Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
mr. P.J. Wattel
Advocaat-Generaal
Prejudiciële procedure ex art. 27ga AWR
Nrs. Rechtbank: BRE 12/29, 12/30 en 12/152 t/m 12/154
Nrs. Hof van Justitie EU: C-156/17 en C-157/17
1.Overzicht van verwikkelingen
[X] ), en 16/03955 (
X Fund). [1] Op 9 november 2016 heb ik in beide zaken geconcludeerd. [2] Op 3 maart 2017 heeft u beide zaken voor prejudiciële beantwoording van vragen voorgelegd aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ). [3] De zaken hebben bij het HvJ de rolnrs. C-156/17 (
[X]) en C-157/17 (
X Fund) gekregen. Het HvJ heeft u bij brief van 12 mei 2017 bericht dat hij de zaken heeft gevoegd voor schriftelijke en mondelinge behandeling en voor arrest.
[X]). [4] Over de prejudicieel-procedurele complicaties daarvan heb ik op 20 juni 2017 aanvullend geconcludeerd. [5]
Fidelity Funds) [6] ,uw prejudiciële vragen aan dat Hof in de zaken C-156/17 en C-157/17 nog beantwoord wilt zien. Op 27 september 2018 heb ik u in een tweede aanvullende conclusie in overweging gegeven de prejudiciële vragen in te trekken of nog een poging te doen het HvJ te overtuigen dat het Nederlandse stelsel, dat anders dan het Deense internationaal coherent is, niet discrimineert. [7]
X Fund) intrekt en dat u in de zaak C‑156/17 (
[X]) vraag 1 (over (niet-) onderworpenheid aan inhoudingsplicht) intrekt, maar de vragen 2 en 3 (over dooruitdelings- en aandeelhouderseisen) handhaaft.
X Fund) doorgehaald. [8]
[X]). [9]
2.De nieuwe prejudiciële vragen van 26 februari 2019 van de rechtbank
BNB2015/203, heeft u op 3 maart 2017 (HR
BNB2017/86 en
BNB2017/87) zelf drie vragen aan het HvJ gesteld, waarvan de eerste (die u dus inmiddels heeft ingetrokken; zie 1.4) als volgt luidde:
Fidelity Funds)en van mijn tweede aanvullende conclusie van 27 november 2018 duidt uw intrekking van deze vraag er volgens de rechtbank op dat u haar eerste prejudiciële vraag van 1 augustus 2016 (zie 2.1) bevestigend beantwoordt en ingezeten en niet-ingezeten beleggingsfondsen dus niet meer objectief onvergelijkbaar acht op de grond dat ingezetenen onderworpen zijn aan inhoudingsplicht voor de Nederlandse dividendbelasting en niet-ingezetenen niet.
BNB2017/86 en na het HvJ-arrest
Fidelity Fundsverzoeken om teruggaaf van dividendbelasting door niet-ingezeten beleggingsfondsen is blijven afwijzen en afwijzend uitspraak op hun bezwaren is blijven doen, waardoor de rol van de rechtbank is volgelopen met beroepen tegen die afwijzingen. Na haar verwijzing van prejudiciële vragen op 1 augustus 2016 heeft de rechtbank alle zaken aangehouden waarin niet-ingezeten beleggingsfondsen teruggaaf van dividendbelasting vragen. De werkvoorraad bij de rechtbank is daardoor gegroeid naar circa 7.000 zaken. [10]
BNB2015/203 [11] wat betreft de principiële (on)vergelijkbaarheid van niet-onderworpen en wel-onderworpen beleggingsinstellingen. De rechtbank stelt u daarom de volgende aanvullende vraag 1:
Fidelity Fundsvragen oproept en dat voor haar onduidelijk is of de intrekking van uw eerste prejudiciële vraag in belanghebbendes zaak betekent dat u r.o. 84 van
Fidelity Fundsvoor de Nederlandse situatie wél duidelijk acht. De overige vragen van de rechtbank zoeken daarom duidelijkheid over de vragen of (i) mijn opvatting (tweede aanvullende conclusie van 27 september 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1061) over de betekenis van r.o. 84 van
Fidelity Fundsvoor de bij de rechtbank aanhangige dividendbelastingprocedures juist is en zo ja, (ii) wat daarvan dan de procedurele gevolgen zijn, en zo neen, (iii) welke betekenis die r.o. 84 dan wél heeft voor de Nederlandse dividendbelastingprocedures. Deze overige vragen luiden als volgt:
V-N2019/14.12 tekende bij de geciteerde aanvullende vragen van de Rechtbank van 26 februari 2019 het volgende aan:
Onduidelijkheid na Fidelity-arrest
3.Splitsing van de beantwoording
BNB2017/86) waarin u materieel de vragen 4a en 4b van 1 augustus 2016 van de Rechtbank heeft beantwoord, maar elke verdere beslissing heeft aangehouden en het geding heeft geschorst totdat het HvJ op uw vragen aan dat Hof uitspraak zal hebben gedaan.
