamvan de kebabzaak en dat dit raam een aantal ramen verwijderd is van de deur. Dit is een belangrijke vaststelling, omdat de rechtbank deze fout naar het lijkt wel meegenomen heeft in haar visie met betrekking het doel (opzet) van cliënt en daarmee ook tot de voorbedachte raad.
13. Ten aanzien van het schot op de deur van de kebabzaak heeft cliënt (zoals eerder benoemd) verklaard dat hij degene is geweest die dit schot heeft gelost, maar dat het nooit zijn bedoeling is geweest om aangever daarmee te raken. Cliënt heeft aangever met dit schot bang willen maken, in reactie op wat zich eerder in de kebabzaak heeft afgespeeld. De rechtbank heeft in vonnis overwogen dat client wel degelijk op aangever heeft gericht toen hij op de Kebabzaak schoot, met name ingegeven door het feit dat hij oogcontact had met aangever, op ooghoogte heeft geschoten en de rechtbank blijkbaar ook in de veronderstelling was dat op de deur is geschoten waarachter aangever zich bevond.
14. De verdediging betwist dit. Client heeft verklaard dat hij zag dat aangever naar de deur liep toen hij het wapen op de zaak richtte en dat hij toen vervolgens op het raam (drie ramen verwijderd van de deur) heeft geschoten. Achter dat raam stond een frisdrankautomaat. Rekening houden met het feit dat client op ongeveer 2 meter afstand van de zaak en dat hij blijkbaar bewust
uitde richting van de aangever heeft geschoten, maakt dat bezwaarlijk gesteld kan worden dat hij op de aangever heeft willen schieten. Van vol opzet is dan ook geen sprake.
15. De vraag is vervolgens of sprake is van opzet in voorwaardelijke zin. Volgens de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is sprake van voorwaardelijk opzet indien de betreffende verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat een bepaald gevolg (in casu de dood van [slachtoffer 1]) zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Wat betreft de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo een kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan worden afgeleid dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld.
16. De verdediging heeft al gesteld, dat client bewust uit de richting van aangever heeft geschoten. Daarbij komt dat client tijdens zijn verhoren bij de politie en bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij ten tijde van het schieten op het raam wist dat hiermee – met het wapen dat hij hanteerde (22.kaliber vuurwapen) – het raam niet zou kunnen doorboren:
“Ik had geen enkele intentie om de man te vermoorden dan wel een poging tot doodslag te begaan. Ik was op de hoogte van het kaliber van het wapen. Ik wist dat ik met dit wapen niet veel schade kon aanrichten. Ook wist ik dat er dubbelglas was bij die zaak."
17. Uit het onderzoek naar het schieten op het raam van de kebabzaak blijkt dat er is geschoten met een .22 kaliber wapen en een kogel met een zeer kleine doorsnee van 5,56 millimeter. Daarnaast blijkt uit dit onderzoek dat het patroon ‘slechts’ door de buitenste glasplaat van het raam is gedrongen en niet door de binnenste glasplaat. De binnenste glasplaat heeft de kogel dus gestopt, waardoor deze niet aan de andere kant van het glas is uitgekomen. De resultaten van het onderzoek sluiten daarmee aan bij hetgeen client heeft verklaard over de impact van het wapen in combinatie met de aanwezigheid van de dubbel glas in het beschoten raam.
18. Zoals in het vonnis van de rechtbank terecht is overwogen, is er verder geen nader deskundig onderzoek verricht waaruit zou kunnen blijken wat de kans op dodelijk letsel is indien een kogel van voornoemde doorsnee op korte afstand van een dubbele glasplaat wordt afgevuurd. Niet is onderzocht of er überhaupt een mogelijkheid dan wel kans bestaat dat een dergelijke kogel door dubbelglas kan dringen en óók niet of de kogel vervolgens het slachtoffer kon raken, laat staan of dat tot zwaar lichamelijk of zelfs dodelijk letsel zou kunnen leiden. Of deze kans bestaat en of deze kans in dat geval ook aanmerkelijk te achten is, is dan ook op geen enkele wijze vastgesteld.
19. Het dossier biedt dan ook onvoldoende aanknopingspunten voor de vaststelling dat er met het schieten op het raam van de kebabzaak een aanmerkelijke kans op de dood van dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangever [slachtoffer 1] bestond. Met de rechtbank is de verdediging dan ook van oordeel dat ten aanzien van het eerste incident geen sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood dan weI op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
20. In dit verband wordt nog verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 december 2019, waarin is overwogen dat het ontbreken van onderzoek naar de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel door het schieten van de betreffende patronen op dubbel glas zoals in die zaak aan de orde was, ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld dat met een kogel van 6 millimeter op dubbel glas een aanmerkelijke kans op de dood oplevert:
“(...) Uit het wapenrapport heeft de rechtbank kunnen opmaken dat het schieten met een omgebouwd gas/alarmpistool en omgebouwde knalpatronen gevaarzettend is en kan leiden tot dodelijk letsel. Echter, nergens is gerelateerd dat de kans op dodelijk letsel door het schieten met een omgebouwd gas/alarmpistool en omgebouwde knalpatronen op dubbel glas zoals hier aan de orde, aanmerkelijk te achten was. Het feit dat het raam van de woonkamer van [adres] voorzien was van dubbele beglazing, dat de kogel niet verder is gekomen dan de buitenste laag glas, en dat het kogeltje een diameter had van 6 millimeter, is niet betrokken in het onderzoek.
De rechtbank kan, onder deze omstandigheden, niet aannemen of vaststellen dat het schieten met een kogeltje van 6 mm doorsnede op dubbelglas een aanmerkelijke kans op levensberoving oplevert.
Concluderend is er onvoldoende bewijs voor het tenlastegelegde opzet (al dan niet in voorwaardelijke zin) op de levensberoving, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken van zowel de poging tot moord als de poging tot doodslag.(....)”
