Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Juridisch kader: de regelgeving
A. Internationale regelgeving
Article 1. Object and Purpose
Artikel 1
algemene doorvoervergunning: een bij ministeriële regeling verleende toestemming aan in Nederland gevestigde beschikkingsbevoegden voor de doorvoer van militaire goederen door Nederland;
algemene uitvoervergunning: een bij ministeriële regeling verleende toestemming aan in Nederland gevestigde beschikkingsbevoegden voor de uitvoer van militaire goederen uit Nederland naar een derde land;
beschikkingsbevoegde: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die bevoegd is over militaire goederen te beschikken;
In het belang van Nederland(TK 33 763, nr. 1: https://www.defensie.nl/downloads/
Artikel 8
4.Rechterlijke toetsing van overheidsbeleid
beoordelingsruimtewordt gedoeld op de ruimte die aan de Staat kan worden toegekend bij de kwalificatie van de feitelijke omstandigheden van het geval. Beoordelingsruimte kan veelal worden afgeleid uit de wet. De wetgever kan aan het bestuursorgaan expliciet beoordelingsruimte toekennen, bijvoorbeeld door het gebruik van de zinsnede ‘naar het oordeel van’ of door het gebruik van subjectief-vage begrippen die normatief-evaluerend zijn in plaats van feitelijk-descriptief, zoals de woorden ‘strikt noodzakelijk voor de bescherming van de nationale veiligheid’. [29] Het gebruik door de wetgever van een subjectief-vaag begrip is weliswaar niet doorslaggevend voor het oordeel dat beoordelingsruimte bestaat, maar het is hiervoor wel een indicatie. [30] Bij beoordelingsruimte gaat het om de beantwoording van de vraag of in het concrete geval aan de voorwaarden voor de rechtmatige uitoefening van een bevoegdheid of een recht is voldaan. Hier komt (in beginsel) geen afweging van belangen aan te pas. [31] Indien sprake is van beoordelingsruimte, mag de rechter zijn eigen oordeel over de kwalificatie van de feiten niet in de plaats stellen van het oordeel van het bestuursorgaan en moet hij bij zijn toetsing terughoudend zijn.
beleidsruimtewordt de ruimte van het bestuursorgaan bedoeld om van de aan hem toegekende bevoegdheid gebruik te maken. Spier heeft hierover opgemerkt:
IS-reizigersheeft A-G Valk drie gradaties van beslissingsruimte onderscheiden, corresponderend met drie gradaties in de intensiteit van rechterlijke toetsing. [39] Daarbij moet, zoals A-G Valk ook heeft opgemerkt, de beleids- en beoordelingsruimte in de praktijk van geval tot geval worden vastgesteld en is de toetsingsintensiteit contextgebonden en een kwestie van ‘meer of minder’. Deze indeling maakt niettemin op hoofdlijnen inzichtelijk hoe de beslissingsruimte de toetsingsintensiteit beïnvloedt. De eerste categorie betreft beleidsterreinen waar de Staat niet meer dan een relatief beperkte beleids- en beoordelingsruimte heeft en waar de rechter het optreden van de Staat zonder terughoudendheid toetst, bijvoorbeeld in het geval van overheidsaansprakelijkheid voor gebrekkig weg- en waterbeheer. De tweede categorie betreft beleidsterreinen waarop de Staat grote beleids- en beoordelingsruimte toekomt en waarbij de rechter terughoudend toetst door te onderzoeken of de Staat in redelijkheid tot zijn handelen heeft kunnen komen. Het gaat bij deze categorie onder meer om het huisvestingsbeleid en de handhaving van de openbare orde, waarbij de Staat steeds genoodzaakt is keuzes te maken tussen conflicterende belangen. De derde categorie betreft beleidsterreinen waar de overheid zeer grote beleids- en beoordelingsruimte toekomt, hetgeen volgens A-G Valk resulteert in een
extraterughoudende toetsing door de rechter. In deze categorie valt het beleid van de Staat op het gebied van buitenlandse politiek en defensie, waar sterk politiek getinte keuzes moeten worden gemaakt. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad heeft de rechter dan ook de opdracht om het beleid van de Staat op dit terrein (zeer) terughoudend te toetsen. Ik geef een kort overzicht van deze rechtspraak.