a. over de uitlegging van de Verdragen,
b. over de geldigheid en de uitlegging van de handelingen van de instellingen, de organen of de instanties van de Unie.
BNB2016/197, [13] waarin u de middelen I t/m IV afdeed en alleen in verband met middel V prejudiciële vragen naar het HvJ verwees. Een verwijzing naar Luxemburg houdt niet in dat het geschil ook naar Luxemburg gaat: het geschil blijft gewoon thuis bij de verwijzende nationale rechter en wordt alleen geschorst voor zover afhankelijk van de antwoorden op de verwezen vragen. [14] Verwijzing is slechts een procesincident in de hoofdzaak (de nationale procedure); het is géén instantie, [15] uiteraard niet, want het HvJ gaat niet over de uitleg van nationaal recht, ook niet over de verenigbaarheid daarvan met EU-recht, maar uitsluitend over de uitleg van EU-recht. Het is aan de nationale rechter om op basis van die uitleg te beoordelen of zijn interne recht verenigbaar is met het aldus door het HvJ uitgelegde EU-recht. Prechal en Widdershoven schrijven dan ook: [16]
X Fund): zie art. 27gc(9) AWR. De MvT bij het Belastingplan 2016 [19] benadrukt dat ingetrokken prejudiciële vragen toch beantwoord kunnen worden. [20]
4.Schriftelijke opmerkingen van de partijen
De belanghebbende
Fidelity Fundsaf dat de voorwaarde van inhoudingsplicht om in aanmerking te komen voor teruggaaf niet proportioneel is als het gaat om bewaring van de coherentie van het Nederlandse belastingsysteem. Die bewaring is ook mogelijk zonder een zo ver gaande belemmering van het kapitaalverkeer, bijvoorbeeld door buitenlandse fondsen op hun verzoek inhoudingsplichtig te maken of economische dubbele belastingheffing te voorkomen bij de aandeelhouder.
Fidelity Funds, met name of daar een Nederlandse bronbelasting wordt bedoeld of een bronbelasting in het vestigingsland van het buitenlandse fonds. Gaat het om een Nederlandse belasting, dan ontbreekt in de Nederlandse belastingwet de mogelijkheid om een buitenlands fonds de belasting te laten betalen, terwijl vrijwillige betaling zonder wettelijke basis een Nederlandse belegger die via een buitenlands fonds belegt in Nederlandse aandelen (U-bocht-belegger) slechter af achterlaat dan een Nederlandse belegger in een fiscale beleggingsinstelling (fbi), omdat vrijwillig betaalde bronbelasting niet verrekend wordt met de eindheffing ten laste van die belegger. Volgens de belanghebbende moet de beperking van de vrijheid van kapitaalverkeer daarom opgeheven worden door wettelijke verankering van die minder beperkende maatregel. Zij meent dat u niet zelf in het rechtstekort kunt voorzien, maar dat moet overlaten aan de wetgever. De belastingrechter is volgens haar niet bevoegd om de door haar vrijwillig te betalen Nederlandse dividendbelasting te bepalen omdat het rechtzekerheidsbeginsel en het Unierechtelijke non-discriminatiebeginsel meebrengen dat de belasting die in Nederland moet worden betaald op een wettelijke basis berust. Zij wijst op art. 104 Grondwet Pro.