21. Conclusie is dan ook dat client bij het eerste schietincident nooit de bedoeling heeft gehad om aangever te raken. Dit blijkt al uit het gegeven dat hij bewust uit de richting heeft geschoten (namelijk 3 ramen verwijderd van de deur en dus ook uit de richting van de aangever) en zeer zeker niet op de deur zelf zoals door de rechtbank aangenomen. Uit dat gegeven blijkt voldoende dat client niet de opzet had op de dood van aangever, maar hem duidelijk alleen angst aan wilde jagen. Dit is zoals gezegd een belangrijk gegeven voor het vaststellen van voorbedachte raad. Hierover heeft de rechtbank immers vastgesteld dat client vanaf het begin al uit was op de dood van aangever, namelijk door het gericht schieten op aangever in de Kebabzaak, hetgeen gezien het voorgaande bezwaarlijk aangenomen kan worden. Daarover later meer.
22. De verdediging komt gelet op al het voorgaande dan ook tot de conclusie dat dit eerste schietincident niet kan leiden tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde onder feit 1 nu er geen sprake is van (voorwaardelijk) opzet bij client en er evenmin sprake is geweest van een aanmerkelijke kans dat aangever dodelijk geraakt zou worden.
Schietincident 2 – korenmarkt
23. Het tweede schietincident betreft het lossen van een schot op straat, in de nabije omgeving van de Korenmarkt in Arnhem, nadat aangever de kebabzaak heeft verlaten. Aangever is
nietdoor dit schot geraakt. De kogel is (zoals reeds benoemd) uiteindelijk in de schoen van een omstander – [getuige 3] – terecht gekomen.
24. Client heeft ook ten aanzien van dit schietincident één bekennende verklaring afgelegd. Hij heeft verklaard dat hij opnieuw een schot heeft gelost, naar beneden gericht op de onderbenen van aangever. Hij had daarbij
nietde intentie om aangever om het leven te brengen:
“
Mede gelet op het lage kaliber van mijn wapen lag het niet voor de hand dat het schot op [slachtoffer 1] dodelijk zou kunnen zijn als hij in zijn benen was geraakt.”
25. Gelet op deze verklaring en het ontbreken van aanwijzingen voor het bestaan van vol opzet is de verdediging (met de rechtbank) van oordeel dat vol opzet ook ten aanzien van het tweede schietincident
nietkan worden vastgesteld.
26. Vervolgens is het ook ten aanzien van schietincident 2 de vraag of sprake is van opzet op dood van aangever [slachtoffer 1] in voorwaardelijke zin. Deze vraag dient in de visie van de verdediging net als bij het eerste schietincident ontkennend te worden beantwoord.
27. Door de rechtbank is geconcludeerd dat sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van aangever, omdat het schot dat cliënt heeft gelost een ongecontroleerd schot in de richting van het lichaam van aangever zou zijn geweest terwijl aangever zich op enkele meters afstand van cliënt bevond. De rechtbank baseert deze conclusie op de omstandigheden dat cliënt een ongeoefend schutter is, hij de betreffende avond alcohol had gedronken en zowel cliënt als aangever aan het rennen waren op het moment dat het schot werd gelost. Volgens de rechtbank was hierdoor de kans groot dat de kogel een vitaal deel van het lichaam van aangever [slachtoffer 1] zou hebben geraakt en dat cliënt – nu het lossen van een ongecontroleerd schot onder voornoemde omstandigheden naar uiterlijke verschijningsvorm als zozeer gericht op de dood van aangever moet worden aangemerkt – deze kans bewust heeft aanvaard.
28. De verdediging is echter van oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft vastgesteld dat cliënt op ongecontroleerde wijze, heeft geschoten. De verdediging baseert zich daarbij op een aantal omstandigheden uit het dossier.
29. Client heeft in zijn verklaringen duidelijk aangeven dat hij bewust naar beneden, in de richting van de benen van aangever heeft geschoten:
“
Toen ik schoot, stond ik stil en kon ik goed richten. Buiten was meer ruimte; er waren minder mensen dichtbij elkaar. Andere mensen stonden bij ons in de buurt toen ik schoot. (...)”
30. Het forensisch onderzoek op het plaats delict van het tweede schietincident heeft geen schietrichting uitgewezen. Onder andere door het ontbreken van een schotbeschadiging en het feit dat er geen huls op het (tweede) plaats delict is aangetroffen, is de richting van het schot niet aan te geven. Uit het forensisch onderzoek kan men dus niet afleiden dat ernaar beneden is geschoten, maar óók niet dat er
nietnaar beneden is geschoten. Het sluit het door client gegeven scenario dat naar beneden is geschoten in elk geval niet uit.
31. Waar wél duidelijk uit kan worden afgeleid dat client
naar benedenheeft geschoten, is de plaats waar de kogel uiteindelijk terecht is gekomen. [getuige 3] heeft een huls in zijn schoenzool aangetroffen die (naar alle waarschijnlijkheid) afkomstig is uit het wapen waarmee client heeft geschoten. Het feit dat de kogel in een schoen van [getuige 3] terecht is gekomen, maakt het zeer waarschijnlijk dat (bewust) naar beneden is geschoten. En niet eens op de benen, maar zelfs laag richting de voeten. [getuige 3] stond/liep immers op straat en bevond zich bovendien
zeer dichtbij aangever op het moment dat het schot werd gelost. Dit blijkt uit de bewegende camerabeelden die aan de verdediging zijn verstrekt. Op minuut 00:05:57 is te zien dat de rechtervoet van [getuige 3] wordt geraakt en dat aangever precies op dat moment zeer dicht langs [getuige 3] heen rent. Dat [getuige 3] op dit moment in zijn schoen wordt geraakt is te zien aan de wijze waarop hij zijn rechtervoet opeens beweegt (deze draait opeens naar binnen). Even later (op minuut 00:06:10) beweegt [getuige 3] deze zelfde voet en kijkt hij naar zijn schoen alsof hij hier iets aan voelt.
