ECLI:NL:RVS:2018:1636
Raad van State
- Hoger beroep
- A.W.M. Bijloos
- A.B.M. Hent
- D.J.C. van den Broek
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkverklaring Wob-verzoek wegens misbruik van recht
Bij besluit van 13 augustus 2015 wees het college van burgemeester en wethouders van Den Haag een Wob-verzoek van appellant af, omdat de gevraagde informatie reeds openbaar was en sommige documenten vernietigd waren. Het bezwaar werd ongegrond verklaard en de rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelde het hoger beroep en oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het ontbreken van stukken zijn belangen schaadde. De rechtbank trad niet buiten de geschilomvang en handelde niet in strijd met hoor en wederhoor, aangezien appellant en zijn gemachtigde niet verschenen waren bij de zitting.
De Afdeling stelde vast dat het Wob-verzoek was ingediend door een gemachtigde namens appellant, zonder dat er sprake was van een juridisch geschil of overleg over het verzoek. De machtiging aan de gemachtigde was zeer ruim en bood ruimte voor incasso van dwangsommen en proceskostenvergoedingen, hetgeen leidde tot de conclusie dat het verzoek was gedaan met het doel om financiële aanspraken tegen de overheid te incasseren. Dit werd aangemerkt als misbruik van recht.
De Afdeling bevestigde dat het recht op toegang tot de rechter beperkt mag worden indien dit niet in essentie het recht schaadt en proportioneel is. De niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens misbruik van recht was daarmee gerechtvaardigd en niet in strijd met artikel 6 EVRM Pro. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard wegens misbruik van recht en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep bevestigd.