Kruisraketten-zaak uit de jaren tachtig van de vorige eeuw kan hierbij als beginpunt worden aangemerkt. Deze zaak betrof de beslissing van de regering om over te gaan tot de plaatsing van kruisraketten op Nederlands grondgebied op basis van een door de Staten-Generaal goedgekeurd verdrag met de Verenigde Staten. De ‘Stichting Verbiedt de Kruisraketten’ vorderde in rechte (onder meer) een verbod van plaatsing. De rechtbank verklaarde zich onbevoegd en overwoog daartoe:
nietonbevoegd was. Het hof volgde daarbij de reeds in 1915 door de Hoge Raad aanvaarde
objectum litis-leer. [41] Deze leer houdt in dat de burgerlijke rechter steeds bevoegd is om van een geschil kennis te nemen als de eiser bescherming of nakoming van een civielrechtelijke aanspraak eist. Of het geschil in werkelijkheid publiekrechtelijk van aard is, doet niet ter zake. Het hof overwoog echter ook dat de rechter verdragen niet mag toetsen aan geschreven of ongeschreven regels van volkenrecht en oordeelde dat deze toetsing is voorbehouden aan regering en parlement. De Hoge Raad oordeelde anders en overwoog:
Kernwapens-arrest [45] ging de Hoge Raad wél in op de rol van de rechter bij de toetsing van politieke besluitvorming op het gebied van buitenlandse politiek en defensie. In deze zaak werd een verklaring voor recht gevorderd dat het de Staat verboden is iedere medewerking te verlenen aan inzet van kernwapens, waarbij eisers zich beriepen op de beginselen van het internationaal humanitair recht. Het hof had de vordering van eisers niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende concreet belang, omdat niet was gebleken dat er sprake was van een reële en geconcretiseerde dreiging dat de kernwapens zouden worden ingezet. De Hoge Raad liet die uitspraak in stand. Over de rol van de rechter bij de toetsing van overheidsbeleid op het gebied van buitenlandse politiek en defensie, heeft de Hoge Raad overwogen:
Kernwapens-arrest grotendeels herhaald. De zaak betrof een kort geding over de vraag of militaire acties gericht tegen de Federale Republiek Joegoslavië, waaraan Nederland in NAVO-verband deelnam, moesten worden aangemerkt als schendingen van internationaal humanitair recht die door de burgerlijke rechter verboden konden worden. Anders dan in het
Kernwapens-arrest, betrof de vordering in deze zaak niet slechts handelingen die ‘in de toekomst zouden kunnen worden verricht’, maar een oordeel over de rechtmatigheid van handelingen die hadden plaatsgevonden. Niettemin heeft de Hoge Raad ook hier overwogen dat de rechter een
grote matevan terughoudendheid aan de dag moet leggen bij de beoordeling van de vorderingen, waaraan hij heeft toegevoegd: ‘zeker indien het gaat om een kort geding’. Ik citeer de desbetreffende overweging:
war on terror, waarbij geweld wordt gebruikt. Eiseressen hadden een beroep gedaan op het geweldverbod van art. 2 lid 4 VN Pro-Handvest en op art. 90 Gw Pro, dat bepaalt dat de regering de ontwikkeling van de internationale rechtsorde bevordert. De Hoge Raad heeft overwogen:
kernwapens) en 2002 (
militaire actie in Joegoslavië), spreekt de Hoge Raad in het arrest van 6 februari 2004 niet van ‘een grote mate van terughoudendheid’. Uit de hierboven geciteerde overweging zou kunnen worden afgeleid dat het handelen van de Staat door de rechter wél kan worden getoetst aan rechtsnormen wanneer deze concreet bepalen op welke wijze de Staat uitvoering moet geven aan zijn bevoegdheid. [49]
IS-reizigers. Daarin ging het om de vraag of de Staat verplicht was zich in te zetten voor de repatriëring van IS-vrouwen en kinderen uit Noord-Syrië. De Hoge Raad heeft het uitgangspunt herhaald dat de rechter zich bij beoordeling van het beleid van de Staat op het gebied van buitenlands beleid en – in dit geval – (nationale) veiligheid terughoudend moet opstellen. Ik citeer uit het arrest:
extraterughoudende toetsing. De Hoge Raad heeft tevens overwogen dat de omstandigheid dat belangen op het spel staan die door mensenrechtenverdragen worden beschermd, weliswaar moet worden betrokken bij de beoordeling of de Staat bij afweging van alle betrokken belangen heeft kunnen komen tot zijn handelswijze, maar dat die omstandigheid niet maakt dat een andere maatstaf moet worden aangelegd of dat de rechter zich minder terughoudend moet opstellen. [51] Wel ligt het op de weg van de Staat om zijn betoog voldoende te onderbouwen door gemotiveerd feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit kan volgen dat hij in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen. [52]
Harderwijk-uitspraak uit 2022 overwogen dat:
Harderwijk-uitspraak gaat over de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel van besluiten van bestuursorganen waarbij het bestuursorgaan een zekere mate van beleidsruimte heeft. Op grond van de schakelbepaling van art. 3:1 lid 2 Awb Pro geldt het evenredigheidsbeginsel ook voor andere handelingen van bestuursorganen dan besluiten, voor zover de aard van de handelingen zich daartegen niet verzet. Het is verdedigbaar dat ook de burgerlijke rechter de
Harderwijk-uitspraak tot uitgangspunt moet nemen bij de toetsing van overheidshandelen aan het evenredigheidsbeginsel. [55] Tjepkema e.a. stellen echter dat, hoewel de mate van aantasting van grondrechten normaal gesproken wel aanleiding is om indringender te toetsen, de drempel voor rechterlijke correctie op het gebied van buitenlands en veiligheidsbeleid bijzonder hoog is, zelfs als grondrechten of rechtsbeginselen in het geding zijn. [56]
makenvan politieke afwegingen is immers niet aan hem. [58] De rechter kan wél de door de overheid gemaakte afwegingen beoordelen, maar moet ook daarbij terughoudend zijn en de beleids- en beoordelingsruimte van de politiek respecteren. De terughoudende rechterlijke toetsing heeft ook een praktische component: zij hangt veelal samen met de geheime of vertrouwelijke aard van de informatie waarop het overheidshandelen wordt gebaseerd en die niet of beperkt door de rechter kan worden getoetst. Ook Fleuren wijst hierop:
IS-
reizigers-arrest is de Hoge Raad ook ingegaan op de vertrouwelijke aard van informatie die ten grondslag ligt aan buitenlands beleid. De Hoge Raad heeft overwogen dat de omstandigheid dat de beslissing van de Staat betrekking heeft op de (nationale) veiligheid en buitenlands beleid, meebrengt dat van de Staat niet kan worden gevergd dat hij steeds nauwkeurig inzicht geeft in de gegevens, omdat die een zodanig vertrouwelijk karakter kunnen hebben dat de Staat die gegevens in een procedure niet naar voren kan brengen. [60]
toetsingskader: wanneer de normen vaag zijn geformuleerd en veel beleids- en/of beoordelingsruimte bieden aan de overheid, moet de rechter het optreden van de overheid (zeer) terughoudend toetsen. Zijn er daarentegen wél concrete, bruikbare toetsingscriteria voorhanden die de beslissingsruimte van de overheid inperken of zelfs uitsluiten, dan zal de rechter het overheidshandelen indringender kunnen toetsen, [64] óók wanneer dit handelen zich afspeelt op het terrein van buitenlandse politiek en defensie. In deze visie, die onder meer wordt verdedigd door Tjepkema c.s., [65] zijn normen op het gebied van defensiepolitiek dus niet categorisch ongeschikt als toetsingsgrond en is het aan de rechter om via uitleg te bepalen of een norm concreet genoeg en bruikbaar is om het overheidsoptreden daaraan te toetsen.