Daar komt nog bij dat aangever op het moment dat [getuige 3] in zijn schoen wordt geraakt zeer dicht langs [getuige 3] beweegt, hetgeen de verdediging sterkt in het standpunt dat cliënt op dit specifieke moment in de richting van de onderbenen van aangever schiet. De kogel komt immers vrijwel precies op deze plek terecht.
32. De schietrichting van het tweede schot wijst derhalve op een bewust en gecontroleerd schot naar beneden, in de richting van de benen van aangever.
33. De rechtbank leidt de (vermeende) ongecontroleerde schieten eronder andere uit af dat aangever en cliënt aan het rennen zouden zijn op het moment van het tweede schot. Echter, uit het dossier kan helemaal niet worden afgeleid dat cliënt aan het rennen
op het momentdat hij voor de tweede keer schoot. Wat de verdediging betreft heeft de rechtbank dit op basis van het dossier niet kunnen vaststellen. Verschillende getuigen verklaren weliswaar dat aangever door client achterna werd gerend en ook de beelden geven blijk van een achtervolging op bepaalde momenten, echter, geen enkele getuige verklaart dat client
op het moment van schietenaan het rennen is en ook op de beelden is niet te zien dat cliënt rent op het moment waarop het schot wordt gelost, immers op het moment dat er geschoten wordt is client niet in beeld.
34. Client verklaart zelf stil te hebben gestaan toen hij schoot, waardoor hij goed kon richten: “
Toen ik schoot, stond ik stil en kon ik goed richten.” Hoewel het niet op de beelden is waar te nemen (tijdens het schot is client immers niet in beeld), is hierop wel een situatie te zien waarin het goed mogelijk is dat client stil stond tijdens het schieten. Immers, als client op minuut 00:05:47 vanaf de achterkant (tweede ingang) van de kebabzaak wegrent en aangever enkele momenten daarna (op minuut 00:05:52 t/m 00:05:55) via de voorkant naar buiten rent, links afslaat en nog een keer links af wil slaan (op minuut 00:05:55), lijkt hij client (op het moment dat aangever voor een tweede keer links af wil slaan) daar te zien staan waardoor hij zich omdraait en de andere kant op gaat rennen. Het zou goed kunnen dat cliënt, zoals hij heeft verklaard, op dat moment stil staat, omdat hij al eerder naar deze plek toe is gerend (op minuut 00:05:47). Wanneer aangever de andere kant op wegrent, daarbij rakelings langs [getuige 3] rent en op welk moment [getuige 3] in zijn schoen wordt geraakt (00:05:57), zien we client
daarnapas in beeld komen (00:05:58), rennend achter aangever aan. Het is dan ook goed mogelijk dat client stilstaand het schot heeft gelost (hij stond daar immers al) en
daarnade achtervolging van aangever (verder) heeft ingezet.
35. In de laatste fase van de beelden is nog een stukje van de achtervolging te zien, waarop tevens te zien is dat client het wapen richt in de richting van (het lichaam van) aangever (minuut 00:06:40 t/m 00:06:58), echter, op dat moment was het tweede (en laatste) schot al gelost. De tweede keer schieten vond immers plaats vlak nadat aangever de kebabzaak is uitgerend, minuut 00:05:57 op de beelden. Client verklaart na het tweede schot niet nog eens te hebben geschoten en dit blijkt ook niet uit de andere bevindingen in het dossier.
36. Gelet op deze omstandigheden kan het niet of in elk geval onvoldoende worden vastgesteld dat client op het moment van het tweede schot aan het rennen (of lopen) was, zoals, door de rechtbank vastgesteld. Hieruit kan dan ook niet worden afgeleid dat sprake zou zijn geweest van een ongecontroleerd schot.
37. De rechtbank leidt de (vermeende) ongecontroleerdheid van het schot tot slot af uit het feit dat cliënt die bewuste avond alcohol zou hebben gedronken. Cliënt heeft weliswaar aangegeven alcohol te hebben gedronken die nacht, maar dat dit een paar glazen betrof gedurende de hele nacht en dat dit geen invloed heeft kunnen hebben op de controle over het wapen:
“(..) Het klopt dat ik die avond gedronken had, maar ik was volledig bij zinnen. Toen ik na het vechtincident in de kebabzaak bijkwam, heb ik een adrenalinestoot gekregen, waardoor ik op slag nuchter was. (…)”
38. Daar komt bij dat het alcoholpromillage in het bloed van client ten tijde van het schietincident niet is gemeten.. Dit was gelet op het moment van aanhouding van client ook niet meer mogelijk. Dat maakt echter wel dat niet (meer) kan worden vastgesteld in hoeverre client daadwerkelijk onder invloed was van alcohol ten tijde van het schietincident. Verder is er op de beelden ook niet waar te nemen dat client bijvoorbeeld onvast ter been is of dat getuigen daarover verklaren. De hoeveelheid alcohol en het effect wat de alcohol op de toestand en/of handelen van client heeft gehad, kan dan ook niet objectief worden vastgesteld. Of dit invloed heeft gehad of heeft kunnen hebben op de controle van client over het vuurwapen is dan ook niet vast te stellen, waardoor het gegeven dat client diezelfde avond alcohol heeft gedronken niet aan de vaststelling dat ongecontroleerd zou zijn geschoten ten grondslag kan worden gelegd.
39 Gelet op al deze omstandigheden dient er in de visie van de verdediging vanuit te worden gegaan dat sprake is geweest van een bewust en
gecontroleerd schotnaar beneden in de richting van de benen van aangever. De schietrichting wijst daar allereerst op en er zijn daarnaast geen omstandigheden aan de orde die op het tegendeel wijzen. Het enkele feit dat client geen geoefend schutter is, kan daaraan in ieder geval niet ten grondslag worden gelegd.