Fidelity Fundseen bronbelasting bedoeld zou zijn die het buitenlandse fonds in zijn vestigingsstaat betaalt, ziet de belanghebbende problemen bij de opheffing van de belemmering van het kapitaalverkeer. Zij stelt dat Nederland niet als voorwaarde voor teruggaaf de betaling van buitenlandse belasting mag stellen omdat (i) er lidstaten zijn die geen dividendbelasting kennen of heffen, (ii) een bronheffing in het buitenland niets zegt over de uiteindelijke belastingdruk bij de belegger en (iii) de vaststelling van belastingtarieven is voorbehouden aan de lidstaten. Het Unierecht laat haars inziens niet toe dat de toekenning van een Nederlands fiscaal voordeel afhankelijk wordt gemaakt van heffing in een andere lidstaat gelijk aan de Nederlandse heffing.
Fidelity Fundsaanleiding geeft tot heroverweging van HR
BNB2015/203, nu het Nederlandse fbi-stelsel intern en doelconsistent is doordat het - anders dan het Deense in
Fidelity Funds- ook buitenlandse dividendbelasting teruggeeft aan ingezeten fbi’s. Het kan Nederland, dat wél buitenlandse dividendbelasting teruggeeft, bezwaarlijk verweten worden dat andere lidstaten dat niet doen. Hij acht daarom het Nederlandse fbi-regime niet in strijd met het vrije kapitaalverkeer.
Fidelity Fundsdat het behoud van fiscale coherentie die belemmering in beginsel kan rechtvaardigen, maar dat een minder belemmerende maatregel bestaat dan weigering van teruggaaf, nl. betaling van bronbelasting aan de bronstaat Denemarken bij dooruitdeling door het niet-Deense fonds dat vrijstelling van Deense dividendbelasting wenst. Het gaat zijns inziens in r.o. 84 van
Fidelity Fundsom
Deensebronheffing omdat een
niet-Deense bronheffing bij dooruitdeling onmogelijk de fiscale incoherentie kan herstellen die ontstaat bij vrijstelling van Deense dividendbelasting ten laste van het Deense fonds zonder Deense dividendbelasting ten laste van diens deelnemers.
Miljoen, C-14/14,
X., en C-17/14,
Société Générale S.A., bepaald worden naar bronstaatmaatstaven, dus in casu naar Nederlandse maatstaven.
Fidelity Fundsniet het oog hebben gehad op een inhouding in de bronstaat Denemarken, maar op een bronheffing in de vestigingsstaat van het buitenlandse fonds, dan meent de Staatssecretaris dat teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting aan buitenlandse fondsen afhankelijk kan worden gesteld van feitelijke betaling van bronbelasting in het fondsvestigingsland tot ten minste het bedrag dat een fbi moet inhouden op een dividenduitkering. Het buitenlandse fonds heeft, net als een fbi, recht op teruggaaf voor zover die wordt gecompenseerd door feitelijke betaling van een belasting in de vestigingsstaat gelijk aan de belasting die de fbi afdraagt. Zou Nederland meer moeten teruggeven, dan zou Nederland verantwoordelijk worden voor negatieve gevolgen van de wetgeving van een andere Staat.
Vraag 1: implicatie van de niet-onderworpemheid van niet-ingezeten fondsen en hun deelnemers
BNB2015/203 dat een niet-ingezeten beleggingsfonds objectief niet vergelijkbaar is met een ingezeten fbi omdat een niet-ingezeten fonds niet inhoudingsplichtig is voor de Nederlandse dividendbelasting (en zijn deelnemers evenmin onderworpen zijn aan Nederlandse inkomstenbelasting).