war on terrorheeft de Hoge Raad gewezen op het ontbreken van rechtsnormen die bepalen op welke wijze uitvoering moet worden gegeven aan de algemene grondwettelijke instructie aan de Nederlandse regering om de internationale rechtsorde te bevorderen. Bij gebrek aan normen die geschikt zijn voor rechterlijke toetsing, is de rol van de rechter beperkt.
binnen de grenzenvan zijn beleids- en beoordelingsruimte. Die grenzen worden bepaald door het recht. Ook op het gebied van buitenlandse en defensiepolitiek is het mogelijk dat het recht – bijvoorbeeld op grond van internationale regelgeving – ten aanzien van een specifiek onderwerp normen bevat die de beleids- en/of beoordelingsruimte van de Staat beperken of zelfs uitsluiten en die de rechter voldoende concrete en bruikbare juridische maatstaven bieden om het overheidsoptreden ‘vol’ te toetsen. Of daarvan sprake is, is een kwestie van uitleg die is voorbehouden aan de rechter.
5.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
Onderdeel 1klaagt dat er geen verplichting bestaat tot herbeoordeling op grond van het EUGS, het Wapenhandelsverdrag of de Geneefse Conventies.
Onderdeel 2sluit hierop aan met het betoog dat in het geval van ‘vrijwillige’ herbeoordeling geen verplichte toetsing aan dwingende criteria, zoals art. 2 lid Pro 2, onder c, EUGS, moet plaatsvinden.
Onderdeel 3betoogt dat Oxfam Novib c.s. geen beroep kunnen doen op het Bsg en AV009, en evenmin op het EUGS en het Wapenhandelsverdrag.
Onderdeel 4klaagt dat het hof heeft miskend dat in dit geval aan de Staat een grote, althans een zekere, beleids- en beoordelingsruimte toekomt.
Onderdeel 5bevat klachten van verschillende aard.
Onderdeel 1.2klaagt dat het hof in rov. 5.27 heeft miskend dat het EUGS en het Wapenhandelsverdrag de lidstaten niet voorschrijven hoe de herbeoordeling eruit moet zien. Die herbeoordeling laat ruimte voor een bredere afweging, waarbij ook aan andere criteria dan art. 2 lid Pro 2, onder c, EUGS kan worden getoetst. De weigeringsgrond van art. 2 lid Pro 2, onder c, EUGS is in het geval van een herbeoordeling geen verplichte, dwingende weigeringsgrond om de verdere uitvoer onder de vergunning te beëindigen.
Onderdeel 1.3bouwt op deze onderdelen voort met de klacht dat de in de onderdelen 1.1 en 1.2 bestreden oordelen van het hof onbegrijpelijk zijn.
onderdelen 1.1 t/m 1.3stellen in de kern de vraag aan de orde of de Staat verplicht was om tot herbeoordeling van de verleende vergunning over te gaan. Deze onderdelen kunnen gezamenlijk worden besproken.
encouraged) om bij nieuwe relevante informatie en, indien van toepassing na overleg met de invoerende staat, een reeds verleende vergunning opnieuw te toetsen (
reassess). Naar aanleiding van de inwerkingtreding van het Wapenhandelsverdrag is in 2019 in het EUGS art. 1 lid Pro 1bis ingevoegd. Deze bepaling is gebaseerd op art. 7 lid 7 Wapenhandelsverdrag Pro en kent een vrijwel gelijkluidende tekst, met dien verstande dat hierin niet wordt gerefereerd aan voorafgaand overleg met de invoerende staat. Over art. 1 lid Pro 1bis EUGS is geen informatie opgenomen in de Gebruikersgids. Voor de uitleg van deze bepaling richt ik mij daarom met name op de uitleg van art. 7 lid 7 Wapenhandelsverdrag Pro aan de hand van de uitlegregels van art. 31-33 Weens Verdragenverdrag (hierna: WVV). [72] Voor de uitleg van het EUGS gelden met het WVV vergelijkbare Unierechtelijke uitlegmaatstaven, die ik verder buiten beschouwing laat. [73]
travaux préparatoires) en de omstandigheden waaronder het verdrag is gesloten. Deze aanvullende middelen kunnen worden gebruikt om de betekenis die voortvloeit uit de toepassing van art. 31 WVV Pro te bevestigen of de betekenis te bepalen indien het resultaat dat wordt bereikt door de primaire interpretatiemiddelen onduidelijk of dubbelzinnig is, dan wel ongerijmd of onredelijk.
