Conclusie
1.Inleiding
Köln-Aktienfonds Deka [1] . Zij hebben ook geleid tot een prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 23 oktober 2020 [2] (
HR BNB 2021/73). De onderhavige procedure is het vervolg op deze prejudiciële beslissingen. Dit vervolg omvat een principaal beroep in cassatie van belanghebbende en een incidenteel beroep in cassatie van de staatssecretaris van Financiën (de Staatssecretaris).
HR BNB 2021/73is gesteld aan het verlenen van een teruggaaf van dividendbelasting aan een bbi. Deze voorwaarde is dat de bbi instemt met het doen van een betaling aan Nederland ter vervanging van de dividendbelasting die de bbi onder overigens dezelfde omstandigheden als een fbi zou hebben moeten inhouden en op aangifte afdragen over de gehele voor uitdeling beschikbare winst. Het is niet buiten redelijke twijfel of een betaling moet plaatsvinden aan Nederland, aldus het Hof. Naar zijn oordeel is het ook niet buiten redelijke twijfel of een betaling aan Nederland moet worden berekend over de gehele voor uitdeling beschikbare winst. Dit brengt het Hof ertoe belanghebbende niet tegen te werpen dat hij niet heeft ingestemd met het doen van een vervangende betaling. Het incidentele beroep van de Staatssecretaris richt zich tegen deze oordelen van het Hof. Het is ingesteld onder de voorwaarde dat de Hoge Raad het principale beroep gegrond acht.
HR BNB 2021/73. De aanleiding is dat deze vraag is gesteld aan partijen ter zitting van de Hoge Raad. De tweede vraag is of de vervangende betaling moet plaatsvinden aan Nederland. De derde, daaropvolgende vraag is of zij moet worden berekend over de gehele voor uitdeling beschikbare winst. De vierde en laatste vraag is of belanghebbende objectief vergelijkbaar is met een fbi op het punt van de dooruitdelingseis. Die vragen komen in deze volgorde aan bod. Daarmee ga ik eerst in op vragen die spelen in het incidentele beroep. Pas daarna behandel ik de vraag in het principale beroep. De reden is dat mijns inziens niet eerder kan blijken of belanghebbende belang heeft bij beantwoording van de vraag in het principale beroep dan nadat is gebleken wat het antwoord is op de vragen in het incidentele beroep. Om die reden abstraheer ik van de voorwaarde waaronder het incidentele beroep is ingesteld.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
Köln-Aktienfonds Dekaheeft het Hof van Justitie de tweede en de derde prejudiciële vraag van de Hoge Raad beantwoord. Daarop heeft de Hoge Raad de (aanvullende) prejudiciële vragen van de Rechtbank beantwoord in
HR BNB 2021/73. Voor het leesgemak vat ik – voor zover van belang – de antwoorden van
HR BNB 2021/73samen als volgt:
HR BNB 2021/73spitst het geschil zich toe op: (a) de voorwaarde van de vervangende betaling, (b) de dooruitdelingseis en (c) de aandeelhouderseisen. De Rechtbank heeft belanghebbende (in elk geval) in het ongelijk gesteld op het punt van de aandeelhouderseisen en de beroepen ongegrond verklaard.
HR BNB 2021/73niet meer inzicht geeft in de gedachtegang van de Hoge Raad waarom op dit punt is afgeweken van de conclusie(s) van A-G Wattel. Ik laat de Rechtbank aan het woord:
HR BNB 2021/73is niet in geschil dat belanghebbende niet voldoet aan de dooruitdelingseis volgens de Nederlandse regelgeving, maar is nog wel in geschil of het Unierecht meebrengt dat dit hem niet kan worden tegengeworpen. Ook op dit punt laat de Rechtbank in het midden of er redelijke twijfel is en ziet zij ervan af prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie.
HR BNB 2021/73. Dit komt voor zijn risico, aldus de Rechtbank.
acte claireof
acte éclairédat de vervangende betaling een betaling aan Nederland is. Het Hof acht integendeel het reële risico aanwezig dat rechters in andere lidstaten het Unierecht op dit punt verschillend uitleggen. Het Hof acht net zo min buiten redelijke twijfel of de vervangende betaling moet worden berekend over de wereldwinst. In onderdeel 6 van deze conclusie komen de aanknopingspunten voor die twijfel aan de orde.
3.Het geding in cassatie
drie klachten. [18]
daadwerkelijkmoet worden belast bij de participanten. Deze eis van daadwerkelijke belastingheffing wordt niet gesteld aan een fbi. Die eis mag dan ook niet worden gesteld aan een bbi. Het zou ongerijmd zijn dit wel te doen. In dat geval zou dubbele heffing ontstaan, namelijk de vervangende betaling door een bbi en de daadwerkelijke heffing bij de participanten. Daarmee ontstaat bovendien een verboden onderscheid ten opzichte van een fbi. Het zou moeten volstaan dat de belastingheffing ter zake van dividenden wordt verlegd naar de participanten. In dit geval voldoet het Duitse systeem daaraan, want het voorziet erin dat niet-uitgedeeld dividend wordt geacht te zijn uitgedeeld aan de participanten.
alleparticipanten moet worden belast. In de opvatting van het Hof kan een Duitse bbi met minstens één buiten Duitsland wonende of gevestigde participant nooit objectief vergelijkbaar worden geacht met een fbi op het punt van de dooruitdelingseis, terwijl een Duitse bbi met uitsluitend in Duitsland wonende of gevestigde participanten wel daarmee objectief vergelijkbaar kan worden geacht. Belanghebbende leidt uit (onder meer)
Orange European Smallcap Fund [19] af dat dit onderscheid naar de woon- of vestigingsplaats van de participanten in strijd is met het Unierecht.
Fidium Finanz [20] en
AllianzGI-Fonds AEVN [21] . Het Hof is ten onrechte voorbijgegaan aan dit alternatief in zijn twijfel of de vervangende betaling geschiedt aan Nederland.
verweerbrengt de Staatssecretaris in dat het Hof terecht niet is ingegaan op de mogelijkheid op verzoek als inhoudingsplichtige voor de dividendbelasting te worden aangewezen. Die mogelijkheid stuit af op het verbod op extraterritoriale heffing van dividend. [23] Hij brengt tegen de klachten in dat belanghebbende niet heeft ingestemd met het doen van een vervangende betaling, zodat het Hof niet de objectieve vergelijkbaarheid met een fbi heeft hoeven te beoordelen. Tevens brengt de Staatssecretaris daartegen in dat het Hof terecht ervan is uitgegaan dat een bbi (slechts) objectief vergelijkbaar is met een fbi op het punt van de dooruitdelingseis als de winst van een bbi volgens de in de lidstaat van vestiging toepasselijke regelgeving wordt geacht te zijn uitgedeeld en als zodanig wordt belast bij de participanten. De Staatssecretaris baseert dit standpunt op het hoofddoel van deze eis, namelijk het belasten van de winst van een fbi bij haar participanten. Voor het overige acht hij het bestreden oordeel van het Hof feitelijk en niet onbegrijpelijk.
Fidelity Fundshet oog heeft. Dit punt 84 gaat des te meer op voor Nederland, want meer nog dan het Deense stelsel streeft het fbi-regime consequent de gelijkstelling tussen direct en indirect beleggen na. Deze lezing van punt 84 vindt steun in de context van
Fidelity Funds. Het Deense stelsel beoogt het behoud van het Deense heffingsrecht ter zake van Deens dividend. Daarmee is niet in overeenstemming dat het voordeel van teruggaaf van Deense belasting kan worden gecompenseerd door heffing van niet-Deense belasting, zoals het geval is in de gedachtegang van het Hof. Die lezing vindt ook steun in de tekst van punt 84 van
Fidelity Funds, voor zover het spreekt over volledige medewerking van de betrokken instellingen. Als het Hof van Justitie een betaling aan de vestigingsstaat van de bbi zou hebben bedoeld, dan had het moeten spreken van volledige medewerking van (mede) de betrokken belastingautoriteiten van de andere lidstaat. Anders dan belanghebbende, ziet de Staatssecretaris geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.
ofin dezelfde lidstaat bij haar participanten wordt betrokken in de belastingheffing. Deze vereisten zijn niet cumulatief, maar alternatief. In Duitsland wordt de winst van belanghebbende geacht te zijn uitgekeerd. Daarnaast wordt in Duitsland zijn winst betrokken in de belastingheffing als ware de winst uitgekeerd. Het doet aan noch het een, noch het ander af dat in Duitsland de winst niet geheel wordt belast. Overigens wordt ook in Nederland niet de gehele voor uitdeling beschikbare winst bij de participant belast, bijvoorbeeld door de mogelijkheid van teruggaaf of vrijstelling. Wel slaagt het Duitse systeem beter dan het Nederlandse fbi-regime erin een min of meer gelijke belastingdruk te bereiken tussen directe en indirecte belegging.