Fidelity Funds:
Fidelity Fundsen ’s Hofs vraag of u uw vragen in belanghebbendes zaak zou willen intrekken, afleidt dat het HvJ ook in belanghebbendes zaak de vrijheid van kapitaalverkeer in beginsel geschonden zal achten omdat hij fondsen en hun deelnemers die niet aan Nederlandse (inhouding van) bronheffing onderworpen kunnen worden desondanks objectief vergelijkbaar acht met fondsen en hun deelnemers die daaraan wél zijn onderworpen. Gezien het doel en de werking van het Nederlandse fbi-regime is dat oordeel mijns inziens onjuist. Ik roep u daarom op om zo snel mogelijk alsnog in de lopende prejudiciële procedure aan het HvJ voor te leggen dat het Nederlandse systeem – anders dan het Deense – wél internationaal coherent is door de teruggave aan fbi’s óók van bronheffingen van andere EU-lidstaten en dat eventuele resterende economische dubbele belasting een gevolg is ofwel van het uiteenlopen van de nationale fiscale stelsels voor collectieve-beleggingsfondsen (van een dispariteit dus), ofwel van een discriminatie door de vestigingsstaat van het niet-ingezeten fonds, die - anders dan Nederland - weigert om bij dooruitdeling dezelfde tegemoetkoming voor buitenlandse (Nederlandse) dividendbelasting aan zijn
fbi-
likefondsen te geven die hij voor zijn eigen dividendbelasting wel aan die fondsen geeft (als die Staat zo’n tegemoetkoming ook voor binnenlandse dividenden niet geeft, dan gaat het om een dispariteit die Nederland niet hoeft op te lossen). De oorzaak van mogelijke economische dubbele belasting zit dus niet in Nederland. Het HvJ ware dan ook te wijzen op de mogelijkheid dat de betrokken fondsen ook in hun vestigingsstaat proberen met een beroep op het vrije kapitaalverkeer teruggave/verrekening van de Nederlandse dividendbelasting te verkrijgen tegenover door het in te houden lokale dividendbelasting bij dooruitdeling en aldus proberen dubbel te declareren. Ook ware het HvJ expliciet te wijzen op het algehele verbod op
secondary withholding taxesin art. 10(5) OESO-Modelverdrag. Het wordt uit de conclusie en het arrest in de zaak
Fidelity Fundsniet duidelijk of het HvJ dat verbod op het netvlies heeft.
BNB2015/203 en u te conformeren aan het onjuiste arrest
Fidelity Funds: niet-ingezeten fondsen en hun deelnemers worden geacht objectief vergelijkbaar te zijn met fbi’s en hun deelnemers, hoewel evident is dat objectief bezien - vanuit het doel van het fbi-regime (verplaatsing van de dividendbelasting, óók van de buitenlandse, van de ingang naar de uitgang) - niet-ingezeten fondsen en hun deelnemers, die niet onderworpen kunnen worden aan (inhouding van) Nederlandse bronheffing, volstrekt onvergelijkbaar zijn met ingezeten fondsen en hun deelnemers die daaraan wél zijn onderworpen, nu bronheffing aan de uitgang cruciaal is voor de (gerechtvaardigde) interne fiscale consistentie van een fbi-stelsel dat ingangsbronheffing restitueert. Opmerkelijkerwijs vindt ook het HvJ dat, maar inconsistenterwijs pas bij de vraag naar de rechtvaardiging van de ten onrechte in Nederland in plaats van in de vestigingsstaat van het fonds gesitueerde belemmering (zie de onderdelen 3.9 - 3.14 van de tweede aanvullende conclusie in belanghebbendes zaak [21] ), zij het dat het HvJ
negatievefiscale consistentie (geen teruggaaf aan de ingang omdat heffing aan de uitgang onmogelijk is) disproportioneel acht en in plaats daarvan
positievefiscale consistentie eist: Nederland (en Denemarken) moet(en) van het HvJ dan maar een ‘vrijwillige’ extraterritoriale bronheffing van de (deelnemers in) niet-ingezeten fondsen vragen om de teruggaaf van ingangsbelasting daarmee te compenseren. Een vrijwillige verboden extraterritoriale belastingheffing lijkt mij een constitutioneel vrij bizar en een fiscaal innerlijk tegenstrijdig verschijnsel. De vraag kan rijzen aan welke bepaling van primair EU-recht het Hof een bevoegdheid baseert om een dergelijke verplichting tot positieve in plaats van negatieve fiscale coherentie op te leggen aan een lidstaat.
