Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
op het daarvoor in aanmerking komende tijdstipde onevenredigheid kende of behoorde te kennen tussen zijn belang en dat van degenen die door de uitoefening ervan werden geschaad. [16]
onherroepelijkbesluit nodig is, zoals in dit geval in verband met de ontbindende voorwaarde in de koop-/aannemingsovereenkomsten en de bedingen in hypotheekoffertes van de kopers, die meebrachten dat er op korte termijn onherroepelijke omgevingsvergunningen moesten zijn, bieden deze mogelijkheden geen uitkomst. Daar komt dan nog bij dat niet zeker is of de organisatie van de bestuursrechtelijke gerechten erop is ingesteld om in gevallen van mogelijk misbruik van procesrecht in de onderlinge verhouding tussen twee belanghebbende burgers steeds snel een beslissing te geven, al dan niet op verzoek. [41]
moetplaatsvinden, in die zin dat de eiser die een vordering als de onderhavige bij de burgerlijke rechter instelt, daarin niet-ontvankelijk wordt verklaard.
onnodigdient te worden opgehouden.
onder 1.2. Onder 1.1 bevat het onderdeel geen klacht.
Onder 1.3voert het onderdeel aan dat het hof bij de vraag of sprake is van misbruik van bevoegdheid, had moeten toetsen aan de factoren die zijn ontleend aan het arrest […] / […] , waaraan de voorzieningenrechter de vordering ook heeft getoetst (rov. 4.13 van zijn vonnis).
Onder 2.2voert het onderdeel aan (onder 2.1 bevat het onderdeel geen klacht) dat de verwijzing in rov. 4.8.2 naar het verloop van de bezwaarprocedure niet bijdraagt aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof, omdat dit verloop niets zegt over de vraag of het beroep kans van slagen zou hebben. In de bezwaarfase ging het om andere bezwaren. Het bezwaar van de Stichting over de gelijktijdige ontwikkeling van woningbouw en groenvoorzieningen achtte de bezwaarschriftcommissie juist ongegrond. Bovendien miskent het hof met deze verwijzing dat in de bezwaarfase een heroverweging plaatsvindt op doel- en rechtmatigheid, terwijl in beroep slechts een zuivere rechtmatigheidstoetsing plaatsvindt.
uit het beginnen en het verloop van de bezwaarschriftprocedureniet kan worden afgeleid dat de Stichting tegen beter weten in een kansloze procedure tegen de omgevingsvergunningen aan het voeren was, die niets van doen had met haar statutaire doelstellingen. Op
het instellen van het beroepgaat het hof in die rechtsoverweging en die zin niet in. Overigens draagt hetgeen het hof in die rechtsoverweging en die zin overweegt, wel enigszins bij aan zijn oordeel over het instellen van het beroep, nu het zinvol instellen van bezwaar allicht een zekere (maar niet doorslaggevende) aanwijzing vormt dat ook zinvol beroep is ingesteld.
moetworden verleend (dus verlening verplicht is). Tot de weigeringsgronden die art. 2.10 lid 1 Wabo noemt, behoren dat de aanvraag niet voldoet aan het Bouwbesluit 2012, de bouwverordening, het bestemmingsplan, een exploitatieplan of de eisen van welstand. Het zal duidelijk zijn dat beoogd is met dit stelsel de rechtszekerheid te dienen: er bestaat vooraf duidelijkheid op welke gronden wel en niet een vergunning kan worden geweigerd en wanneer een vergunning dus moet worden verleend. [53]
Samenwerkings‐ en
Uitvoerings
overeen
komst [plaats] ; hierna: SUOK) heeft gesloten.”
3.4. Toelichting op artikel 4: Regels Pro met betrekking tot de koppelingen tussen werken, werkzaamheden en bouwplannen
borgendat de realisering van het structureel groen en water parallel loopt met de realisering van de woongebieden” (cursivering toegevoegd).
gerealiseerd(en dat
dítniet is gebeurd). GEM c.s. hebben daarentegen aangevoerd dat uitsluitend de
ontwikkelingvan beide parallel moet verlopen volgens art. 4.3 van het exploitatieplan en dus niet de realisatie van beide (stelling (c) die onder 2.3 van het onderdeel wordt genoemd). Uit hetgeen hiervoor uit de toelichting is aangehaald, volgt dat het gelijk bij GEM c.s. ligt. Het gaat erom dat de
ontwikkelingvan woongebieden en groenvoorzieningen in samenhang plaatsvindt (er wordt vrijwel steeds over de ‘ontwikkeling’ gesproken en op het belang van de samenhang dáárbij wordt als gezegd gewezen op p. 12 eerste alinea onder het kopje ‘Ontwikkeling structureel groen en water’ en op p. 16 eerste zin onder 3.4). Daarvoor is niet nodig dat ook de realisatie parallel loopt, zij het dat het in dit verband nogal voor de hand ligt om te eisen dat de ontwikkeling in elk geval zover is dat ook met de realisatie is of kan worden begonnen (daarmee staan de gemaakte plannen immers feitelijk wel vast, nu men zonder plan niet goed werkzaamheden kan uitvoeren).
gelijktijdigerealisatie vereist is).
begonnen(zie hiervoor in 2.1 onder (viii)). Op deze motivering is door GEM c.s. (dan ook) mede een beroep gedaan in dit geding en wordt ook bij de klacht mede een beroep gedaan (zie hiervoor in 3.30 eerste alinea).
gerealiseerd,onmiskenbaar niet juist is, en dat voldoende is dat de ontwikkeling van woongebieden en groenvoorzieningen parallel plaatsvindt, waarvoor volstaat dat de werkzaamheden zijn aangevangen (zie hiervoor in 3.40 en 3.41). De Stichting heeft niet bestreden – niet in deze procedure en, als ik goed zie, evenmin in het bij de bestuursrechter ingediende beroepschrift – dat, zoals in de motivering van de vergunningen is vermeld, aan deze eis in dit geval is voldaan, om de daarin genoemde reden. In het licht van een en ander is niet zonder meer begrijpelijk dat het hof in rov. 4.8.2 overweegt dat onvoldoende aannemelijk is dat het standpunt van de Stichting over de uitleg en de invulling van de eis van parallelle ontwikkeling van woningbouw en groenvoorzieningen, kant nog wal raakt. Er is immers geen andere conclusie mogelijk dan dat de uitleg en de invulling van die eis door de Stichting onmiskenbaar onjuist is.