Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Slotsom
4.Beslissing
1 december 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft het gooien van een brandende vuurwerkbom op het dak van een dienstmotorvoertuig van de Mobiele Eenheid te Rotterdam, waarbij de verdachte werd verdacht van opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan een inzittende politieambtenaar.
De bewezenverklaring van het hof steunde op diverse proces-verbalen van bevindingen, getuigenverklaringen, forensisch onderzoek en verklaringen van de verdachte zelf, waaruit bleek dat de verdachte bewust een zwaar vuurwerkbom had gegooid zonder zich te vergewissen of er iemand in het voertuig zat. De verdediging voerde aan dat geen sprake was van opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, omdat de ME-bus gepantserd is en het niet vaststaat welk type vuurwerk het was.
Het hof oordeelde dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans had aanvaard dat door de explosie zwaar lichamelijk letsel zou ontstaan. De Hoge Raad stelt echter dat het hof zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd, met name omdat het niet aannemelijk is dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de inzittende zwaar letsel zou oplopen, mede gezien de aard van het voertuig en de onzekerheid over het type vuurwerk.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en de strafoplegging voor zover het betrekking heeft op het tenlastegelegde feit van opzet op zwaar lichamelijk letsel en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering omtrent voorwaardelijk opzet en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.