Fidelity Fundsis op dit punt ook in strijd met
Timac Agro [22] en
PMT: [23] net zoals Denemarken in
Fidelity Funds, waren ook in die zaken de betrokken lidstaten
nietbevoegd tot fiscale onderwerping van het betrokken inkomen, en in die zaken oordeelde het HvJ wel degelijk dat onderworpen entiteiten en niet-onderworpen entiteiten objectief
nietvergelijkbaar zijn, zodat hij aan de vraag naar een rechtvaardiging voor verschillende behandeling niet toekwam, laat staan aan een proportionaliteitsbeoordeling. Waarom hij daar dan in
Fidelity Fundswél aan toe wenst te komen (met het beschreven constitutioneel en fiscaal opmerkelijke resultaat), blijft duister.
Fidelity Fundsweliswaar in abstracto het Deense beroep op de noodzaak de coherentie van het Deense belastingstelsel te waarborgen, maar kwam tot de conclusie dat de wijze waarop dit doel werd verwezenlijkt verder ging dan noodzakelijk:
secondary withholding tax. Het precieze antwoord op de aanvullende vraag 1 van de rechtbank is mijns inziens daarom dat (i) haar eerste prejudiciële vraag van 12 augustus 2016 inderdaad bevestigend wordt beantwoord en (ii) weigering van teruggaaf aan niet-ingezeten fondsen niet gerechtvaardigd kan worden op de grond dat zij niet aan inhoudingsplicht kunnen worden onderworpen indien ook een minder belemmerende maatregel de fiscale coherentie van het fbi-stelsel kan bewaren en dat (volgens het HvJ) die minder belemmerende maatregel bestaat, nl. ‘vrijwillige’ betaling door niet-ingezeten fondsen, binnen acht maanden na afloop van het boekjaar, van een bedrag ter hoogte van de dividendbelasting die een fbi ter zake van de door hen ontvangen Nederlandse dividenden bij dooruitdeling binnen acht maanden zou moeten inhouden en afdragen.
Deensebelastingstelsel gaat, acht ik elke andere uitleg onzinnig want manifest fiscaal incoherent. Van de in r.o. 82 bedoelde ‘compensatie’ binnen het Deense stelsel zou uiteraard geen sprake kunnen zijn. Dat is zó evident dat het Hof het niet opschrijft; de A-G en met name de Commissie schrijven het overigens wél (expliciet) op: ik verwijs naar onderdeel 5 van de tweede aanvullende conclusie in belanghebbendes zaak. [26] Dat er (Duitse) annotatoren [27] zijn die het mogelijk achten dat het Hof een niet-Deense bronbelasting of inkomstenbelasting bedoelt (welke bronbelasting in bijvoorbeeld Luxemburg en het VK niet bestaat en welke inkomstenbelasting in bijvoorbeeld België niet bestaat), zal aan hun wetenschappelijke belangstelling liggen. Dat het HvJ EU het in
Fidelity Fundsheeft over ‘een belasting betalen die gelijk is aan die welke in Denemarken gevestigde § 16 C-fondsen als voorheffing moeten inhouden’ (en niet de Deense belasting zelf) is volstrekt logisch omdat het inderdaad
nietom de Deense bronheffing zelf gaat, die Denemarken immers niet kán opleggen, zoals het HvJ expliciet vaststelt in r.o. 58, maar om een belasting
vervangendebetaling
gelijk aan(zie r.o. 84 van
Fidelity Funds; dus niet ‘vergelijkbaar met’) de belasting die Deense §16C‑fondsen moeten inhouden en
aan Denemarkenmoeten afdragen.