L Fund [26] leidt belanghebbende af dat dit beroep alleen kan slagen als de participanten in een fbi systematisch worden belast en niet in aanmerking kunnen komen voor vrijstelling. Daaraan voldoet het fbi-regime niet doordat in veel gevallen teruggaaf of vrijstelling mogelijk is, zoals in het geval van een natuurlijke persoon wiens vermogen in box 3 minder bedraagt dan het heffingvrije vermogen of in dat van een pensioenfonds of niet-nijvere stichting. Omgekeerd is de winst van een fbi onderworpen aan de heffing van dividendbelasting, ongeacht of er dividendbelasting is ingehouden ten laste van de fbi. Daarnaast gaat het fbi-regime verder dan nodig is ter behoud van fiscale coherentie omdat dubbele heffing ontstaat bij de zogeheten u-bochtbelegger. Voorts kan fiscale coherentie worden gewaarborgd door een minder beperkend alternatief, namelijk wanneer participanten in een bbi in de lidstaat van vestiging een belasting betalen die gelijk is aan de belasting die participanten in een fbi betalen. Belanghebbende leidt uit
Fidelity Fundsen
L Fundaf dat dit alternatief is gericht op een betaling aan de lidstaat van vestiging van de bbi; althans, uit die arresten wordt niet duidelijk of het is gericht op een betaling aan de bronstaat. Als het al gaat om een betaling aan de bronstaat, leidt de voorwaarde van de vervangende betaling samen met de dooruitdelingseis tot dubbele heffing bij een bbi. Daarom is er niet daadwerkelijk sprake van rechtsherstel, aldus belanghebbende.
Fidelity Fundsaf dat de vervangende betaling plaatsvindt aan Nederland en wordt berekend naar Nederlandse maatstaven. Hij ziet deze uitleg bevestigd in
L Fund. Daarom is de gedachtegang van de Hoge Raad juist dat de voorwaarde van de vervangende betaling mag worden gesteld aan een bbi die aanspraak wenst te maken op teruggaaf van dividendbelasting. In dit geval heeft belanghebbende niet ingestemd met deze voorwaarde. Zijn aanspraak op teruggaaf stuit alleen al daarop af. Dan hoeft niet (meer) te worden beoordeeld of hij voldoet aan de aandeelhouderseisen en de dooruitdelingseis. Overigens heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat hij voldoet aan deze eisen. Zijn aanspraak op teruggaaf stuit ook daarop af. Belanghebbende heeft gesteld niet het bewijs te kunnen leveren dat hij voldoet aan de aandeelhouderseisen, maar dat komt voor zijn rekening en risico. Daaraan staat het Unierecht niet in de weg. Hij voldoet niet aan de dooruitdelingseis, want in Duitsland wordt niet de winst die vatbaar is voor uitdeling volgens Nederlandse maatstaven geacht te zijn uitgekeerd. Verder staat vast dat aldaar de winst die wel wordt geacht te zijn uitgekeerd, niet wordt belast bij alle participanten in belanghebbende. De Staatssecretaris acht het stellen van prejudiciële vragen niet nodig nu belanghebbende niet voldoet aan de aandeelhouderseisen en evenmin aan de dooruitdelingseis. Overigens zouden prejudiciële vragen hypothetisch van aard zijn omdat het Hof zijn uitspraak niet heeft gegrond op de voorwaarde van de vervangende betaling, aldus de Staatssecretaris.
HR BNB 2021/73volgt dat de vraag of de dooruitdelingseis verenigbaar is met het Unierecht, pas beantwoording behoeft nadat een bbi heeft ingestemd met het doen van de vervangende betaling. [27] Gelet daarop, lijkt het aangewezen het principale beroep te behandelen na het incidentele beroep in cassatie, waarin immers in geschil is of de voorwaarde van de vervangende betaling mag worden gesteld.
HR BNB 2021/73.
nietals voorwaarde mag worden gesteld, heeft belanghebbende belang bij de vraag of de dooruitdelingseis al dan niet verenigbaar is met het Unierecht. Blijkt daarentegen dat deze betaling
welals voorwaarde mag worden gesteld, dan heeft hij daarbij alsnog geen belang. [28] Blijft het in het midden of die betaling als voorwaarde mag worden gesteld of niet, dan blijft dus evengoed in het midden of belanghebbende belang heeft bij beantwoording van de vraag over de dooruitdelingseis.
HR BNB 2021/73beide partijen in cassatie ervan uitgaan dat de voorwaarde van de vervangende betaling voorafgaat aan de vraag of de dooruitdelingseis verenigbaar is met het Unierecht.
HR BNB 2021/73. Deze vraag bespreek ik hierna (zie onderdeel 4).
In vervolg op vragen ter zitting van de Hoge Raad: de betekenis van art. 27ge AWR
HR BNB 2021/73(ook) de Hoge Raad bindt, bepaalt dit namelijk (mede) het rechtskader voor de behandeling van beide beroepen in cassatie.
HR BNB 2021/73, waarin de Hoge Raad is teruggekomen van zijn beslissing dat – kort gezegd – een bbi niet objectief vergelijkbaar is met een fbi alleen al doordat de bbi niet in Nederland inhoudingsplichtig is voor de dividendbelasting. [32]
HR BNB 2002/395). In geschil was de premieplicht ten aanzien van in Nederland tewerkgestelde werknemers die volgens geldige detacheringsverklaringen van de Duitse bevoegde autoriteit vielen onder de socialezekerheidsregeling van Duitsland. In de tweede cassatieronde oordeelt de Hoge Raad dat de werknemers niet aan de socialezekerheidsregeling van Nederland kunnen zijn onderworpen zolang de detacheringsverklaringen geldig zijn. [34] Daarmee is hij teruggekomen van zijn oordeel in de eerste cassatieronde dat aan deze verklaringen niet het vertrouwen kan worden ontleend dat de belanghebbende geen premies is verschuldigd. [35] Zoals
HR BNB 2002/395leert, is daarvoor redengevend dat het latere oordeel wél (en het eerdere oordeel níet) overeenstemt met een inmiddels gewezen arrest van het Hof van Justitie. [36]
HR BNB 2021/73daarmee in strijd is. Die vraag is zowel opgekomen bij de voorwaarde van de vervangende betaling als bij de dooruitdelingseis. De vraag is welke betekenis art. 27ge AWR heeft in zo’n geval, waarin tussen partijen (en de feitenrechters) verschil van inzicht bestaat of de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad in overeenstemming is met het Unierecht. Voor het antwoord daarop beschouw ik art. 27ge AWR op zichzelf (zie 4.6-4.12) en in het licht van de rechtspraak van het Hof van Justitie (zie 4.13-4.20).
Rheinmühlen I [49] het eerste arrest waarin is beslist dat een nationale rechter zich mag (blijven) wenden tot het Hof van Justitie ongeacht het bindende oordeel van een hogere nationale rechter. Toen bleek dat Rheinmühlen goederen had geleverd naar lidstaten in plaats van naar derdelanden, besliste het Bundesfinanzhof tot terugbetaling van exportrestituties en verwees het geding naar het Hessische Finanzgericht. Deze rechter vroeg aan het Hof van Justitie of juist was dat Rheinmühlen slechts hoefde terug te betalen voor zover de restituties voor leveringen naar derdelanden die voor levering naar lidstaten overtroffen, [50] zoals het Bundesfinanzhof had beslist. In het beroep tegen de verwijzingsbeslissing vroeg het Bundesfinanzhof of diens bindende beslissing de bevoegdheid van het Finanzgericht beperkt om prejudiciële vragen te stellen. Het Hof van Justitie oordeelt van niet [51] en leidt dit af uit het toenmalige art. 177 EEG Pro (thans: art. 267 VWEU Pro):
dat dit artikel de nationale rechterlijke instanties de bevoegdheid verleent (…) tot een prejudiciële verwijzing, zodra de rechter ambtshalve of op verzoek van partijen vaststelt dat zich in het geding ten gronde een in de eerste alinea bedoeld punt voordoet;
dat hieruit volgt dat de nationale rechterlijke instanties de meest uitgebreide bevoegdheid bezitten zich tot het Hof van Justitie te wenden, indien zij menen dat een bij hen aanhangig geding vragen opwerpt welke een uitlegging (…) van bepalingen van Gemeenschapsrecht verlangen en ter zake waarvan zij een beslissing moeten nemen;
4 Overwegende dat uit deze beschouwingen volgt dat een nationale rechtsregel, welke de niet in hoogste ressort rechtsprekende instanties bindt aan rechtsoordelen van de hoogste rechter, die instanties niet de bevoegdheid vermag te ontnemen aan het Hof van Justitie vragen te stellen inzake de uitlegging van het Gemeenschapsrecht waarop zodanig rechtsoordeel betrekking heeft;
dat dit anders ware, indien de vragen van de niet in hoogste ressort rechtsprekende instantie materieel identiek zijn aan vragen welke reeds door de rechter in hoogste ressort zijn gesteld;
dat daarentegen de niet in hoogste ressort rechtsprekende instantie vrij moet zijn zich met haar vragen tot het Hof van Justitie te wenden, indien zij meent dat het rechtsoordeel van de hoogste rechter haar tot een met het Gemeenschapsrecht strijdig vonnis zou kunnen brengen;
dat, indien de niet in hoogste ressort rechtsprekende instanties zonder mogelijkheid van beroep op het Hof van Justitie gebonden zouden zijn, dit aan 's Hofs bevoegdheid om prejudiciële uitspraken te doen en aan de toepassing van het Gemeenschapsrecht op alle niveaus van de rechterlijke organisatie der Lid-Staten in de weg zou staan; (…).”