encouraged to reassess’. Deze woorden – die ook in art. 1 lid Pro 1bis EUGS zijn gebruikt – duiden veeleer op een bevoegdheid voor de verdragsstaten om tot herbeoordeling over te gaan dan op een verplichting en daarmee op het bestaan van beleidsruimte. Het laatste zinsdeel van art. 7 lid Pro 7 – ‘
after consultations, if appropriate, with the importing State’ – wijst op de mogelijkheid om voorafgaand aan de herbeoordeling diplomatiek overleg te voeren met de importerende Staat. Deze zinsnede kan zo worden opgevat dat aan verdragsstaten diplomatieke manoeuvreerruimte (en dus beleidsruimte) wordt geboden. Uit onderzoek van de Arms Trade Treaty (ATT) Expert Group [74] volgt dat van deze mogelijkheid, waarmee wordt beoogd de dialoog tussen exporterende en importerende staten te bevorderen, in de praktijk slechts beperkt gebruik wordt gemaakt. [75]
onder alle omstandighedenslechts sprake is van een (vrijblijvende) aanmoediging tot herbeoordeling van reeds verleende vergunningen, laat zich moeilijk verenigen met het voorwerp en doel van dit verdrag. Art. 1 Wapenhandelsverdrag Pro bepaalt immers onder meer dat het verdrag tot voorwerp heeft ‘[d]e hoogst mogelijke gemeenschappelijke internationale standaard vast te stellen voor de regulering of verbetering van de regulering van de internationale handel in conventionele wapens’, met het doel bij te dragen aan de internationale en regionale vrede, veiligheid en stabiliteit en menselijk lijden te verminderen. In het licht van deze doelstellingen valt moeilijk in te zien dat een verdragsstaat in alle gevallen vrij zou zijn in zijn keuze om tot herbeoordeling van een reeds verleende vergunning over te gaan, met name wanneer sprake is van een vergunning die nog langere of zelf onbeperkte tijd doorloopt [77] en de situatie in de staat van bestemming is gewijzigd in die zin dat zich een duidelijk risico voordoet dat de uit te voeren wapens worden gebruikt voor ernstige schendingen van mensenrechten of internationaal humanitair recht.
Nicaragua v. Duitslandheeft Nicaragua aan het IGH voorlopige voorzieningen verzocht, gericht op het stopzetten van wapenleveranties door Duitsland aan Israël. Het IGH heeft in zijn
Order(tussenvonnis) van 30 april 2024 het verzoek afgewezen en de externe dimensie van (gemeenschappelijk) art. 1 Geneefse Pro Conventies herhaald en nogmaals benadrukt:
Legal Consequences of the Construction of a Wall in the Occupied Palestinian Territory, Advisory Opinion, I.C.J. Reports 2004 (I), pp. 199-200, para. 158). Such an obligation “does not derive only from the Conventions themselves, but from the general principles of humanitarian law to which the Conventions merely give specific expression” (
Military and Paramilitary Activities in and against Nicaragua (Nicaragua v. United States of America), Merits, Judgment, I.C.J. Reports 1986, p. 114, para. 220). With regard to the Genocide Convention, the Court has had the opportunity to observe that the obligation to prevent the commission of the crime of genocide, pursuant to Article I, requires States parties that are aware, or that should normally have been aware, of the serious risk that acts of genocide would have been committed, to employ all means reasonably available to them to prevent genocide so far as possible (
Application of the Convention on the Prevention and Punishment of the Crime of Genocide (Bosnia and Herzegovina v. Serbia and Montenegro), Judgment, I.C.J. Reports 2007 (I), pp. 221-222, paras. 430-431). Further, States parties are bound by the Genocide Convention not to commit any other acts enumerated in Article III (
ibid., p. 114, para. 168).
Ordervermeld dat Duitsland in de procedure erop heeft gewezen dat het Duitse wettelijk kader voorziet in een continue herbeoordeling van de vergunningen, gelet op de zeer veranderlijke omstandigheden ter plaatse. [82] Volgens haar verschilt de zaak tussen Nicaragua en Duitsland op dit punt van de onderhavige F-35-zaak, omdat de Nederlandse Staat – anders dan Duitsland – de verplichting tot constante herbeoordeling van een reeds verleende vergunning niet erkent:
Clear risk. A thorough assessment of the risk that the proposed export of military technology or equipment will be used in the commission of serious violations of international humanitarian law should include an inquiry into the recipient’s past and present record of respect for international humanitarian law, the recipient’s intentions as expressed through formal commitments and the recipient’s capacity to ensure that the equipment or technology transferred is used in a manner consistent with international humanitarian law and is not diverted or transferred to other destinations where it might be used for serious violations of this law.
travaux préparatoires. In het ontwerpverdrag van 26 juli 2012 [87] luidde de voorloper van art. 7 lid 7 Wapenhandelsverdrag Pro als volgt:
a contrarioworden afgeleid dat de herbeoordeling onder art. 7 lid 7 Wapenhandelsverdrag Pro zou moeten geschieden aan de hand van andere criteria dan die gelden voor de vergunningsaanvraag.
overriding risk’ (‘doorslaggevend risico’) in art. 7 lid 3 lijkt Pro te impliceren dat verdragsstaten moeten bepalen of het risico op de negatieve gevolgen van de wapenexport – te weten dat de wapens worden gebruikt om een ernstige schending van internationaal humanitair recht te plegen of te bevorderen – zwaarder weegt dan de mogelijkheid dat de wapenexport bijdraagt aan de vrede en veiligheid (art. 7 lid Pro 1, sub a, Wapenhandelsverdrag). [89] Hierbij zou gedacht kunnen worden aan de situatie waarin een staat het internationaal humanitair recht schendt, maar alleen met behulp van de ingevoerde wapens een einde kan maken aan genocide of een daad van agressie. [90] In de literatuur wordt betwijfeld of een dergelijk handelen onder het motto van ‘het doel heiligt de middelen’, de doelstellingen van het Wapenhandelsverdrag reflecteert. [91]
overriding risk’ is echter voor verschillende uitleg vatbaar. Zo hebben enige verdragsstaten aangegeven dat zij onder ‘
overriding risk’ verstaan dat het meer waarschijnlijk is dan niet dat het risico zich verwezenlijkt, of dat sprake is van een ‘
substantial risk’. Volgens deze staten levert het bestaan van dit risico een dwingende weigeringsgrond op en is er geen plaats voor een belangenafweging. [92] Casey-Maslen merkt hierover op:
overriding risk’ is voor de EU-lidstaten, die alle partij zijn bij het Wapenhandelsverdrag, van belang dat zij zijn gebonden aan het EUGS op grond waarvan zij wettelijk verplicht zijn om vergunningsaanvragen voor de uitvoer van conventionele wapens te beoordelen aan de hand van de acht criteria die worden genoemd in art. 2 EUGS Pro. Hoewel het EUGS reeds in 2008 en dus vóór de totstandkoming van het Wapenhandelsverdrag is aangenomen, hebben de EU en haar lidstaten meermaals verklaard dat de criteria uit het EUGS overeenkomen met de criteria uit het Wapenhandelsverdrag. Tijdens de Negende Conferentie over de uitvoering van het Wapenhandelsverdrag die in augustus 2023 in Genève werd gehouden, is namens de EU en haar lidstaten onder meer het volgende verklaard:
nietindien een duidelijk risico bestaat dat de uit- of door te voeren wapens worden gebruikt voor ernstige schendingen van mensenrechten of van internationaal humanitair recht in de zin van art. 2 lid Pro 2, onder c, EUGS. Dit criterium levert een dwingende weigeringsgrond op.