Vraag 2: bepaling van de voor teruggaaf vereiste dividendbelastingvervangende betaling en de te volgen procedure
Fidelity Funds. Het Hof heeft immers uitdrukkelijk in dat arrest die voorwaarde gesteld om ook overigens voor nationale behandeling in aanmerking te kunnen komen.
A Oy [28] , en C- 593/14,
Masco [29] , waarin de vereiste nationale behandeling door de belemmerende Staat (uiteraard) volgens de nationale maatstaven van die Staat moest worden bepaald. U zie met name ’s Hofs beantwoording van de tweede prejudiciële vraag in de genoemde zaak
A Oy.
Fidelity Fundslijken het antwoord overigens al ondubbelzinnig te geven (
curs. PJW): “icbe’s die zijn gevestigd in een andere lidstaat dan het Koninkrijk Denemarken en
die voldoen aan de voorwaarden van § 16 C van de ligningslov.” Het lijkt mij op grond daarvan dat alle niet-ingezeten fondsen die in wezen éénpersoonvehikels zijn en dus per definitie niets te maken hebben met de doelstelling van fiscale neutraliteit van
collectievebelegging maar kennelijk andere doelen dienen, hoe dan ook niet voor het fbi-regime in aanmerking kunnen komen. Daarop wijzen ook de vragen die het HvJ voor de mondelinge behandeling op 22 mei 2019 van belanghebbendes zaak heeft voorgelegd aan de partijen. Die vragen gaan ervan uit dat het in elk geval om icbe’s moet gaan (maatschappijen voor
collectievebelegging in effecten of fondsen voor
collectievebelegging in effecten; zie art. 1.1 Wet op het financieel toezicht):
Fidelity Fundsrecht heeft op vrijstelling, nu niet blijkt dat zij heeft voldaan aan de in § 16 C van de
ligningslovneergelegde vereisten inzake de minimumuitkering:
Fidelity Funds, lijkt op zichzelf niet beslissend of het niet-ingezeten fonds geheel, gedeeltelijk, fictief of niet dooruitdeelt, als het maar – net als een ingezeten fbi – binnen acht maanden na het kalenderjaar van ontvangst van het Nederlandse dividend een bedrag aan de Nederlandse fiscus betaalt gelijk aan de dividendbelasting die ingehouden en afgedragen zou moeten worden door een fbi die ter zake van dat dividend (wel) aan alle (dooruitdelings)eisen van art. 28 Wet Pro Vpb voldoet. Die betaling is immers de meest cruciale voorwaarde die het HvJ in
Fidelity Fundsstelt aan nationale behandeling (vrijstelling van instroombelasting), al gaat hij er in de r.o. 84 en 85 vanuit dat het niet-ingezeten fonds ook overigens “voldoet aan de voorwaarden van § 16 C van de ligningslov.” Gezien zijn hierboven (6.3) geciteerde vragen voor de zitting in belanghebbendes zaak, lijkt hij dat echter af te zwakken. Mijns inziens valt te verwachten dat hij voor nationale behandeling voldoende zal achten dat niet-ingezeten fondsen voldoen aan, naast de voorwaarde van een dividendbelastingvervangende betaling, in grote lijnen
vergelijkbareeisen als de fbi-eisen. Cruciaal is hoe dan ook de bronheffingvervangende betaling aan de Nederlandse fiscus, maar voor nationale behandeling moet denkelijk ook aan de andere voor het fbi-regime wezenlijke nationale eisen voldaan worden, i.e. de eisen die rechtstreeks uit het doel van fiscaal neutrale collectieve belegging voortvloeien; de belangrijkste daarvan, na de eis van betaling aan de uitgang, lijken te zijn (i) een snelle dooruitdeling aan de beleggers en (ii) voldoende spreiding van (particuliere) beleggers, c.q. voldoening aan de icbe-kenmerken. Het betoog van de niet-ingezeten fondsen dat zij best vrijwillig aan de Nederlandse dooruitdelings-, inhoudings- en afdrachtseisen willen voldoen omdat het hen er om gaat het verrekeningsrecht te kunnen doorgeven aan hun beleggers, kan immers ook slechts geloofwaardig zijn als zij de door hen ontvangen Nederlandse dividenden daadwerkelijk geheel en snel dooruitdelen.