Rheinmühlen Ivolgt dat een nationale rechter zich mag (blijven) wenden tot het Hof van Justitie met een vraag over de uitleg van het Unierecht, hoezeer ook het daarop betrekking hebbende oordeel van de hoogste rechter deze rechter bindt naar nationaal recht. Het is “anders”, aldus het Hof van Justitie in dit arrest, als zo’n vraag materieel identiek is aan een vraag die de hoogste rechter aan het Hof van Justitie heeft gesteld. Ik maak uit
Rheinmühlen IIop dat dit niet zozeer een uitzondering is, maar veeleer een nuancering. In dat arrest handhaafde het Hessische Finanzgericht de vraag of – kort gezegd – het een prejudiciële vraag mag stellen na vernietiging van diens uitspraak door het Bundesfinanzhof en terugwijzing van het geding. Daarop beslist het Hof van Justitie hetzelfde als in
Rheinmühlen I, nadat het constateert dat deze vraag zakelijk identiek is aan die in dat arrest.
Rheinmühlen IInuanceert dat arrest in zoverre dat een nationale rechter een materieel identieke vraag kan intrekken; zolang hij dit niet doet, moet het Hof van Justitie daarop antwoorden. [52]
Elchinov [53] , waarnaar ook de memorie van toelichting bij het ontwerp voor de civiele prejudiciële procedure verwijst (zie 4.10). [54] Daaraan voegt
Elchinovtoe dat een nationale rechter ten gunste van het prejudiciële antwoord van het Hof van Justitie op een vraag van deze rechter het andersluidende oordeel van de hoogste rechter naast zich neer moet leggen. Hetzelfde geldt voor een regel van nationaal recht die deze rechter bindt aan dat oordeel. [55] Bij wijze van greep uit die vaste rechtspraak noem ik nog
DP grup [56] ,
Interedil [57] ,
Križan [58] ,
DPP [59] , en
RS [60] .
Melki en Abeli [61] , het andere arrest dat is aangehaald in de memorie van toelichting bij het ontwerp voor de civiele prejudiciële procedure (zie 4.10). Dat arrest gaat over de Franse regeling voor een prejudiciële beslissing van het Conseil constitutionnel op een vraag of een wettelijke bepaling grondwettig is. Deze regeling verplicht (onder meer) de Cour de Cassation zo’n vraag bij voorrang voor te leggen aan de constitutionele rechter, ook wanneer wordt aangevoerd dat een wettelijke bepaling niet in overeenstemming is met het Unierecht en daarom ongrondwettig is. [62] De cassatierechter vraagt of art. 267 VWEU Pro zich verzet tegen die regeling doordat zij hem belet de vraag of een wettelijke bepaling in strijd is met het Unierecht, zelf voor te leggen aan het Hof van Justitie. Na enkele vooropstellingen in punten 41-45 van
Melki en Abdeli, waarin het Hof van Justitie onder meer verwijst naar de in 4.14 aangehaalde overwegingen van
Rheinmühlen I, overweegt het als volgt:
HR BNB 2021/73strookt met het Unierecht. Deze vraag valt samen met de materiële geschilpunten in deze zaak. Dat brengt mij bij één van die geschilpunten, en wel over de voorwaarde van de vervangende betaling. Ik behandel die kwestie hierna.
5.Een vervangende betaling aan Nederland of niet?
HR BNB 2021/73volgt dat daarvoor is vereist dat een bbi (a) voldoet aan de voorwaarden van het fbi-regime en (b) instemt met het doen van een vervangende betaling. [67]
Fidelity Funds [73] , dat gaat over een Deense regeling die in Denemarken gevestigde icbe’s wel, maar niet-ingezeten icbe’s niet vrijstelt van Deense bronheffing op dividend afkomstig van ingezeten vennootschappen. Het Hof van Justitie overweegt dat een minder beperkend alternatief dan de Deense regeling de interne samenhang van het Deense stelsel zou kunnen behouden. Dit alternatief is dat niet-ingezeten icbe’s in aanmerking kunnen komen voor dezelfde vrijstelling als ingezeten icbe’s onder de voorwaarde dat zij een belasting betalen die gelijk is aan die welke ingezeten icbe’s inhouden bij het doen van een verplichte minimumuitkering aan hun participanten:
HR BNB 2021/73overweegt hij namelijk:
HR BNB 2021/73niet verwijst naar een specifieke overweging in
Fidelity Funds, heeft hij deze uitleg denkelijk gebaseerd op de tekst van punt 84 van dat arrest. Zoals de Rechtbank overweegt, [74] gaat het namelijk over “de
internesamenhang” van “dit stelsel”, dus het Deense stelsel dat aan de orde in
Fidelity Funds.
L Fund [75] . Dit arrest gaat over een Duitse regeling voor gespecialiseerde vastgoedfondsen. Niet-ingezeten fondsen zijn in Duitsland beperkt vennootschapsbelastingplichtig voor inkomsten uit Duits onroerend goed. Hun niet- ingezeten participanten worden niet betrokken in enige heffing van Duitse (bron)belasting. [76] Daarmee waarborgt Duitsland zijn heffingsrecht als situsstaat door inkomsten uit onroerend goed in Duitsland te belasten op het niveau van het fonds. [77] Daarentegen zijn ingezeten gespecialiseerde vastgoedfondsen vrijgesteld van vennootschapsbelasting in Duitsland. Deze vrijstelling dient ertoe inkomsten uit Duits onroerend goed slechts eenmaal te belasten, namelijk bij de participanten in die fondsen. Hun niet-ingezeten participanten worden belast alsof zij direct beleggen in Duits onroerend goed doordat de inkomsten daaruit rechtstreeks worden toegerekend (naar evenredigheid van ieders belang in het fonds), terwijl de fondsen daarop een Duitse bronbelasting inhouden te hunnen laste. [78] Ook daarmee waarborgt Duitsland zijn heffingsrecht als situsstaat. [79] Er geldt ook een inhoudingsplicht ten aanzien van ingezeten participanten, maar dan op dividend dat de fondsen uitkeren dan wel worden geacht uit te keren aan hen. [80] Anders dan bij niet-ingezeten fondsen, verplaatst Duitsland dus bij ingezeten fondsen de heffing van het niveau van het fonds naar dat van de participanten.
L Fundgaat het Hof van Justitie veronderstellenderwijs ervan uit dat een rechtstreeks verband bestaat tussen, enerzijds, de vrijstelling voor in Duitsland gevestigde fondsen en, anderzijds, de rechtstreekse toerekening aan hun niet-ingezeten participanten en de belastingheffing van hun ingezeten participanten. [81] Toch rechtvaardigt het behoud van de samenhang van het Duitse belastingstelsel niet het verschil in behandeling met niet-ingezeten fondsen omdat een minder beperkend alternatief bestaat voor hen. Het Hof van Justitie overweegt namelijk dat:
Fidelity Funds, CE] (…), punt 84).”
L Fundhetzelfde uitdrukt als punt 84 van
Fidelity Funds, nu het Hof van Justitie in dit punt 74 verwijst naar die overweging. Zoals de context en tekst van punt 84 van
Fidelity Fundsmij voeren tot de voorlopige uitleg dat het doelt op een betaling aan Denemarken, zo ook voeren de context en tekst van punt 74 van
L Fundtot eenzelfde uitleg met betrekking tot Duitsland. Dit is mijn voorlopige uitleg van
Fidelity Fundsen
L Fund, die – zo benadruk ik – alleen is gegrond op één contextueel en één tekstueel aanknopingspunt voor de opvatting dat de vervangende betaling een betaling aan Nederland is.
Fidelity Fundserop neer dat niet-ingezeten icbe’s in aanmerking kunnen komen voor dezelfde vrijstelling als ingezeten icbe’s mits – kort gezegd – zij in hun lidstaat van vestiging een belasting betalen die gelijk is aan die welke in Denemarken gevestigde icbe’s moeten inhouden. Volgens die redenering vindt überhaupt geen vervangende betaling plaats. Ik merk op dat het Hof uitspraak heeft gedaan vóór het wijzen van het arrest in
L Fund. Ik vat de aanknopingspunten die het Hof voor zijn uitleg ziet, samen als volgt:
Köln-Aktienfonds Dekalegt A-G Pitruzella punt 84 van
Fidelity Fundsaldus uit dat de heffing van belasting in de lidstaat van vestiging van een bbi van belang is; en
L Fundlegt het Bundesfinanzhof dit punt 84 op dezelfde wijze als A-G Pitruzella uit.