Recallingthe principles and provisions related to international human rights law and international humanitarian law, and to the promotion of responsible action by States, as contained in the Arms Trade Treaty adopted by the General Assembly on 2 April 2013, as well as in other relevant instruments,
Expresses its deep concernat the fact that arms transfers to those involved in armed conflicts may seriously undermine the human rights of civilians, especially women, children, the elderly, persons with disabilities and vulnerable groups;
Notes with alarmthat such arms transfers can have a seriously negative impact on the human rights of women and girls, who may be disproportionately affected by the widespread availability of arms, as it may increase the risk of sexual and gender-based violence, and may also contribute to the recruitment and use of children in armed conflicts;
Urgesall States to refrain from transferring arms to those involved in armed conflicts when said States assess, in accordance with their applicable national procedures and international obligations and standards, that such arms are sufficiently likely to be used to commit or facilitate serious violations or abuses of international human rights law or international humanitarian law;
Invitesall relevant special procedures, commissions of inquiry and human rights treaty bodies to bear the present resolution in mind, within the framework of their respective mandates, when considering the situation of human rights in armed conflicts.’ [99]
onderdelen 1.1-1.3van het middel.
onderdeel 1.2dat het Wapenhandelsverdrag en het EUGS staten ruimte laten om bij het opnieuw beoordelen van een reeds verleende vergunning een bredere afweging te maken, waarbij ook wordt getoetst aan andere normen en/of criteria en waarbij staten niet gehouden zijn tot intrekking of wijziging van de vergunning wanneer een duidelijk risico blijkt te bestaan op ernstige schendingen van internationaal humanitair recht. Zoals ik hierboven heb geschreven, moet bij de herbeoordeling van een reeds verleende vergunning (in ieder geval) aan dezelfde criteria worden getoetst die gelden voor de beoordeling van een vergunningsaanvraag. De weigeringsgrond van art. 2 lid Pro 2, onder c, EUGS is ook in het kader van de herbeoordeling dwingend. Het feit dat elementaire regels van internationaal humanitair recht in het geding zijn die bescherming beogen te bieden tegen menselijk lijden, maakt dat de beleidsruimte voor de Staat is verdwenen. Wanneer deze weigeringsgrond zich voordoet, is de Staat verplicht de uit- en doorvoer van militaire goederen stop te zetten. Onderdeel 1.2 gaat dus uit van een onjuiste rechtsopvatting en faalt.
Urgenda-arrest heeft de Hoge Raad hierover het volgende overwogen:
mutatis mutandisook van overeenkomstige toepassing zijn op de uitleg door het hof van het Bsg en AV009. Het onderdeel bouwt, zoals het ook zelf aangeeft, voort op onderdelen 1.1 t/m 1.3, zodat het onderdeel geen bespreking behoeft. Het onderdeel deelt het lot van de onderdelen 1.1 t/m 1.3 en faalt.
verlenenvan een exportvergunning van militaire goederen te verbieden voor zover een duidelijk risico bestaat dat deze goederen worden gebruikt bij het plegen van ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht (zoals volgt uit art. 2 lid Pro 2, onder c, EUGS) althans voor zover sprake is van een doorslaggevend risico daarop (zoals volgt uit art. 7 lid 3 Wapenhandelsverdrag Pro), aldus het onderdeel.
jegens een anderverplicht is iets te geven, te doen of na te laten, daartoe door de rechter, op vordering van de gerechtigde, wordt veroordeeld. Uit de woorden ‘jegens een ander’ blijkt dat het relativiteitsvereiste, waaraan moet zijn voldaan voor aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad op de voet van art. 6:162 BW Pro en dat voor schadevergoedingsacties nader is uitgewerkt in art. 6:163 BW Pro, ook geldt bij het rechterlijk bevel en verbod. [107] Over het onderscheid tussen het relativiteitsvereiste voor schadevergoedingsacties en voor het rechterlijk bevel en verbod merkt Van der Helm op:
Urgenda-arrest, waarin zij stellen dat bij verbods- en bevelacties volstaat dat de gedaagde jegens de eiser een rechtsplicht heeft (art. 3:296 BW Pro) en dat de eiser voldoende belang heeft bij het voorkomen van een dreigende schending daarvan (art. 3:303 BW Pro). [109] Bij de vraag of aan het relativiteitsvereiste is voldaan bij ‘een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht’ – welke onrechtmatigheidscategorie in deze zaak aan de orde is – moet worden onderzocht wat het beschermingsbereik is van de wettelijke norm die is geschonden: strekt deze norm ertoe het belang te beschermen waarin de ander is of dreigt te worden aangetast? De zoektocht naar dat beschermingsbereik is veelal ingewikkeld. Het beschermingsbereik kan blijken uit de tekst, het doel en de strekking van de wettelijke norm. In de parlementaire geschiedenis kan zelden een aanwijzing voor het beschermingsbereik worden gevonden. [110] Bovendien wordt de (subjectieve) bedoeling van de wetgever, als die al kan worden achterhaald, niet altijd doorslaggevend geacht. [111] De rechtspraak laat zien dat ook andere gezichtspunten van belang kunnen zijn, zoals het systeem van het recht, waaronder begrepen de aard van het geschonden belang, de aard van de aansprakelijkheid, de (on)bepaaldheid van de groep potentieel benadeelden, de actuele maatschappelijke context, voortgeschreden inzichten en redelijkheid. [112] Ook A-G Hartlief wijst op de mogelijkheid dat de strekking en het beschermingsbereik van een regeling veranderen onder invloed van latere (maatschappelijke) ontwikkelingen. [113]
nietworden verleend (of onverminderd van kracht blijven) wanneer er sprake is van een duidelijk risico dat de militaire goederen in het land van bestemming gebruikt worden voor verkeerde doeleinden, wat tot uitdrukking wordt gebracht in de toetsingscriteria van art. 7 lid 3 Wapenhandelsverdrag Pro en art. 2 EUGS Pro. Door de incorporatie van deze internationaalrechtelijke normen in het Bsg bij de wijziging van dit besluit in 2015, althans door verdragsconforme uitleg van het Bsg en AV009, moet worden aangenomen dat met de nationale regels inzake de verlening en herbeoordeling van vergunningen voor de uitvoer van militaire goederen dezelfde doelen worden nagestreefd.