Simmenthal [35] is de nationale rechter:
Factortame e.a. [37] de bevoegdheid om de toepassing van een
Act of Parliamentbij wijze van (naar Brits recht niet-bestaande) voorlopige voorziening op te schorten gedurende de prejudiciële procedure over de verenigbaarheid van die wet met EU-recht, en in de zaak
Unibet [38] om voorlopige maatregelen te nemen totdat de naar nationaal recht bevoegde (bodem)rechter de verenigbaarheid van een bestreden maatregel met EU-recht heeft beoordeeld. Het EU-recht schept dus procesrechtelijk ook positieve verplichtingen, al brengt het HvJ het als een verplichting om belemmerende nationale procesrechtelijke voorschriften buiten toepassing te laten. [39]
Minister for Justice and Equality, Commissioner of An Garda Síochána v. Workplace Relations Commission: [40]
BNB2003/122 [41] had het Hof Leeuwarden geoordeeld dat wegens strijd met het Unierecht van de wijze van heffing van BPM op geïmporteerde auto’s de gehele geheven BPM teruggegeven moest worden. U vernietigde dat oordeel omdat het Unierecht niet tot verdere teruggaaf verplicht dan het exces boven de restant-BPM in vergelijkbare binnenlandse auto’s en u droeg de inspecteur op om het EU-recht uit te voeren door die exces-bedragen uit te rekenen en om de belanghebbende in de gelegenheid te stellen de berekening(scriteria) voor elke individuele auto te betwisten. Dat leverde volgens u geen spanning met het fiscale legaliteitsbeginsel op, hoezeer ook de Nederlandse wet niet voorzag in een dergelijke berekening(scriteria) en gedeeltelijke teruggaaf, nu het juiste bedrag zich liet afleiden uit de wél bestaande BPM-wetgeving:
BNB2009/3 [42] liep het anders omdat in dat geval de nationale wet onvoldoende hulp bood om het BPM-bedrag uit te rekenen waartoe eerbiediging van het EU-recht zou leiden. U liet de bepaling daarvan daarom in dat geval over aan de wetgever. De zaak betrof de vraag of het EU-recht toestond BPM te heffen zonder rekening te houden met de duur van de autohuurovereenkomst of met de duur van het gebruik van de weg in Nederland. Het HvJ oordeelde van niet. Na terugkeer van de zaak uit Luxemburg betoogde de Staatssecretaris dat de BPM kon worden gehandhaafd voor zover evenredig aan het autogebruik op Nederlandse bodem. U oordeelde echter dat een methode van gebruiksduur-evenredige BPM-heffing niet viel af te leiden uit het stelsel van de geldende wet. U vernietigde daarom de hele naheffingsaanslag BPM wegens onvoldoende wettelijke grondslag:
Fidelity Funds, dat een dergelijke U-bochtbelegger recht heeft op verrekening van die vrijwillig aan Nederland betaalde belasting met zijn inkomstenbelasting op dezelfde wijze als een rechtstreekse belegger de te zijnen laste ingehouden dividendbelasting kan verrekenen. Alsdan moeten de fiscus en de rechter een in art. 9.2 Wet IB 2001 gelezen verrekeningsbeperking dus in zoverre buiten toepassing laten. Zie de rechtspraak genoemd in de onderdelen 6.7 - 6.9 hierboven.