Fidelity Fundsniet tot een uitleg waarin het Hof van Justitie doelt op een betaling aan Denemarken. Dan is (ook) een uitleg waarin het doelt op de heffing van belasting in de lidstaat van vestiging van een bbi verenigbaar met deze overweging. Dit geldt dan ook voor punt 74 van
L Fund. In zo’n uitleg zou een bbi recht hebben op teruggaaf van dividendbelasting als zij in de lidstaat van vestiging een belasting betaalt die gelijk is aan de dividendbelasting die een fbi moet inhouden ten laste van haar participanten. [83]
Emerging Market Series of DFA Investment Trust Company(
EMS) [84] . Ik citeer (en cursiveer):
in beginseleen onderzoek aan de hand van
een en hetzelfde belastingstelsel.”
EMS. [88]
EMSuitdrukking geeft aan een beginsel: behoudens bijzondere omstandigheden, slaagt een beroep op fiscale coherentie alleen indien één en hetzelfde belastingstelsel zowel het belastingvoordeel verleent als dit voordeel compenseert met een rechtstreeks daarmee verband houdende heffing. Ik kom nog terug op de bijzondere omstandigheden (zie 5.23).
EMS, waarnaar punt 94 van
EMSverwijst. De A-G verwerpt deze stelling eveneens onder verwijzing naar een beginsel dat dit onderzoek moet worden verricht aan de hand van één en hetzelfde belastingstelsel (cursiveringen CE):
in beginselmoet worden gedaan met het oog op
een en hetzelfde belastingstelsel.
EMSniet aangehaald in latere rechtspraak van het Hof van Justitie. Wel heeft A-G Mengozzi het aangehaald in een latere conclusie, nota bene die voor
Fidelity Funds. Bij de behandeling van het beroep van de Deense regering op fiscale coherentie stelt hij onder meer voorop: [90]
EMS, CE] (C‑190/12, EU:C:2014:249, punt 94).”
Deensestelsel de vrijstelling van Deense bronbelasting voor in Denemarken gevestigde icbe’s compenseert met een daarmee rechtstreeks verband houdende heffing van Deense belasting van de participanten in die icbe’s (punt 79). Het betekent mijns inziens ook dat de A-G in punt 80 van die conclusie ervan is uitgegaan dat niet-ingezeten icbe’s dezelfde vrijstelling van Deense bronbelasting niet mag worden geweigerd wanneer zij aan
Denemarkeneen belasting betalen die gelijk is aan de Deense belasting ten aanzien van de participanten in Deense icbe’s. Dit behoudt immers coherentie binnen één en hetzelfde Deense stelsel.
Fidelity Fundsverwijst het Hof van Justitie naar punt 80 van de conclusie van A-G Mengozzi (zie 5.6). Het is dus niet alleen zo dat de uitleg van dit punt 84 die inhoudt dat het Hof van Justitie doelt op een betaling aan Denemarken, strookt met de context en de tekst daarvan. Die uitleg strookt voorts met een beginsel in de rechtspraak van het Hof van Justitie dat coherentie wordt beoordeeld aan de hand van één en hetzelfde belastingstelsel. De verwijzing naar punt 80 van de conclusie van de A-G impliceert dat het Hof van Justitie in punt 84 daadwerkelijk is uitgegaan van dezelfde opvatting als zijn A-G, en wel dat het doen van een betaling aan Denemarken niet-ingezeten icbe’s toegang verschaft tot dezelfde vrijstelling als ingezeten icbe’s.
Fidelity Fundsdwingt niet ertoe de eerste opvatting te verlaten. Naar het oordeel van het Hof van Justitie bestaat immers in beginsel een rechtstreeks verband tussen de vrijstelling van bronbelasting voor ingezeten icbe’s en de daaropvolgende heffing bij hun participanten ter zake van een verplichte minimumuitkering, maar is weigering van deze vrijstelling voor niet-ingezeten icbe’s onevenredig voor de fiscale coherentie van het Deense stelsel. [91] Dit oordeel dwingt niet tot een keuze tussen de eerste opvatting of de tweede. Ten tweede, als het Hof van Justitie toch heeft gekozen voor de tweede opvatting, dan mag worden aangenomen dat het dit zou expliciteren. Dat geldt mijns inziens vooral wanneer zijn oordeel niet dwingt tot zo’n keuze. [92] In
Fidelity Fundslees ik echter niet dat nadrukkelijk de opvatting is aanvaard dat coherentie (voortaan) kan bestaan tussen twee (of meer) belastingstelsels. Ik ga dan ook niet ervan uit dat het Hof van Justitie in dat arrest die opvatting heeft aanvaard.
Fidelity Fundszo’n uitzondering is aanvaard.
Fidelity Fundsniet is verlaten of daarin een uitzondering is aanvaard, ga ik verder ervan uit dat het ook nog geldt na
L Fund, gegeven de verwijzing in punt 74 van
L Fundnaar punt 84 van
Fidelity Funds(zie 5.10-5.11). Ik vind daarvoor steun in hoe het Hof van Justitie in
L Fundhet beroep op fiscale coherentie van de Duitse regering beoordeelt. [93] Niettegenstaande nader onderzoek door het Bundesfinanzhof, gaat het Hof van Justitie veronderstellenderwijs ervan uit dat de belastingheffing bij participanten in ingezeten fondsen de vrijstelling voor die fondsen compenseert:
L Fund. [95] Ik ga ervan uit dat het verwijst naar zowel de wijze waarop ingezeten participanten in zulke fondsen worden betrokken in de heffing van Duitse belasting als die waarop niet-ingezeten participanten in zulke fondsen worden betrokken in die heffing. Een andere lezing strookt immers niet met de suggestie aan het adres van de daartoe bevoegde Duitse rechter om het Duitse recht uit te leggen.
L Funddeze mogelijkheid van vrijstelling niet gemist. Immers, punt 24 van
L Fundspreekt over een vrijstelling van vennootschapsbelasting voor “binnenlandse” fondsen in het algemeen en niet slechts voor binnenlandse gespecialiseerde vastgoedfondsen.
L Fundgeen steun biedt aan de opvatting van belanghebbende dat de enkele mogelijkheid voor teruggaaf of vrijstelling bij participanten in een fbi een succesvol beroep op fiscale coherentie belet. Overigens merk ik op dat deze opvatting mijns inziens op enigszins gespannen voet staat met zijn opvatting over de dooruitdelingseis. Daarop kom ik terug in onderdeel 7 (zie 7.23).
EMSleert (zie 5.17-5.18). Het beginsel is toegepast in
Fidelity Funds(zie 5.21-5.23). Het is (dus) ook toegepast in
L Fund(zie 5.24-5.25). Dit een en ander vormt een additioneel aanknopingspunt voor een zodanige uitleg van
Fidelity Fundsen
L Funddat de vervangende betaling plaatsvindt aan Nederland.
Fidelity Fundserop doelen dat de heffing van belasting in de lidstaat van vestiging van niet-ingezeten icbe’s van belang is. Deze uitleg vindt volgens het Hof steun in punt 62 daarvan. Als de laatste overweging in ogenschouw wordt genomen bij de uitleg van punt 84, kan naar zijn oordeel worden verdedigd dat het Hof van Justitie het inherent acht aan de keuze van Denemarken om bij ingezeten icbe’s de heffing te verplaatsen van het niveau van het fonds naar dat van zijn participanten, dat Denemarken niet-ingezeten icbe’s niet kan verplichten een bronbelasting in te houden ten laste van hun participanten. [97] Deze uitleg vindt naar zijn oordeel ook steun in punt 70 van
AllianzGI-Fonds AEVN [98] , dat een vergelijkbare overweging bevat als punt 62 van
Fidelity Funds. [99]
Fidelity Fundsen
AllianzGI-Fonds AEVNwaarop het Hof zich baseert. Punt 62 van het eerste arrest luidt:
Fidelity Funds, CE] (…), punt 62).”
Fidelity Fundsaf dat een lidstaat weliswaar heeft te aanvaarden dat het buitenlandse participanten in een bbi niet kan belasten. Maar dit wil nog niet zeggen dat de lidstaat moet accepteren dat de bbi niet een belasting betaalt. Zoals hij het uitdrukt, kan noch de lidstaat noch een bbi de kersen plukken: [101]
Fidelity Fundsen
AllianzGI-Fonds AEVN, maar zij is uitgebreider en ik meen daardoor duidelijker. Ik herhaal op deze plaats dat Duitsland zijn heffingsrecht als situsstaat effectueert (zie 5.9). Dat dit heffingsrecht toekomt aan Duitsland is de heersende leer onder de lidstaten van de OESO. [102] Het is te vinden in het belastingverdrag Duitsland-Luxemburg dat van kracht was in de periode van 2008 tot en met 2010, waarover
L Fundgaat. [103] Ook dat belastingverdrag bepaalt dat dit heffingsrecht toekomt aan de situsstaat. [104] Zoals het Bundesfinanzhof overweegt in zijn verwijzingsbeslissing, effectueert de Duitse regeling dat heffingsrecht doordat inkomsten uit Duits onroerend goed eenmaal worden belast. Dit gebeurt bij ingezeten fondsen op het niveau van hun participanten (rechtstreekse toerekening aan niet-ingezeten participanten en verplichte inhouding bij ingezeten participanten). Het gebeurt bij niet-ingezeten fondsen op het niveau van dergelijke fondsen (beperkte belastingplicht). [105]
AllianzGI-Fonds AEVN– dat beiden zich in zo’n situatie bevinden. [106] Dit oordeel is gegrond op de volgende overwegingen:
AllianzGI-Fonds AEVN, CE], punt 69 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
vrijwilligdezelfde Duitse bronbelasting inhouden ten laste van hun participanten als ingezeten fondsen inhouden ten laste van hun participanten. Daarbij komt dat Duitsland sowieso heffingsbevoegd is ten aanzien van in Duitsland gevestigde participanten in niet-ingezeten fondsen, zoals punt 58 noemt.