40. In dit verband wordt nog verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 13 december 2019, waarbij sprake was van vergelijkbare omstandigheden en waarbij de rechtbank ook tot de conclusie is gekomen dat er sprake was van een gecontroleerde schietbeweging richting de grond:
“
Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van voorwaardelijk opzet, is van belang om vast te stellen op welke wijze verdachte heeft geschoten. (...) Verdachte erkent dat hij tweemaal in de richting van slachtoffer heeft geschoten. Hij stelt uitdrukkelijk daarbij op de grond gericht te hebben: Uit het sporenonderzoek blijkt dat op de straatkeilen (...) munitiedelen (...) zijn aangetroffen. Deze onderzoeksresultaten kunnen passen bij de verklaring dat hij naar de grond heeft gericht. Verder forensisch technisch onderzoek dienaangaande ontbreekt echter. Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van de zich in het dossier bevindende verklaringen van getuigen niet worden vastgesteld op welke wijze is geschoten. (...) Omdat de onderzoeksresultaten die zich in het dossier bevinden kunnen passen bij de verklaring van verdachte dat hij naar de grond heeft geschoten dan wel daarmee niet in strijd zijn en het dossiergeen aanknopingspunten biedt dat dat op andere wijze is gebeurd, gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte naar de grond heeft gericht bij het afvuren van de kogels.”
41. Voor de beoordeling van de vraag of sprake is van voorwaardelijk opzet ten aanzien van het tweede schietincident, dient er in de visie van de verdediging dan ook vanuit te worden gegaan dat client op bewuste en gecontroleerde wijze in de richting van de onderbenen van aangever en dus naar beneden heeft geschoten.
Geen bewuste aanvaarding van aanmerkelijke kans bij gecontroleerd schieten
42. Indien uw hof in weerwil van het voorgaande toch van oordeel is dat sprake is geweest van de aanmerkelijke kans op het overlijden van aangever [slachtoffer 1] door het tweede door client geloste schot, dan heeft client – door het op gecontroleerde wijze schieten in de richting van de onderbenen van aangever – deze kans niet bewust aanvaard. Hij is er met deze gecontroleerde schietbeweging in voornoemde richting vanuit gegaan dat hij aangever
nietmet dodelijke afloop zou raken. Client heeft daarmee weliswaar zeer onvoorzichtig gehandeld, maar erop gerekend dat hij aangever niet in vitale delen van zijn lichaam zou schieten. Bij het ontbreken van de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans maar bij de aanwezigheid van zeer onvoorzichtig handelen kan weliswaar sprake zijn van bewuste schuld, maar
nietvan voorwaardelijk opzet.
43. De verdediging wijst in dit verband naar een arrest van uw eigen hof van 5 juni 2019. Het hof oordeelde dat er
geensprake is geweest van een bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans, omdat de verdachte bij het schieten zonder meer is uitgegaan van een goede afloop. De verdachte in kwestie schoot doelbewust laag op de scooter en zij rekende erop dat ze daarmee de scooterrijder niet zou raken. Met het schieten op een rijdende scooter heeft de verdachte verwijtbaar gehandeld en had zij beter moeten weten, maar dat het handelen van de verdachte, te weten het weloverwogen laag schieten, naar uiterlijke verschijningsvorm niet kan worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dat de verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard. De verdachte werd dan ook vrijgesproken:
“(...) De verdachte is bij het schieten op de scooter echter zonder meer uitgegaan van een goede afloop. De verklaring en het handelen van de verdachte wijzen op bewuste schuld aan (een poging tot) het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Immers, de verdachte heeft de aanmerkelijke kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel bij de scooterrijder niet bewust aanvaard. De verdachte schoot doelbewust laag op de scooter en zij rekende erop dat ze daarmee de scooterrijder niet zou raken. Met het schieten op de rijdende scooter heeft de verdachte naar het oordeel van het gerechtshof verwijtbaar hoogst onvoorzichtig gehandeld. De verdachte had beter moeten weten (…). Het gerechtshof is voorts van oordeel dat het handelen van de verdachte, te weten het weloverwogen laag schieten, naar haar uiterlijke verschijningsvormnietkan worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan zijn dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg heeft aanvaard.”
44. Ook wijst de verdediging opnieuw naar de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 13 december 2019. Omdat de rechtbank er in deze zaak vanuit is gegaan dat de betreffende verdachte naar de grond heeft gericht bij het afvuren van de kogels, wordt geconcludeerd dat de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm
nietzozeer zijn gericht op de dood van het slachtoffer dat het niet anders kan zijn dat verdachte de aanmerkelijke kans daarop heeft aanvaard:
“Omdat de onderzoeksresultaten die zich in het dossier bevinden kunnen passen bij de verklaring van verdachte dat hij naar de grond heeft geschoten dan wel daarmee niet in strijd zijn en het dossier geen aanknopingspunten biedt dat dat op andere wijze is gebeurd, gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte naar de grond heeft gericht bij het afvuren van de kogels. De rechtbank is van oordeel dat deze gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet zo zeer zijn gericht op de dood van het slachtoffer dat het niet anders kan zijn dat verdachte de aanmerkelijke kans daarop heeft aanvaard.
45. De verdediging komt dan ook tot de conclusie dat op basis van het thans voorliggende dossier het opzet op de dood van aangever, zowel ten aanzien van het eerste als het tweede schietincident, niet kan worden vastgesteld. Client dient dan ook van de (primair onder Feit 1) tenlastegelegde poging tot doodslag c.q. moord te worden vrijgesproken. Ten aanzien van het eerste schietincident is tevens geen sprake van een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, nu de aanmerkelijke kans daarop onvoldoende (objectief) is onderzocht en daarmee niet is vast te stellen.