minimaalmoet worden geboden en laat toe dat het nationale aansprakelijkheidsrecht meer bescherming biedt. [120] Nu het nationale recht niet alleen het EUGS heeft geïncorporeerd, maar ook het Wapenhandelsverdrag, strekt het Bsg – zoals ik hierboven heb betoogd – mede tot bescherming van de belangen waarvoor Oxfam Novib c.s. stelt op te komen. Of (ook) is voldaan aan het Unierechtelijke relativiteitsvereiste kan daarom in het midden blijven.
Rookverbod-arrest heeft de Hoge Raad overwogen dat de vraag in hoeverre een verdragsbepaling ‘een ieder verbindend’ is en dus rechtstreekse werking toekomt, moet worden beantwoord door de uitleg daarvan. Daarbij moet in de eerste plaats worden gekeken naar de tekst en de totstandkomingsgeschiedenis van de verdragsbepaling. Wanneer die geen uitsluitsel bieden, is de inhoud van de bepaling beslissend, waarbij het erom gaat of de bepaling onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is om in de nationale rechtsorde, in de context waarin zij wordt ingeroepen, zonder meer als objectief recht te worden toegepast. [121]
nationaalrecht. Sommige auteurs spreken in dit verband van
indirecteof
middellijketoepassing (of indirecte werking) van de verdragsbepaling. Niet de verdragsbepaling maar de nationaalrechtelijke norm wordt immers (direct) toegepast. (…) De gemeenplaats dat de burger in rechte geen beroep kan doen op bepalingen die een ieder verbindende kracht missen, is dan ook misleidend. Indirect, namelijk ter ondersteuning van de door hem bepleite uitleg en toepassing van het nationaal recht, kan hij er wel degelijk argumenten aan ontlenen.’ [122] (voetnoten weggelaten, A-G)
European Regional Warehousein Woensdrecht invulling aan langlopende afspraken binnen het F-35-programma die toezien op betrouwbare doorlevering van Amerikaanse onderdelen aan alle partners binnen het programma. Direct ingrijpen in de werking van de Regeling Algemene vergunning NL009 is waarschijnlijk mogelijk op basis van artikel 8 van Pro die regeling maar zou het ongewenste gevolg hebben dat de doorlevering van F-35-onderdelen naar alle F-35-partnerlanden die gebruik maken van het
European Regional Warehouseaan een individuele vergunning wordt onderworpen. Het stopzetten van deze leveranties via ingrijpen op de algemene vergunning NL009 zou afbreuk doen aan de verwachtingen van alle F-35-partners en het belang een betrouwbare bondgenoot te zijn.
European Regional Warehouseter discussie zal komen te staan. Dit zal de inzetbaarheid van de Nederlandse F-35-vloot negatief beïnvloeden en kan gevolgen hebben voor de F-35-motorenonderhoudsfaciliteit die ook in Woensdrecht gesitueerd is. Het kan ook negatieve gevolgen hebben voor de deelname van Nederlandse bedrijven in het F-35-programma.
European Regional Warehousenaar Israël. Het kabinet doet op het moment nader onderzoek.
. Het besluit om niet in te grijpen op de werking van de Regeling Algemene vergunning NL009 is genomen op basis van de tweede nota(mijn curs., A-G)
.Daarnaast vindt u in de bijlages een informatienota van de Directie Juridische Zaken over internationaalrechtelijke aspecten van het gewapend conflict tussen Hamas en Israël en een door ons gevraagde juridische appreciatie van een uitspraak van Hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid Borell.
Het belang van de F-35 in de Israëlische regionale veiligheidsstrategie
Het disruptieve gevolg van ingrijpen op het functioneren van het ERW[European Regional Warehouse F-35, A-G]
De impact van ingrijpen op de relatie met F-35-partners
De negatieve consequenties voor de positie van het ERW
De beperkte materiële werking van ingrijpen
Politieke en diplomatieke actie
European Regional Warehousein Woensdrecht.
een beoordelingover rechtmatigheid echter beperkt en is terughoudendheid geboden. Informatie over de militaire doelen die werden beoogd bij een aanval zal immers voor buitenstaanders niet altijd beschikbaar zijn, omdat doelenselectie vaak gebaseerd is op (geheime) inlichtingen. Ook een burgerobject zou, door het gebruik van dit object voor militaire doeleinden, een militair doel kunnen worden en een aanval hierop zou derhalve rechtmatig kunnen zijn. Daarnaast is het aantal burgerslachtoffers dat bij een aanval valt alléén onvoldoende om een gefundeerd oordeel te kunnen vellen over de rechtmatigheid van een aanval. Hoge aantallen burgerslachtoffers onderstrepen wel de noodzaak van verder onafhankelijk onderzoek.
vastgestelddat de F-35 bij ernstige schendingen van het humanitair oorlogsrecht zijn betrokken.
duidelijk risico’ bestaat zoals criterium 2 van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexportcontrole omschrijft (gelet op luchtaanvallen die zijn uitgevoerd sinds 7 oktober 2023).