L Fund. Hij meent daaruit te kunnen afleiden dat de lidstaat dezelfde systematiek moet volgen voor niet-ingezeten fondsen als ingezeten fondsen, ook wanneer dit nadelig kan uitwerken voor de lidstaat: [107]
L Fundvolgt dat niet-ingezeten fondsen in aanmerking kunnen komen voor dezelfde vrijstelling als ingezeten fondsen mits zij vrijwillig dezelfde bronbelasting inhouden ten laste van hun participanten als ingezeten fondsen doen. Dit alternatief beperkt niet-ingezeten fondsen minder dan een beperkte vennootschapsbelastingplicht; het bereikt ook hetzelfde doel als de Duitse regeling doet bij Duitse fondsen (5.42-5.45). Daarmee biedt
L Fundop dit punt nog een additionele aanwijzing voor de opvatting dat de vervangende betaling in de Nederlandse situatie plaatsvindt aan Nederland. Hetzelfde geldt voor
Fidelity Fundsen
AllianzGI-Fonds AEVN, nu
L Fundop dat punt verwijst naar het tweede arrest en dit tweede arrest op datzelfde punt weer verwijst naar het eerste arrest (zie 5.36).
Fidelity Fundsuitlegt.
Köln-Aktienfonds Dekavolgt dat A-G Pitruzella dit punt 84 zo verstaat dat het doelt op belasting die een bbi betaalt in de eigen lidstaat van vestiging. In die zaak gaat hij dan ook uit van een rechtstreeks verband tussen de teruggaaf van dividendbelasting door Nederland en de opvolgende heffing van belasting van de participanten in een bbi door de lidstaat van vestiging van de bbi. [109]
Fidelity Fundsdoelt op de heffing van belasting in de lidstaat van vestiging van een bbi. Niet zelden vindt men daarbij steun bij de conclusie van A-G Pitruzella. [110] Gemakshalve laat ik de A-G zelf aan het woord: [111]
Fidelity Funds. In dezelfde conclusie haalt hij dit punt 84 nogmaals aan, maar dan verwijst hij weer niet expliciet naar de belasting die een bbi betaalt in haar lidstaat van vestiging. Wederom laat ik de A-G aan het woord:
Fidelity Funds. Deze tekst brengt tot uitdrukking dat de Deense belastingautoriteiten zich vergewissen van een betaling van belasting door niet-Deense icbe’s “met volledige medewerking van” deze icbe’s. Stel dat dit punt 84 doelt op de belastingheffing in de lidstaat van vestiging van een niet-Deense icbe, dan ligt het niet in de rede dat de Deense belastingautoriteiten zich zouden wenden tot de niet-ingezeten icbe ter bepaling of zij aan de bevoegde belastingautoriteiten van haar lidstaat van vestiging dezelfde belasting betaalt als een Deense icbe inhoudt bij dooruitdeling. Daartoe kunnen de Deense belastingautoriteiten zich namelijk rechtstreeks wenden tot deze bevoegde belastingautoriteiten.
Fidelity Funds. Dit geval ziet op icbe’s die hebben verzocht om teruggaaf van Deense bronbelasting die is geheven in de periode van 2000 tot en met 2009 en die zijn gevestigd in Luxemburg dan wel het Verenigd Koninkrijk, [114] destijds nog lidstaat van de EU. Op de voet van de Bijstandsrichtlijn kunnen de Britse en Luxemburgse autoriteiten inlichtingen uitwisselen met de Deense autoriteiten, in het bijzonder over de belastingen naar het inkomen die het VK dan wel Luxemburg heft van die icbe’s of van de participanten in die icbe’s. [115] De Deense autoriteiten zijn dus niet afhankelijk van enige medewerking van icbe’s die zijn gevestigd in een andere lidstaat als het van belang zou zijn welke belastingheffing plaatsvindt in de desbetreffende lidstaat. [116]
Fidelity Fundsheeft gemist dat het Unierecht voorziet in de mogelijkheid van uitwisseling tussen lidstaten van inlichtingen over directe belastingen die lidstaten heffen van icbe’s of hun participanten. Ter illustratie wijs ik nogmaals op
EMS, over een in een derde staat gevestigd fonds dat dezelfde vrijstelling van vennootschapsbelasting wenst als een in Polen gevestigde icbe. In dit arrest verwerpt het Hof van Justitie het beroep van de Poolse regering op de noodzaak om doeltreffende fiscale controles te waarborgen: weliswaar kunnen de Poolse belastingautoriteiten niet met de Bijstandsrichtlijn controleren of een in een derde staat gevestigd fonds voldoet aan de voorwaarden van de vrijstelling want deze richtlijn geldt niet ten aanzien van een derde staat, maar zij kunnen dit wel met de regeling voor gegevensuitwisseling die het belastingverdrag tussen Polen en de desbetreffende derde staat (de Verenigde Staten) treft. [117] Sterker nog, deze richtlijn kan het Hof van Justitie niet zijn ontgaan in
Fidelity Funds. Dat arrest verwijst namelijk naar
EMS. [118]
Fidelity Fundszwijgt over de Bijstandsrichtlijn. Dat rijmt niet met een uitleg van dit punt 84 die meebrengt dat de belastingheffing in de lidstaat van vestiging van een bbi van belang is. Juist dan is van belang of het Unierecht voorziet in gegevensuitwisseling met die lidstaat. Dat is niet alleen omdat
Fidelity Fundsin het bijzonder gaat over in een andere lidstaat gevestigde icbe’s. Het is ook – en vooral – omdat dit punt 84 in het algemeen ziet op “icbe’s die zijn gevestigd in een andere lidstaat dan” Denemarken. Dat punt 84 ziet dus op alle icbe’s waarvoor de Deense belastingautoriteiten de Bijstandsrichtlijn kunnen benutten; het ziet niet op een icbe waarvoor zij zouden zijn aangewezen op een bilaterale regeling met een derde staat, anders dan de Poolse belastingautoriteiten in
EMS.
Fidelity Fundsspreekt uitsluitend over de volledige medewerking van icbe’s die zijn gevestigd in een andere lidstaat dan Denemarken. Ook dat rijmt niet met een uitleg van dit punt 84 die meebrengt dat de belastingheffing in de lidstaat van vestiging van een bbi van belang is. Juist dan wordt de zinsnede over hun volledige medewerking zinledig. De Deense autoriteiten zijn niet afhankelijk daarvan, gelet op de Bijstandsrichtlijn.
Fidelity Fundsdoelt op een betaling aan Denemarken. Binnen één en hetzelfde belastingstelsel baat de Bijstandsrichtlijn (vanzelfsprekend) niet. Het is dan logisch dat het Hof van Justitie in dit punt 84 zwijgt over deze richtlijn. Het is dan ook logisch dat het in dit punt 84 uitsluitend spreekt over volledige medewerking van niet-Deense icbe’s. Binnen hetzelfde belastingstelsel zijn de Deense belastingautoriteiten erop aangewezen dat niet-Deense icbe’s meewerken met het doen van een vervangende betaling.
L Fund, is de Bijstandsrichtlijn van kracht. Dit geval ziet op een fonds dat in Luxemburg is gevestigd en in de periode van 2008 tot en met 2010 al dan niet in Duitsland beperkt vennootschapsbelastingplichtig is. [119] Vergelijkbaar met punt 84 van
Fidelity Funds, spreekt punt 74 van
L Fundover volledige medewerking van niet-ingezeten gespecialiseerde vastgoedfondsen. Daarmee drukt dit punt 74 mijns inziens eveneens uit dat de Duitse belastingdienst zich met volledige medewerking van de niet-ingezeten fondsen ervan moet vergewissen dat die fondsen een betaling doen aan Duitsland, gegeven dat dit punt 74 verwijst naar punt 84 van
Fidelity Funds(zie 5.10-5.11).
Fidelity Fundsbiedt een extra tekstueel aanknopingspunt voor de opvatting dat de vervangende betaling plaatsvindt aan Nederland voor zover dit punt 84 verwijst naar de volledige medewerking van bbi’s. Deze verwijzing strookt immers met de toepasselijke Bijstandsrichtlijn; gelet op die richtlijn, is de uitleg die A-G Pitruzella geeft aan dit punt 84 niet te verenigen met dezelfde verwijzing (zie 5.55-5.59). Hetzelfde geldt voor punt 74 van
L Fund(zie 5.60-5.61).