Ten aanzien van het tweede schietincident waarbij client in de richting van de onderbenen van aangever heeft geschoten, kan de verdediging zich voorstellen dat uw hof vaststelt dat client de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bewust heeft aanvaard. Ten aanzien van de vraag of het subsidiair onder Feit 1 tenlastegelegde kan worden bewezen, refereert de verdediging zich dan ook aan het oordeel van uw hof.
Schietincident 1 en 2 – voorbedachte raad
[…]”
8. Blijkens meergenoemd proces-verbaal heeft de raadsvrouw ter terechtzitting in aanvulling daarop nog het volgende opgemerkt:
“Op de foto op pagina 99 van het dossier is te zien dat er geen klink zit. Belangrijk is om vast te stellen dat de ingang van de kebabzaak links zit. In het vonnis staat (en de advocaat-generaal stelt) dat verdachte de deur open wilde doen, maar dat dat niet ging en dat verdachte toen heeft geschoten. Ook staat in het vonnis dat er oogcontact door de deur was en dat verdachte door de deur heeft geschoten. Hij schoot echter veel meer naar rechts dan de deur. Waarop is geschoten is ook niet de ingang van de kebabzaak. Hij heeft dus niet gericht op deur geschoten, maar hij heeft naar rechts gericht.
Bij punt 18. Ik voer niet het verweer dat sprake was van een ondeugdelijke poging, want daar heb ik geen informatie over. Als er wel informatie over beschikbaar was, dan kon dat verweer wel worden gevoerd. Het gaat hier over de vraag of er wel een aanmerkelijke kans was.
Bij punt 30. Er staat een fout in de pleitnota. Het is niet vast te stellen dat er naar boven is geschoten.
[…]”
De bespreking van deelklacht (i): het schot op het raam van de kebabzaak
9. Het eerste schot waar de bewezenverklaring op steunt, is het schot dat de verdachte heeft afgevuurd op het raam van een kebabzaak waarin de aangever zich op dat moment bevond. Geklaagd wordt dat het hof niet (voldoende) gerespondeerd heeft op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat er geen aanmerkelijke kans was dat de aangever (dodelijk) zou worden geraakt door dit eerste schot vanwege de dubbele beglazing, althans dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd omdat deze aanmerkelijke kans niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.
10. Voor de beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, gelden de volgende, door de Hoge Raad in zijn arrest van 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718,NJ2019/103, m.nt. Wolswijk geformuleerde uitgangspunten: “5.3.1. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de beschadiging van een hond – is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.
5.3.2.De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip ‘aanmerkelijke kans’ afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. (vgl. HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552). In de conclusie van de Advocaat-Generaal wordt de vraag opgeworpen of nadere algemene aanknopingspunten kunnen worden gegeven om te bepalen onder welke omstandigheden sprake is van een aanmerkelijke kans als hiervoor bedoeld. Daaromtrent merkt de Hoge Raad het volgende op. Onder ‘de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans’ dient te worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Met de thans gebruikelijke formulering van de maatstaf van de aanmerkelijke kans is geen wezenlijk andere of grotere mate van waarschijnlijkheid tot uitdrukking gebracht dan met de in oudere rechtspraak, zoals in HR 9 november 1954, NJ 1955/55, gebruikte formulering “de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans”.
De Hoge Raad kan geen algemene regels geven over de exacte grootte van de kans die in het algemeen of voor een bepaald type delict minimaal vereist zou zijn, laat staan deze kans in een percentage uitdrukken.”
11. De vraag naar de aanmerkelijke kansdient aldus vanuit de concrete – objectieve – omstandigheden van het geval te worden benaderd. Zo een objectieve uitleg van het begrip ‘aanmerkelijke kans’ heeft in de afgelopen jaren de nodige kritiek gekregen, in het bijzonder in gevallen waarin het gaat om een poging tot een (voorwaardelijk) opzetdelict. Indien achteraf blijkt dat de gedraging van de verdachte niet tot de voltooiing van het beoogde delict had kunnen leiden, staat een dergelijke relatieve ondeugdelijkheid van de poging volgens de geldende pogingsleer in beginsel niet in de weg aan strafbaarheid. Wél zal dan echter een bewijsprobleem kunnen ontstaan op het punt van het voorwaardelijk opzet, omdat in zo een geval bij een ‘objectieve uitleg’ het nog maar de vraag is of achteraf gezien – en beoordeeld naar de concrete omstandigheden van het geval – wel sprake was van een aanmerkelijke kans op het onvoltooide delict.