Commissions of Inquiry(Col) van de VN MRR bestaan naar het militair optreden van Israël, maar ook Hamas, o.a. tijdens de Gaza-oorlog van 2014 en 2021 en de protesten in Gaza in 2018. Die rapporten wijzen op schendingen van humanitair oorlogsrecht en mensenrechten door zowel Israël als Hamas. VN-onderzoeken naar gebeurtenissen van 2021 zijn nog niet afgerond;
nietdat de minister van oordeel was dat géén sprake is van een ‘duidelijk risico’, anders dan de Directie Juridische Zaken. Evenmin blijkt uit de stukken dat bij de beoordeling of moet worden ingegrepen in AV009 niet
konworden vastgesteld dat met de inzet van de F-35 een duidelijk risico bestaat op ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht. Uit de stukken volgt veeleer dat de minister, ondanks het bestaan van een ‘duidelijk risico’ in de zin van art. 2 lid Pro 2, onder c, EUGS, voorrang heeft gegeven aan andere belangen, zoals haar was geadviseerd door de Directie Veiligheidsbeleid van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Daarmee is de minister uitgegaan van een ‘onjuist beoordelingskader’ (zie rov. 5.37 van het bestreden arrest). Wanneer de minister correct had getoetst aan het criterium van art. 2 lid Pro 2, onder c, EUGS, had zij wél voorrang verleend aan dat dwingendrechtelijke voorschrift boven andere overwegingen van buitenlandpolitieke aard en had zij ingegrepen in de werking van AV009.
Onderdeel 5.1.2betoogt dat rov. 5.36 in tegenspraak is met rov. 5.28, waarin het hof heeft overwogen dat vaststaat dat de minister naar aanleiding van de gebeurtenissen na 7 oktober 2023 de vergunning opnieuw heeft beoordeeld en dat de minister ook heeft getoetst aan de criteria van het EUGS. Ook heeft het hof in rov. 5.33 overwogen dat de minister bij de herbeoordeling de criteria van art. 2 EUGS Pro heeft meegewogen en in rov. 3.15 dat de minister bij de afweging op grond van art. 8 AV009 heeft betrokken het eventuele risico dat de F-35-onderdelen gebruikt zouden kunnen worden bij ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht. Volgens het onderdeel is het oordeel van het hof innerlijk tegenstrijdig en is onvoldoende gemotiveerd het oordeel in rov. 5.36 dat niet blijkt dat de minister heeft getoetst aan het criterium of er een duidelijk risico bestaat dat de F-35 wordt gebruikt bij ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht. Verder is het oordeel van het hof onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd in het licht van de stellingen van de Staat, aldus het onderdeel.
vaststellenvan een dergelijke schending, maar om de vraag of een ‘duidelijk risico’ daarop bestaat. Volgens het hof is niet gebleken dat de minister aan dát criterium heeft getoetst. Het oordeel van het hof is niet tegenstrijdig en is evenmin onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, zodat het onderdeel faalt.
Onderdeel 5.2valt in twee subonderdelen uiteen en is gericht tegen het afwijzende oordeel van het hof in rov. 5.42 en 5.43 over het door de Staat gevoerde verweer dat de Staat doorslaggevend gewicht mocht toekennen aan drie belangen, waaronder het belang van de F-35 voor de veiligheid van Israël.
Onderdeel 5.2.1betoogt dat het oordeel van het hof in rov. 5.42 en 5.43 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Volgens het onderdeel heeft het hof met zijn oordeel dat een oorlog tegen landen of andere strijdersgroepen in de regio zich thans niet voordoet, miskend dat het had moeten uitgaan van de onbestreden stellingen van de Staat en is het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden. De Staat heeft immers gesteld: (i) dat het belang van de F-35 voor de veiligheid van Israël moet worden betrokken bij de beoordeling als bedoeld in art. 8 AV009; (ii) dat Israël is genoopt tot evacuatie van circa 100.000 inwoners uit het noorden van Israël in verband met de raketaanvallen vanuit Libanon, (iii) dat dreiging plaatsvindt vanuit Iran, Syrië en Jemen, (iv) dat de F-35 hiertegen bescherming biedt en voor de verdediging van Israël wordt gebruikt. Deze stellingen zijn door Oxfam Novib c.s. niet bestreden. Het onderdeel klaagt verder dat, voor zover het hof is uitgegaan van deze stellingen van de Staat, het hof een rechtens onjuiste, te beperkte uitleg heeft gegeven aan het begrip ‘oorlog’ en dat het oordeel van het hof dat geen sprake is van een oorlog tegen landen of andere strijdersgroepen onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Daaraan voegt het onderdeel nog toe dat het hof niet is ingegaan op de bredere vraag naar het belang van de F-35 voor de veiligheid van Israël ook zonder dat sprake is van een oorlog tegen landen of strijdersgroepen in de regio.
Onderdeel 5.2.2is gericht tegen rov. 5.48, 5.49 en het dictum. Het onderdeel betoogt dat het hof heeft miskend dat de stellingen van Oxfam Novib c.s. en de eigen overwegingen van het hof hooguit voldoende grond kunnen bieden voor het oordeel dat de Staat onrechtmatig handelt door niet de uitvoer te beletten van die F-35-onderdelen die worden gebruikt bij F-35 toestellen die in Gaza worden gebruikt. Volgens het onderdeel had het hof de reikwijdte van de (volgens het hof toewijsbare) vordering van Oxfam Novib c.s. tot het gebruik in Gaza moeten beperken.