L Funddat het punt 84 van
Fidelity Fundsop dezelfde wijze opvat als A-G Pitruzella doet. Het Bundesfinanzhof gaat dus ervan uit dat L Fund moet bewijzen dat het fonds een belasting betaalt in zijn lidstaat van vestiging, Luxemburg, die overeenkomt met de Duitse belasting. L Fund kan dit bewijs niet leveren want het is aldaar niet onderworpen aan belasting. [121]
L Fund, is de vraag niet (meer) zozeer wat die verwijzingsbeslissing betekent voor de uitleg van dat punt 84, maar veeleer wat dit arrest daarvoor betekent. Zoals ik heb uiteengezet, ligt
L Fundin dezelfde lijn als
Fidelity Funds. Uit de context en de tekst van punt 74 van
L Fundvolgt dat het doelt op een vervangende betaling aan Duitsland (zie 5.11). Dit strookt tevens met het beginsel dat een beroep op fiscale coherentie wordt beoordeeld aan de hand van één en hetzelfde belastingstelsel; het volgt expliciet uit
L Funddat het Hof van Justitie dit beginsel toepast in die zaak (zie 5.24-5.25). Het strookt verder ermee dat
L Fundnog duidelijker maakt dan
Fidelity Fundsen
AllianzGI-Fonds AEVNdat een lidstaat niet mag weigeren niet-ingezeten fondsen vrij te stellen mits zij vrijwillig dezelfde bronbelasting ten laste van hun participanten inhouden als er ten laste van de participanten wordt geheven in het binnenlandse geval (zie 5.37-5.47). Tot slot strookt het ermee dat dit punt 74 impliceert dat de Duitse belastingdienst afhankelijk is van de volledige medewerking van niet-ingezeten fondsen om te bepalen of zij inderdaad dezelfde bronbelasting inhouden (zie 5.60-5.61).
Fidelity Fundsleidt tot die slotsom: punt 84 van het arrest maakt deel uit van de beoordeling of het behoud van de interne samenhang van het Deense belastingstelsel het verschil in behandeling tussen niet-ingezeten en ingezeten icbe’s kan rechtvaardigen (zie 5.8). Ten tweede, de tekst van dit punt 84 biedt in meerdere opzichten steun aan die opvatting. Punt 84 spreekt over de
internesamenhang van
dit, Deense, stelsel (zie 5.8). Daarnaast verwijst het naar punt 80 van de conclusie van AG Mengozzi. Uit deze verwijzing blijkt dat het Hof van Justitie niet alleen is uitgegaan van het beginsel dat een beroep op fiscale coherentie wordt beoordeeld aan de hand van één en hetzelfde belastingstelsel, maar ook dit beginsel heeft toegepast in die zaak (zie 5.32). Punt 84 verwijst voorts naar de volledige medewerking van niet-ingezeten icbe’s. Deze verwijzing is volstrekt logisch wanneer het doelt op een betaling aan Denemarken en is juist onlogisch wanneer het niet daarop doelt (zie 5.62). Ten derde,
L Fundbiedt dezelfde contextuele en tekstuele aanknopingspunten voor een zodanige uitleg van punt 74 dat het doelt op een betaling aan Duitsland (zie 5.11, 5.33 en 5.62). Ten vierde,
L Fundbiedt nog een extra aanknopingspunt voor die uitleg. Het maakt nog duidelijker dan
Fidelity Funds(of
AllianzGI-Fonds AEVN) dat de desbetreffende betaling plaatsvindt doordat niet-ingezeten fondsen vrijwillig dezelfde bronbelasting ten laste van hun participanten inhouden als ingezeten fondsen (zie 5.48). Kortom, mijn voorlopige uitleg is (ook) mijn uiteindelijke: de vervangende betaling vindt plaats aan Nederland.
6.De grondslag van de vervangende betaling
HR BNB 2021/73niet veel inzicht in de gedachtegang van de Hoge Raad waarom de grondslag van de vervangende betaling gelijk is aan de wereldwinst. Dit arrest schetst de stappen ter berekening van deze betaling en geeft de daarbij behorende veronderstellingen dat de bbi en de participanten die wonen in haar land van vestiging, worden geacht in Nederland te zijn gevestigd respectievelijk te wonen. [125] Het enige inzicht dat het arrest wel geeft in die gedachtegang, is het oordeel dat uit
Fidelity Fundsvolgt dat deze betaling wordt bepaald naar Nederlandse maatstaven. Ik kom daarop nog terug (zie 6.12).
Fidelity Funds. Ik citeer:
nietopgevat als aanknopingspunt alleen tegen de wereldwinst (maar niet tegen de Nederlandse winst). In plaats daarvan heeft het Hof mogelijk het verbod
welopgevat als aanknopingspunt voor het alternatief waarin de heffing van belasting in de lidstaat van vestiging van belang is. Dat kan, want art. 10(5) OESO-Modelverdrag verbiedt extraterritoriale heffing van Nederlandse dividendbelasting niet alleen over de Nederlandse winst van een bbi maar ook – en te meer [127] – over andere winst van een bbi. Maar dan is zijn verwijzing naar dit verbod evenals dat alternatief innerlijk tegenstrijdig met de veronderstelling van het Hof dat enige vervangende betaling plaatsvindt aan Nederland (zie 6.4). Dan kan zijn verwijzing naar dit verbod mijns inziens niet bijdragen aan enige twijfel over de grondslag.
Fidelity Fundsen uit
L Funddat een bbi die voldoet aan de voorwaarden van dat regime, in aanmerking behoort te (kunnen) komen voor teruggaaf van dividendbelasting evenals een fbi, mits in de grensoverschrijdende situatie een belasting wordt betaald die gelijk is aan de belasting die wordt geheven in de interne situatie. De heffing van belasting in de interne situatie wordt vervangen door de betaling van belasting in de grensoverschrijdende situatie. Deze betaling komt in de plaats van die heffing.
Fidelity Fundsen
L Fund); zij wordt niet getoetst aan de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid. Hieruit volgt mijns inziens dat deze verplichting niet valt onder de procedurele autonomie van Nederland. Bij een bbi komt de voorwaarde van de vervangende betaling in de plaats van deze verplichting (zie 6.16). Hieruit volgt mijns inziens dat deze voorwaarde van de vervangende betaling net zo min als die verplichting valt onder de procedurele autonomie van Nederland.
enigebetaling van belasting doet, op zichzelf niet kan worden aangemerkt als zo’n maatregel. Immers, het volgt onmiskenbaar uit
Fidelity Fundsen
L Funddat deze voorwaarde mag worden gesteld. Verder ga ik ervan uit dat het stellen van de voorwaarde dat deze betaling plaatsvindt
aan Nederland, ook niet kan worden aangemerkt als zo’n maatregel. Zoals is uiteengezet in onderdeel 5, vindt deze betaling immers plaats aan Nederland. Dan resteert de vraag of sprake is van zo’n maatregel alleen nog doordat de vervangende betaling wordt bepaald over meer dan de Nederlandse winst. Ik meen dat het antwoord daarop ontkennend luidt, omdat de vervangende betaling plaatsvindt aan Nederland. Zoals gezegd (zie 6.12), dit impliceert dat de vervangende betaling wordt berekend naar Nederlandse maatstaven, dat wil zeggen dezelfde maatstaven als in het interne geval van een fbi.
Fidelity Fundsom de grondslag van de vervangende betaling in de grensoverschrijdende situatie gelijk te stellen aan de grondslag van de belasting die wordt geheven in de interne situatie. Daarvoor zie ik drie onderling samenhangende redenen. Ten eerste, het volgt uit
Fidelity Fundsdat het verlenen van een teruggaaf van dividendbelasting aan een bbi plaatsvindt onder de voorwaarde dat zij enige – al dan niet vervangende – betaling van belasting doet. Anders gezegd, daaruit volgt dat in elk geval een rechtstreeks verband bestaat tussen, enerzijds, het doen van zo’n betaling door een bbi en, anderzijds, het verlenen van zo’n teruggaaf aan een bbi.
Fidelity Fundsleid ik af dat de minimumuitkering niet uitsluitend van ingezeten vennootschappen afkomstig dividend omvat. De minimumuitkering is de som van inkomsten, nettobedragen, verliezen en uitgaven van een ingezeten icbe. Bij de berekening daarvan worden allerlei inkomsten in aanmerking genomen, waaronder rente, dividend, opbrengst uit vorderingen, opbrengst uit financiële overeenkomsten en winst uit de vervreemding van aandelen. [138] Ik memoreer ook dat die ingezeten icbe’s Deense bronbelasting moeten inhouden op de minimumuitkering ten laste van hun participanten. De grondslag van de minimumuitkering omvat dus meer dan uitsluitend de winst die wordt vrijgesteld van Deense bronbelasting, vergelijkbaar met de grondslag van de inhoudingsplicht van fbi’s.