12. Een van de zaken die dit spanningsveld illustreren is het (inmiddels in eerdere conclusies en literatuur veelvuldig aan de orde gestelde) arrest HR 6 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2760,NJ2006/50. De verdachte had geschoten op het woonkamerraam van een bovenwoning, terwijl hij wist dat zijn ex-vrouw en haar zus zich in de woning bevonden. Uit de bewijsmiddelen volgde dat alleen de ex-vrouw op het moment van schieten in de woonkamer was. Haar zus was in de slaapkamer. Het hof veroordeelde de verdachte niettemin voor tweemaal poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Volgens het hof had de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de kogel via het plafond of via een ander voorwerp van baan zou veranderen en een persoon zou kunnen raken, met zwaar letsel als gevolg. De Hoge Raad casseerde ten aanzien van het bewezenverklaarde opzet, omdat de aanmerkelijke kans dat de zus door het schot lichamelijk letsel zou bekomen niet uit de bewijsvoering kon volgen nu zij zich in een andere kamer bevond. 13. Een vergelijkbare situatie deed zich voor in HR 20 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL6765,NJ2010/250. Het slachtoffer in deze zaak werd midden in de nacht opgezocht door de verdachte bij zijn woning, met wie hij eerder op de avond ruzie had gehad en van wie hij ook doodsbedreigingen had gekregen. Toen het slachtoffer zag dat de verdachte in de richting van zijn woning kwam, draaide hij zijn voordeur op slot en verstopte hij zich vervolgens in de slaapkamer. Op het moment dat de verdachte bij de woning aankwam, klopte hij eerst een paar keur op de voordeur, om na een aantal seconden twee kogels door de deur heen te schieten. Naar het oordeel van het hof had de verdachte hiermee willens en wetens de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer – van wie hij kon verwachten dat deze zich mogelijk achter de deur zou bevinden – dodelijk geraakt zou worden door één van de kogels. Ook deze veroordeling hield in cassatie geen stand. De Hoge Raad oordeelde dat een dergelijke aanmerkelijke kans niet zonder meer uit ‘s hofs bewijsvoering kon volgen, aangezien die bewijsmiddelen onder meer inhielden dat het slachtoffer zich ten tijde van het lossen van de schoten in de slaapkamer bevond, terwijl die slaapkamer niet in het verlengde van de voordeur was gelegen. 14. De vorige zaak doet denken aan HR 1 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ8686, waarin de verdachte ook op de deur van een woning had geschoten, terwijl hij wist dat het slachtoffer zich op dat moment in de woning bevond. De Hoge Raad deed het middel dat klaagde over het bewezenverklaarde opzet hier echter af met verwijzing naar art. 81, eerste lid RO. Het verschil met voormelde zaak is, denk ik, erin gelegen dat in dit geval het schot op de deur was afgevuurd kort nadat het slachtoffer naar binnen was gegaan en de voordeur achter zich had dichtgetrokken. In die concrete omstandigheden achtte de Hoge Raad de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer dodelijk zou worden geraakt door het schot kennelijk niet onbegrijpelijk. 15. Een andere vermeldenswaardige zaak is die van HR 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6742,NJ2013/112, m.nt. Keijzer, waarin de verdachte schoten had gelost op de ruit van een café. De verdachte werd vervolgd voor poging tot moord van vier personen die zich op dat moment in het café bevonden. Door de verdediging was in hoger beroep aangevoerd dat er vanwege de dubbele ramen objectief gezien geen aanmerkelijke kans op dodelijk letsel was. De toenmalige A-G Knigge staat in zijn conclusie vóór dit arrest stil bij de verhouding tussen enerzijds de jurisprudentiële eis dat de kans op het dodelijk gevolg objectief gezien aanmerkelijk moet zijn geweest en anderzijds het leerstuk van de (relatief) ondeugdelijke poging. Hij werpt daarin onder meer de vraag op of voor de aannemelijkheid van de kans ingeval van voorwaardelijk opzet, net als bij de vraag naar de deugdelijkheid van een poging, moet worden geabstraheerd van ‘toevallige’ omstandigheden, zoals in dit geval de aanwezigheid van dubbele beglazing. Aan een beantwoording van deze vraag kwam de Hoge Raad hier echter niet toe, omdat het hof in dit geval niet voor de weg van abstrahering had gekozen, maar de aanmerkelijke kans op een dodelijke afloop had gestoeld op de concrete omstandigheid dat kort daarvoor een gat in de desbetreffende ruit was geslagen, en er aldus volgens het hof een grote tot zeer grote kans bestond dat de afgevuurde kogel – de verdachte bleek een ongeoefend schutter – door het reeds ontstane gat het cafe zou zijn ingegaan en een slachtoffer dodelijk had kunnen treffen. Het hof meende daarom dat sprake was van een aanmerkelijke kans dat de verdachte één van de genoemde vier personen dodelijk zou raken. De Hoge Raad kwam tot een vernietiging van dit oordeel, niet zozeer vanwege de wijze waarop het hof de aanmerkelijke kans had geconstrueerd, maar wegens het feit dat de bewezenverklaring niet aansloot op de bewijsoverwegingen van het hof; het hof had vastgesteld dat sprake was van een aanmerkelijke kans dat de verdachte één van de genoemde vier personen dodelijk zou raken, maar had vervolgens bewezenverklaard de poging tot moord ten aanzien van alle vier personen. 16. In HR 1 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3430,NJ2016/41, m.nt. Mevis slaagde eveneens een bewijsklacht aangaande de aanmerkelijke kans. De verdachte in kwestie had tijdens voetbalrellen een ‘Napolitaanse vuurwerkbom’ op een ME-bus gegooid, waarin op dat moment een agent zat. De verdachte werd vervolgd voor poging tot het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. In hoger beroep was namens de verdachte onder meer aangevoerd dat geen sprake was van een aanmerkelijke kans op zwaar letsel, nu een ME-bus een gepantserd voertuig is dat niet zomaar is te beschadigen. Het hof stapte daaroverheen en overwoog dat de verdachte wist wat voor soort vuurwerkbom hij gegooid had en dat hij, “door dergelijk zwaar vuurwerk op een ME-bus te gooien zonder zich ervan te vergewissen of er iemand in dat voertuig zat”, minst genomen bewust de aanmerkelijke kans had aanvaard dat door de ontploffing van die bom op de bus zwaar lichamelijk letsel voor een inzittende het gevolg kon zijn. De Hoge Raad kwam tot de slotsom dat deze omstandigheden onvoldoende grond vormen voor het oordeel dat sprake is van voorwaardelijk opzet en dat het hof dit oordeel, mede gelet op het verweer van de verdediging, nader had moeten motiveren. 