Onderdeel 5.3is gericht tegen rov. 5.47, waarin het hof heeft onderkend dat de Staat erbij belang heeft dat Nederland zijn internationale verplichtingen jegens de VS nakomt, maar dat het belang bij naleving van de internationale verplichtingen van de Staat onder art. 1 van Pro de Geneefse Conventies zwaarder weegt. Het onderdeel betoogt dat dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Het hof heeft immers niet getoetst aan het EUGS, het Wapenhandelsverdrag of de Geneefse Conventies, maar aan het Bsg en AV009, zodat er geen sprake kan zijn van een door middel van een belangenafweging te beslechten conflict tussen internationale verplichtingen, aldus het onderdeel.
Onderdeel 5.4is gericht tegen rov. 3.12 en 5.25, waarin het hof heeft geoordeeld dat (gemeenschappelijk) art. 1 Geneefse Pro Conventies en art. 1 lid 1 Eerste Pro Aanvullend Protocol op staten een verplichting legt om in alle omstandigheden te verzekeren dat een andere staat in overeenstemming met het internationaal humanitair recht handelt. Het onderdeel betoogt dat dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting of onbegrijpelijk is, omdat deze bepalingen handelen over de situatie dat een staat op de hoogte is van ernstige schendingen van internationaal humanitair recht, terwijl het in deze zaak gaat om de situatie dat sprake is van een duidelijk risico op dergelijke schendingen. Het hof heeft miskend dat in het laatste geval uit de genoemde verdragsbepalingen geen verplichting tot intrekking of wijziging van een vergunning voor wapenleveranties volgt. Het gaat echter om een inspanningsverplichting van staten, waaraan het EUGS en het Wapenhandelsverdrag invulling geven. Waar het EUGS en het Wapenhandelsverdrag geen verplichting bevatten om gevolgen te verbinden aan een bestaande vergunning voor wapenleveranties bij een duidelijk ernstig risico op schending van internationaal humanitair recht, kan die verplichting dus ook niet op basis van art. 1 Geneefse Pro Conventies en het Eerste Aanvullend Protocol alsnog in het EUGS en het Wapenhandelsverdrag worden gelezen, aldus het onderdeel. Ook betoogt het onderdeel dat voor zover het hof in rov. 3.12 heeft bedoeld dat art. 1 Geneefse Pro Conventies en art. 1 Eerste Pro Aanvullend Protocol meer opleggen dan een inspanningsverplichting, dat oordeel rechtens onjuist is dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd.
Onderdeel 5.5klaagt over rov. 3.15, waarin het hof de overwegingen heeft weergegeven die de minister volgens het hof heeft betrokken bij haar afweging op grond van art. 8 AV009. Het onderdeel stelt dat die weergave onvolledig is, omdat het hof niet de stelling van de Staat heeft genoemd dat de minister ook de gevolgen voor de veiligheid van Nederland bij haar afweging heeft betrokken. Zodoende is dit oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd in het licht van de stellingen van de Staat, aldus het middel.
oordeelheeft gegeven, berust de klacht op een onjuiste lezing van de betrokken overweging, omdat daarin geen
oordeelis vervat. Voor zover het onderdeel bedoelt dat de
overwegingonvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd, merk ik het volgende op. Het hof heeft geoordeeld dat art. 2 lid Pro 2, onder c, EUGS een dwingendrechtelijke weigeringsgrond is: de uitvoer moet worden geweigerd als sprake is van een duidelijk risico op ernstige schendingen van internationaal humanitair recht. [132] Andere belangen, zoals nationale veiligheidsbelangen, zijn niet van invloed op de toepassing van dit criterium. [133] Hierboven heb ik betoogd dat dit oordeel juist is. Dat betekent dat de klacht dat de overweging van het hof onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd omdat het hof de stelling van de Staat dat het gebruik van AV009 van belang is voor de veiligheid van Nederland niet heeft genoemd, faalt bij gebrek aan belang. Daarbij komt dat uit de door de Staat in de procesinleiding genoemde vindplaatsen [134] blijkt dat de Staat zelf een direct verband legt tussen het belang bij het zijn van een betrouwbaar bondgenoot – welk belang door het hof in rov. 3.15 wordt genoemd onder (iii) – en de gevolgen hiervan voor de Nederlandse veiligheid. De klacht stuit ook hierop af.
Onderdeel 5.6is gericht tegen rov. 3.6, waarin het hof heeft geoordeeld dat de lidstaten van de Europese Unie in het EUGS zijn overeengekomen ‘dat zij de uitvoer van militaire goederen en technologie zullen toetsen aan de in het EUGS opgenomen normen’. Dit oordeel is onjuist omdat de lidstaten in het EUGS alleen zijn overeengekomen dat zij de bij hen ingediende aanvragen inzake uitvoervergunningen zullen toetsen aan de criteria van art. 2 EUGS Pro, waarbij de wetgeving van de lidstaten bepaalt in welke gevallen een uitvoervergunning is vereist, aldus het onderdeel.
oordeelgeen sprake. Met het toetsen van de wapenuitvoer aan de in het EUGS opgenomen normen, heeft het hof kennelijk bedoeld: het toetsen van (de mogelijke gevolgen van) de uitvoer aan de normen van het EUGS in het kader van de vergunningverlening, dan wel in het kader van de herbeoordeling van een reeds verleende vergunning. Dat het hof dit heeft bedoeld, volgt ook uit de overige overwegingen van het arrest. [135] De overweging van het hof is niet rechtens onjuist, zodat de klacht faalt.