Fidelity Funds. Het is te vinden in punt 84 van dat arrest, voor zover het spreekt over een betaling van belasting die gelijk is aan wat – kort gezegd – wordt geheven in het binnenlandse geval (cursivering CE):
gelijkis aan die welke in Denemarken gevestigde § 16 C-fondsen als voorheffing moeten inhouden op de overeenkomstig de genoemde bepaling berekende minimumuitkering. (…)”
Fidelity Fundseen rechtstreeks verband tussen de vrijstelling van bronbelasting op dividend afkomstig van ingezeten vennootschappen en de inhouding van bronbelasting op de minimumuitkering. Aan dit oordeel staat blijkbaar niet in de weg dat de minimumuitkering wordt berekend over méér dan het dividend dat is vrijgesteld van bronbelasting. Dan staat aan het bestaan van zo’n rechtstreeks verband binnen het Nederlandse systeem logischerwijs net zo min in de weg dat in méér situaties heffing plaatsvindt dan de situatie waarin dividendbelasting is ingehouden ten laste van een fbi.
Fidelity Fundsen
L Fundvolgt dat deze uitgangspositie in beginsel kan worden gerechtvaardigd op grond van fiscale coherentie maar onevenredig is ten opzichte van het alternatief waarin een bbi ermee instemt de vervangende betaling te doen. Deze onevenredigheid staat mijns inziens evenzeer los van de vraag of het Unierecht zich ertegen verzet dat een bbi op dezelfde strikte voet wordt gesteld als een fbi.
Fidelity Fundsdat de grondslag wordt gesteld op de wereldwinst en niet op de Nederlandse winst (zie 6.25-6.28). Ten zesde, ik zie niet hoe het verbod op extraterritoriale heffing van dividend zou conflicteren met de grondslag van de vervangende betaling (zie 6.10). Ten slotte, ik zie net zo min hoe een cirkelredenering die veronderstelt dat de grondslag niet buiten redelijke twijfel is, kan bijdragen aan enige twijfel daarover (zie 6.11).
7.De dooruitdelingseis
HR BNB 2021/73, waarin de Hoge Raad heeft beslist dat het gaat om de gehele voor uitdeling beschikbare winst van de bbi, berekend naar Nederlandse maatstaven. [145] Hij heeft dat oordeel herhaald in het arrest van 9 april 2021 [146] (
HR BNB 2021/87). Ik merk op dat de Staatssecretaris niet opkomt tegen de andersluidende overweging van het Hof.
HR BNB 2021/73. Ik merk op dat Staatssecretaris ook daartegen niet opkomt.
HR BNB 2021/87. Dit arrest gaat over een bbi die is opgericht naar het recht van het VK en aldaar is gevestigd. In de jaren waarvoor zij heeft verzocht om teruggaaf van te haren laste ingehouden Nederlandse dividendbelasting, heeft zij uitsluitend aandelen uitgegeven waarop geen dividend wordt uitgekeerd. De destijds voor haar in het VK geldende regelgeving voorziet niet erin dat het VK belasting heft bij buiten het VK wonende of gevestigde participanten in het geval dat de bbi niet feitelijk dividend uitkeert aan hen. De Hoge Raad beslist dat het hof de bbi terecht niet objectief vergelijkbaar heeft geacht met een fbi:
HR BNB 2021/73, CE] heeft de Hoge Raad in overeenstemming met het arrest Deka onder meer geoordeeld dat een niet-ingezeten beleggingsfonds met betrekking tot de zogenoemde dooruitdelingseis in een situatie verkeert die vergelijkbaar is met de situatie van een fbi indien op grond van de in de lidstaat van vestiging van het niet-ingezeten beleggingsfonds geldende wettelijke bepalingen de gehele voor uitdeling beschikbare winst, berekend naar Nederlandse maatstaven, wordt geacht te zijn uitgekeerd en bij de aandeelhouders of participanten wordt betrokken in de belastingheffing van de lidstaat van vestiging van het fonds als ware die winst uitgekeerd.
HR BNB 2021/87, voorziet de regelgeving van Duitsland in dit geval niet in een heffing van niet aldaar wonende of gevestigde participanten in een aldaar gevestigde bbi. Het VK betrekt blijkbaar zulke participanten wel in de heffing in het – zich in
HR BNB 2021/87niet voordoende – geval dat feitelijk winst wordt uitgekeerd. Buiten dat geval betrekt het hen niet in enige heffing, ongeacht de herkomst van de winst van de bbi. Het is anders in dit geval. Duitsland betrekt zulke participanten wél in de heffing slechts voor zover de winst dividend afkomstig van ingezeten vennootschappen omvat; het betrekt hen (dus) níet in de heffing voor zover het gaat om dividend afkomstig van andere vennootschappen, waaronder Nederlandse. [154] Ik meen dat dit verschil niet ertoe doet. Het doet namelijk niet eraan af dat in dit geval [155] de winst van belanghebbende – berekend naar Nederlandse maatstaven dan wel naar Duitse – bij zijn participanten niet wordt betrokken in de Duitse belastingheffing als ware de winst uitgekeerd.
HR BNB 2021/87, meen ik dan ook dat het Hof terecht belanghebbende niet objectief vergelijkbaar heeft geacht met een fbi op het punt van de dooruitdelingseis. Hierbij merk ik op dat belanghebbende niet bestrijdt dat de desbetreffende Duitse regelgeving toepassing vindt op hem. Hij bestrijdt evenmin de uitleg van deze regelgeving door het Hof. [156]
Orange European Smallcap Fundacht de klacht dit onderscheid onverenigbaar met het vrije verkeer van kapitaal (zie ook 3.5). [163]
Köln-Aktienfonds Dekaheeft het Hof van Justitie beoordeeld of een bbi waarvan de winst wordt geacht te zijn uitgekeerd in haar lidstaat van vestiging, objectief vergelijkbaar is met een fbi. Daarin is overwogen dat deze beoordeling plaatsvindt op basis van het doel dat de betrokken nationale bepalingen nastreven, het voorwerp en de inhoud van deze bepalingen. [164] Hoewel het aan de Hoge Raad is gelaten om het hoofddoel te bepalen dat met de dooruitdelingseis is beoogd, heeft het Hof van Justitie twee mogelijke hoofddoelen onderkend. Het eerste is dat de winst van een fbi zo snel mogelijk ter beschikking komt van haar participanten. Het tweede is het belasten van de winst van een fbi bij haar participanten. Wat het tweede doel betreft is een bbi objectief vergelijkbaar met een fbi als de winst van de bbi “(…) als zodanig wordt belast op het niveau van de aandeelhouder (…)”. Dan is het onverenigbaar met het Unierecht dat een bbi teruggaaf van door haar betaalde dividendbelasting wordt geweigerd omdat zij niet voldoet aan de dooruitdelingseis. Dit volgt uit punten 79 tot en met 82 van
Köln-Aktienfonds Deka:
Köln-Aktienfonds Dekaniet doelt op alternatieven. Daaraan doet het gebruik van ‘of’ niet af. Immers, afhankelijk van het zinsverband kan het voegwoord ‘of’ de betekenis hebben van ‘en/of’. [167] Het kan niet anders dan dat het Hof van Justitie doelt op ‘en/of’, gelet op zijn gebruik van ‘en’ in hetzelfde arrest, nota bene in de onmiddellijk daaraan voorafgaande overweging.
HR BNB 2021/73beslist dat het bij het fbi-regime gaat om het tweede doel en (impliciet) niet om het eerste. Het hoofddoel van het fbi-regime is dus het belasten van de winst bij de participant in een fbi. In vervolg op
Köln-Aktienfonds Dekaacht de Hoge Raad dan ook een bbi waarvan de winst wordt geacht te zijn uitgekeerd in de lidstaat van vestiging, op dezelfde voet als een fbi gerechtigd tot teruggaaf van dividendbelasting, mits de winst van zo’n bbi “(…) als zodanig wordt belast op het niveau van de aandeelhouder of participant (…)” althans “bij de aandeelhouder of participant wordt betrokken in de belastingheffing (…)” van dezelfde lidstaat. Ik citeer uit
HR BNB 2021/73(voetnoot niet opgenomen):
Köln-Aktienfonds Dekanaar het hoofddoel van de dooruitdelingseis waarop punt 79 doelt, terwijl de Hoge Raad spreekt over het hoofddoel van het fbi-regime. De klacht van belanghebbende abstraheert van dit verschil; ik doe dan ook hetzelfde. Wel wijs ik erop dat de literatuur licht ziet tussen het hoofddoel van het fbi-regime en dat van de dooruitdelingseis. [168]
HR BNB 2021/73, dat weer strookt met
Köln-Aktienfonds Deka. Sterker nog, ik meen dat de oordelen onderling in overeenstemming
zijn. Immers, beide gaan ervan uit dat de winst van een bbi in de lidstaat van vestiging als zodanig moet worden belast bij de participant.