17. Die uitkomst valt binnen de rechtspraak van de Hoge Raad te verklaren, omdat het ook voor de verdachte duidelijk was dat het om een ME-bus ging en algemeen bekend mag worden verondersteld dat deze gepantserd is. Ter Haar en Hornman stellen de vraag hoe de slotsom zou luiden indien op voorhand niet duidelijk was geweest dat het om een gepantserd voertuig ging. De auteurs wijzen op het hypothetische geval waarin een verdachte dergelijk vuurwerk gooit naar een personenauto, die pas achteraf gepantserd blijkt te zijn. Zij opperen dat zo een omstandigheid heeft te gelden als een bijzonderheid waarvan mag worden geabstraheerd, omdat de kans normaal gesproken reëel is dat het gooien van zwaar vuurwerk op een personenauto tot zwaar letsel bij inzittenden kan leiden.Het arrest van 6 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2763,NJ2017/198, m.nt. Rozemond lijkt hun daarin te steunen. De verdachte had het slachtoffer in de buik gestoken met een mes. Achteraf bleek dat het slachtoffer een steekwerend vest droeg. De verdachte had met zoveel kracht gestoken dat het mes het vest alsnog had doorboord. De verdediging had aangevoerd dat, door de specifieke omstandigheid dat het slachtoffer een steekwerend vest bleek te dragen, geen uitspraak kon worden gedaan over de aanmerkelijke kans dat de steek een dodelijke wond kon veroorzaken. Het hof ging daar niet in mee en oordeelde dat het met kracht met een mes steken in de buikstreek, waar zich vitale organen bevinden, een aanmerkelijke kans op de dood oplevert en dat de verdachte die kans bewust had aanvaard. Dat oordeel hield stand in cassatie. De Hoge Raad overwoog dat de enkele omstandigheid dat de toegebrachte verwonding nadien niet levensbedreigend bleek te zijn omdat het slachtoffer op het moment van steken een steekwerend vest droeg, niet tot een ander oordeel leidt, reeds omdat het hof had vastgesteld dat de verdachte met zodanige kracht had gestoken dat het steekwerende vest door de messteek was doorboord. Daaraan voegde de Hoge Raad nog het volgende toe (rov. 2.3): “Overigens is – gelet op het (toekomstgerichte) karakter van een poging – zo'n bijzondere omstandigheid als het dragen van een steekwerend vest niet onverenigbaar met de voor een poging toereikende vaststelling dat het met kracht steken van een mes in de buikstreek normaal gesproken een aanmerkelijke kans op de dood doet ontstaan.”
Naar het mij voorkomt lijkt de Hoge Raad met deze overweging toe te staan dat bij het achteraf bepalen van de aanmerkelijke kans bij een poging enigszins wordt geabstraheerd van het concrete geval door uitzonderlijke, onwaarschijnlijke of onverwachte omstandigheden buiten beschouwing te laten.
18. Ik keer terug naar de onderhavige zaak. Het hof heeft ten aanzien van het eerste schot de volgende vaststellingen gedaan. De verdachte was in een kebabzaak aan het Nieuwe Plein in Arnhem toen hij ruzie kreeg met de aangever. Op zeker moment is de verdachte vertrokken en heeft hij een taxi genomen naar een woning waar hij een vuurwapen pakte. Vervolgens reed hij met dezelfde taxi terug naar de kebabzaak. Hij wilde de kebabzaak weer betreden, maar de ingang aan de voorzijde was inmiddels afgesloten. Terwijl hij oogcontact had met de aangever, zette hij een stap naar achteren en loste hij een schot in het raam van de kebabzaak in de richting van de verdachte, op circa 171,5 centimeter hoogte. De kogel kwam niet door het dubbelglas heen.
19. De verdediging heeft in hoger beroep betwist dat bij dit eerste schot sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood van de aangever en meer in het bijzonder dat met het schieten op het raam van de kebabzaak een
aanmerkelijke kansbestond op de dood van dan wel zwaar lichamelijk letsel bij de aangever (cursivering door mij, A-G). Daartoe heeft de raadsvrouw erop gewezen dat de verdachte heeft geschoten met een .22 kaliber wapen en een kogel met een zeer kleine doorsnee van 5,56 millimeter, dat de kogel enkel door de buitenste gasplaat is gedrongen en door de binnenste glasplaat is gestopt, en dat verder niet is onderzocht of er überhaupt een kans bestaat dat een kogel van een dergelijk kaliber door dubbelglas kan dringen en vervolgens zwaar lichamelijk of dodelijk letsel kan veroorzaken, laat staan of deze kans aanmerkelijk te achten is. Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw te kennen gegeven niet het verweer te voeren dat sprake is van een ondeugdelijke poging, omdat die informatie niet beschikbaar is, en heeft zij benadrukt dat het gaat over de vraag of sprake is van een aanmerkelijke kans. Voorts is namens de verdachte bepleit dat hij bewust uit de richting van de aangever heeft geschoten en dat hij ten tijde van het schieten op het raam wist dat hij – met het wapen dat hij hanteerde – het raam niet zou kunnen doorboren.
20. Uit vorengenoemde vaststellingen heeft het hof afgeleid dat de verdachte gericht op de aangever heeft geschoten. Naar het oordeel van het hof had het schot, gezien de richting en de hoogte daarvan, de verdachte dodelijk kunnen treffen, als het door het glas was gekomen. Het hof acht de ter terechtzitting afgelegde verklaring van de verdachte dat hij ervan uitging dat de kogel “hoogstwaarschijnlijk” niet door het (dubbel)glas zou gaan niet aannemelijk. Daarbij heeft het hof de overige inhoud van zijn verklaring betrokken, namelijk dat hij de ruit van de kebabzaak voor het schietincident niet had bestudeerd, zodat hij niet kon weten dat er sprake was van dubbelglas, en evenmin wist of een kogel van dat kaliber al dan niet door dubbelglas zou gaan. Hij had daar geen onderzoek naar gedaan en was geen geoefend schutter. Het hof komt vervolgens tot de slotsom dat de gedragingen van de verdachte, dat wil zeggen het met een vuurwapen gericht schieten op de aangever, naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer op de dood van de aangever zijn gericht dat daaruit het opzet op de dood kan worden afgeleid.