Köln-Aktienfonds Deka. Ik zie niet in dat dit punt 81 steun biedt aan de opvatting van belanghebbende. Weliswaar vormt het verschuiven van de belastingheffing bij een fbi en een bbi de reden voor het Hof van Justitie om beiden objectief vergelijkbaar te achten. Maar dat punt 81 beperkt zich – expliciet cumulatief – tot een bbi waarvan de winst wordt geacht te zijn uitgekeerd in de lidstaat van vestiging
endie als zodanig wordt belast op het niveau van haar participant (zie 7.17).
terugte geven nadat het eerst is afgestaan.
Köln-Aktienfonds Dekadat de winst van een bbi niet daadwerkelijk hoeft te worden betrokken in een heffing bij al haar participanten. Daarom acht hij zich objectief vergelijkbaar met een fbi, ook al betrekt Duitsland de niet aldaar wonende of gevestigde participanten niet in enige heffing ter zake van dividend afkomstig van Nederlandse vennootschappen. Daarom acht hij meer in het algemeen de mogelijkheid van teruggaaf of vrijstelling aan sommige participanten in een bbi niet van belang voor het antwoord op de vraag of een bbi en een fbi objectief vergelijkbaar zijn op het punt van de dooruitdelingseis.
Anderzijds volgt volgens belanghebbende uit
L Funddat een beroep op fiscale coherentie slechts slaagt als alle participanten in een fbi systematisch worden belast en niet in aanmerking kunnen komen voor vrijstelling. Daarom ziet hij geen rechtstreeks verband tussen het voordeel van teruggaaf van dividendbelasting aan een fbi en compensatie van dit voordeel door heffing daarvan bij wege van inhouding door een fbi. Daarom acht hij meer in het algemeen elke mogelijkheid van teruggaaf of vrijstelling aan welke participant dan ook in een fbi fataal voor het slagen van een beroep op fiscale coherentie.
Daarmee vergt belanghebbende van het fbi-regime dat het eenieder belast zonder enige mogelijkheid van teruggaaf of vrijstelling maar acht hij het regime dat van toepassing is op hem, al vergelijkbaar met – en in zijn woorden zelfs “beter” [171] dan – het fbi-regime ongeacht de volledige belastingvrijdom die zijn buiten Duitsland wonende of gevestigde participanten genieten in Duitsland. Elk beroep op fiscale coherentie wordt toch zinledig als de grensoverschrijdende situatie al objectief vergelijkbaar is met de interne situatie ondanks belastingvrijdom voor sommige participanten terwijl het onderscheid in hun behandeling slechts kan worden gerechtvaardigd als alle participanten aan belastingheffing zijn geketend? Omgekeerd, als fiscale coherentie dient ter rechtvaardiging van het onderscheid in behandeling tussen situaties die objectief vergelijkbaar zijn ondanks belastingvrijdom in de grensoverschrijdende situatie, waarom sluit belastingvrijdom in de interne situatie dan een beroep op deze rechtvaardigingsgrond bij voorbaat uit? Een van beide opvattingen moet wijken, dunkt me.
Orange European Smallcap Fund(
OESF) betoogt belanghebbende dat het Hof ten onrechte onderscheid maakt tussen, enerzijds, een in Duitsland gevestigde bbi met uitsluitend aldaar wonende of gevestigde participanten en, anderzijds, zo’n bbi met minstens één participant die woont of is gevestigd buiten Duitsland. De eerste bbi komt in aanmerking voor teruggaaf van de ingehouden dividendbelasting, de tweede niet. [173]
OESFmeer in het bijzonder over de zogeheten aandeelhouderstoets van art. 6(2) Bbi. Deze bepaling ziet op het geval dat een fbi (ook) andere participanten kent dan natuurlijke personen die in Nederland wonen en/of lichamen die alhier zijn gevestigd en aan de heffing van vennootschapsbelasting zijn onderworpen. In dat geval vermindert die bepaling de tegemoetkoming naar de mate waarin een fbi zulke andere participanten kent, tot uiteindelijk nihil als zij niet een binnenlands belastingplichtige participant heeft. Uit
OESFvolgt dat die toets niet verenigbaar is met het vrije verkeer van kapitaal voor zover daardoor de tegemoetkoming wordt verminderd naar de mate waarin de fbi participanten heeft die wonen of zijn gevestigd in een andere lidstaat. [175]
OESFmijns inziens mank.
HR BNB 2021/87, heeft het Hof dan ook terecht geoordeeld dat belanghebbende objectief onvergelijkbaar is met een fbi (zie 7.10).
8.Bespreking van de middelen
Fidelity Fundsen
L Fund. Anders gezegd, dit minder beperkende alternatief volstaat om te waarborgen dat het verschil in behandeling tussen een fbi en een bbi niet verder gaat dan nodig is ter behoud van de samenhang van de teruggaafregeling. Hieruit volgt dat het Unierecht niet ertoe verplicht belanghebbende een ander, nog minder beperkend alternatief te bieden.
HR BNB 2021/73op het punt van de vervangende betaling níet strookt met
Fidelity Funds(en
L Fund). Dan mag die betaling niet worden gesteld als voorwaarde; dan is het immers buiten redelijke twijfel dat het niet gaat om een betaling aan Nederland. Dan gaat ook niet de premisse van de stelling van belanghebbende op dat deze voorwaarde bbi’s uitsluit van teruggaaf van dividendbelasting.
HR BNB 2021/73op dat punt wél strookt met
Fidelity Funds(en
L Fund). Dan is het mijns inziens evenzeer buiten redelijke twijfel te achten dat het stellen van de voorwaarde van de vervangende betaling aan bbi’s niet neerkomt op een verboden steunmaatregel ten gunste van fbi’s. Het zou slechts dan niet buiten redelijke twijfel zijn te achten indien wordt aangenomen dat het Hof van Justitie in
Fidelity Fundsen
L Fundart. 63 VWEU Pro heeft uitgelegd op een wijze die niet verenigbaar is met art. 107 VWEU Pro. Omdat het Hof van Justitie uitspraak doet op een verzoek om een prejudiciële beslissing overeenkomstig (onder meer) het VWEU, [180] meen ik dat die uitleg valt uit te sluiten.
HR BNB 2021/73op datzelfde punt strookt met
Fidelity Funds(en
L Fund). In dat geval is de Hoge Raad verplicht voor het antwoord op deze vraag het Hof van Justitie te verzoeken om een prejudiciële beslissing op de voet van art. 267 VWEU Pro. Uit het antwoord kan blijken dat
HR BNB 2021/73niet daarmee strookt, óf daaruit kan blijken dat het wel daarmee strookt. Daaruit kan mijns inziens niet nog iets anders blijken. Het laatste geval valt dus uiteindelijk samen met óf het eerste óf het tweede.
OESF(zie 7.28-7.29).
HR BNB 2021/87dat belanghebbende niet voldoet aan het vereiste dat de winst in zijn lidstaat van vestiging wordt betrokken in de belastingheffing bij zijn participanten (zie 7.8-7.10). Hierbij doet het niet ertoe of ervan wordt uitgegaan dat de desbetreffende winst vatbaar is voor uitdeling volgens Duitse maatstaven dan wel volgens Nederlandse maatstaven (zie 7.5).
Consorzio Italian Management [183] . Hieruit leidt hij af dat de Hoge Raad bijzonder waakzaam dient te zijn bij de beoordeling of er redelijke twijfel is over het antwoord op deze vraag. Verder leidt hij uit (onder meer)
Consorzio Italian Managementaf dat de enkele omstandigheid dat in een zaak al prejudiciële vragen zijn gesteld, de Hoge Raad niet ontheft van zijn verplichting vragen te stellen als er redelijke twijfel is. Gelet op de bestreden uitspraak van het Hof en de verwijzingsbeslissing van het Bundesfinanzhof in
L Fundkan volgens belanghebbende moeilijk worden gesteld dat sprake is van een
acte clair.
L Fund(vgl. 5.64). Verder wijs ik erop dat het Bundesfinzanzhof is verzocht of het zijn prejudiciële vraag wenst te handhaven, [184] en dat
L Fundis beslist zonder conclusie. Een beslissing om de zaak te berechten zonder conclusie berust op de vijfde alinea van art. 20 van Pro het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Deze bepaling staat het Hof van Justitie toe zo’n beslissing te nemen uitsluitend in het geval dat het van oordeel is dat in de zaak geen nieuwe rechtsvraag aan de orde is. Dit betekent dat – naar het oordeel van het Hof van Justitie zelf – in de zaak van
L Funduitsluitend rechtsvragen aan de orde zijn die al zijn beantwoord in zijn rechtspraak. Het betekent dat – wederom naar zijn oordeel – de vraag of de voorwaarde van de vervangende betaling mag worden gesteld
éclairéis.
acte clairis, zoals belanghebbende betoogt van niet, geeft de vraag of de voorwaarde van de vervangende betaling mag worden gesteld mijns inziens geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. Het antwoord daarop is buiten redelijke twijfel. Met andere woorden, die vraag geeft mijns inziens geen aanleiding voor de Hoge Raad om zich niet gebonden te achten aan
HR BNB 2021/73(zie 4.21).