21. Anders dan het middel voorstaat, ligt in deze bewijsoverwegingen naar ik meen voldoende besloten de aanmerkelijke kans alsook de verwerping van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging te dier zake. Het hof heeft immers expliciet overwogen dat het schot, gezien de richting en de hoogte daarvan, de verdachte dodelijk had kunnen treffen, als het door het glas van het raam was gekomen. Dat daarmee volgens het hof kennelijk sprake is van een aanmerkelijke kans op de dood van de aangever komt mij allerminst onbegrijpelijk voor. Het lijkt mij een feit van algemene bekendheid dat het op korte afstand schieten door een raam in de richting van een persoon ter hoogte van vitale organen normaal gesproken de aanmerkelijke kans doet ontstaan dat die persoon dodelijk wordt geraakt. Het enkele feit dat de kogel er in dit geval niet doorheen ging als gevolg van de dubbele beglazing, brengt niet noodzakelijkerwijs mee dat die kans niet aanmerkelijk is. In het licht van het (toekomstgerichte) karakter van een poging en in lijn met de hiervoor uiteengezette rechtspraak, zou ik menen dat het dubbelglas kan worden beschouwd als een bijzondere omstandigheid waarvan het hof mocht abstraheren bij de vaststelling van de aanmerkelijke kans. Dat uit forensisch onderzoek niet is gebleken of een kogel van het desbetreffende kaliber in de concrete omstandigheden van het geval het dubbelglas van de ruit had kunnen doorboren en het hof daaromtrent dan ook niets heeft vastgesteld, doet aan het voorgaande dan ook niet af.De verdachte had – zo lees ik de overwegingen van het hof – in dit geval ook helemaal geen rekening gehouden met het dubbelglas. Hij wist op het moment van schieten niet dat de ruit van dubbelglas was, had niet onderzocht of een kogel van het betreffende kaliber door dubbelglas zou kunnen komen en was geen geoefend schutter. Daarmee onderscheidt deze zaak zich van de hiervoor aangehaalde zaak van de bekogeling van een ME-bus, waarin het voor de verdachte op voorhand duidelijk was dat de bus gepantserd was en dus moeilijk(er) te doordringen. De bewezenverklaring voor poging tot moord lijkt mij in de onderhavige zaak dan ook een alleszins verdedigbare uitkomst.
De bespreking van deelklacht (ii): het schot in de achtervolging van de aangever
22. Het middel keert zich daarnaast tegen het oordeel van het hof dat de verdachte ook bij het tweede schot het voorwaardelijk opzet had op de dood van de aangever.
23. Uit de vaststellingen van het hof volgt dat de aangever, na het lossen van het eerste schot door het raam, de kebabzaak verliet via een zij-uitgang aan de Hoogstraat. De aangever was voornemens de Korte Hoogstraat in te slaan, maar omdat vanuit die straat de verdachte aan kwam rennen, besloot de aangever richting de Korenmarkt te gaan. Binnen die momenten schoot de verdachte richting de aangever. Het hof stelt, op basis van het zeer korte tijdsbestek, vast dat de verdachte (vrijwel) direct heeft geschoten op het moment dat hij de aangever in de Korte Hoogstraat zag. De kogel belandde in de schoen van omstander [slachtoffer 2], die zich toen zeer dicht bij de rennende aangever bevond. De verdachte is hierna achter de aangever aangerend, waarbij hij het vuurwapen op hem gericht hield en het vuurwapen doorlaadde.
24. De verdediging heeft in hoger beroep het verweer gevoerd dat ook hier het voorwaardelijk opzet op de dood niet bewezen kan worden. Daartoe is onder meer naar voren gebracht dat het moment waarop werd geschoten niet is vastgelegd op beeld, dat het forensisch onderzoek ter plaatse geen schietrichting heeft uitgewezen en dat uit de locatie van dit schot – de schoenzool van [slachtoffer 2] – en het gegeven dat de verdachte zich toen zeer dicht langs [slachtoffer 2] bewoog, kan worden afgeleid dat de verdachte naar beneden heeft geschoten.
25. Het hof is de verdachte niet gevolgd in zijn verklaring dat hij dit tweede schot bewust laag zou hebben gericht en komt tot de conclusie dat de gedragingen van de verdachte erop duiden dat hij heeft volhard in zijn opzet op de dood van de aangever. Daarbij heeft het hof betrokken dat de verdachte de aangever na het eerste schot op het raam weer heeft opgezocht en direct op hem heeft geschoten toen hij hem zag, en dat hij vervolgens – met het vuurwapen gericht op de aangever – achter hem is aangerend en zijn wapen daarbij doorlaadde.
26. De stellers van het middel menen dat het oordeel dat (ook) in dit verband sprake is van opzet op de dood, in het bijzonder de daaraan ten grondslag liggende overweging dat de verdachte het wapen niet bewust naar beneden heeft gericht, onbegrijpelijk is, dan wel ontoereikend gemotiveerd. De vaststelling van het hof dat de verdachte met het vuurwapen gericht op de aangever achter hem is aangerend en het wapen heeft doorgeladen, kan die overweging volgens de stellers van het middel niet dragen, omdat – zoals ook in hoger beroep door de verdediging is betoogd – een en ander plaatsvond ná het betreffende schot.
27. Dat het hof de verklaring van de verdachte dat hij bewust richting de grond heeft geschoten niet aannemelijk acht, kan ik goed volgen in het licht van het geheel aan vaststellingen die het hof heeft gedaan en de daartoe gebezigde bewijsmiddelen. Daaruit blijkt namelijk niet alleen dat de verdachte ná het geloste schot de verdachte achterna bleef rennen en daarbij het vuurwapen richtte op de aangever, maar tevens dat de verdachte en de aangever aan het rennen waren toen de verdachte schoot, dat hij geen geoefend schutter was en dat hij kort hiervoor nog gericht op de aangever had geschoten door de ruit van de kebabzaak. Dit alles in samenhang bezien maakt ‘s hofs verwerping van het door de verdediging geschetste scenario en daarmee het oordeel dat de verdachte heeft gehandeld met het voorwaardelijk opzet op de dood van de aangever, allerminst onbegrijpelijk.Dat oordeel is ook voldoende gemotiveerd.
28. Het middel faalt in beide onderdelen.