Fidelity Funds-arrest moet uitleggen. Als dat laatste niet zou kunnen wegens onmiskenbare onverenigbaarheid met nationaal of bilateraal recht van verrekening van de vrijwillig van de ingang naar de uitgang verplaatste Nederlandse dividendbelasting (wat ik niet zie), dan is die Staat mijns inziens op grond van het vrije kapitaalverkeer, zoals uitgelegd in
Fidelity Funds, verplicht om die verrekeningsbeperkingen buiten toepassing te laten. Uiteraard is die vestigingsstaat niet verplicht meer te verrekenen dan hij zelf heft aan eindheffing bij de deelnemers of aan bevrijdende voorheffing (België) bij het dooruitdelende fonds. [47]
vrijwilligeverplaatsing van de geheven dividendbelasting van de ingang naar de uitgang (
quod non), belet mijns inziens niets Nederland om de wetgeving die een dergelijke EU-rechtelijk reeds bestaande vrijwillige keuzemogelijkheid codificeert zonder bezwaar met terugwerkende kracht in te voeren. Zie onderdeel 2.14 van de tweede aanvullende conclusie van 27 september 2018 in belanghebbendes zaak. [48]
BNB2003/122, is in casu de maatstaf voor de berekening van het vrijwillig te betalen bedrag niet ongewis en laat dat bedrag zich voldoende nauwkeurig berekenen. Net als in die zaak leidt dat niet tot enige inbreuk op het voor belastingheffing geldende legaliteitsbeginsel. De vraag rijst overigens welke betekenis,
if any, een legaliteitsbeginsel heeft bij geheel vrijwillige instemming, zoals door het HvJ verondersteld, met buitenwettelijke verplaatsing van de dividendbelasting van de ingang naar de uitgang en geheel vrijwillig afzien van beroep op een eventueel toepasselijk art. 10(5) OESO-Modelbelastingverdrag. Anders dan in de in 6.11 geciteerde zaak HR
BNB2009/3 kan in casu het gebrek worden hersteld binnen het stelsel van de Nederlandse wetgeving omdat zich uit die wetgeving eenduidig laat afleiden welk vrijwillig te betalen bedrag het HvJ bedoelt, en dat de wetgever zou hebben bepaald als hij de strijd met het EU-verdrag zou hebben onderkend en zou hebben willen vermijden conform ’s Hofs
Fidelity Fundsarrest. Dat bedrag laat zich afleiden uit art. 28(2)(b) Wet Vpb, de artt. 2 en 5 Besluit beleggingsinstellingen (BBI) en de artt. 3.14 en 3.15 Wet IB 2001.
Fidelity Fundsaanspraak hebben mits zij voldoen aan de (aandeelhouders)eisen waaraan ook ingezeten fbi’s moeten voldoen - zie r.o. 84 en 85 van
Fidelity Funds- die het HvJ zal blijken te handhaven in de nog aanhangige zaak van de belanghebbende; (iii) bij daadwerkelijke betaling door verrekening met die teruggaaf, moet de fiscus het niet-ingezeten fonds een bewijs afgeven dat het fonds Nederlandse dividendbelasting heeft ingehouden en afgedragen ten laste van zijn deelnemers ter zake van door hem ontvangen Nederlandse dividenden door verrekening met de teruggaaf waarop hij volgens
Fidelity Fundsrecht had op voorwaarde dat hij dat bedrag aan belasting zou inhouden en afdragen; (iv) is het niet-ingezeten fonds het niet eens met het door de fiscus uitgerekende bedrag of anderszins niet eens met de beslissing van de fiscus op zijn verzoek, bijvoorbeeld omdat hij het fonds onvoldoende vergelijkbaar acht met een fbi, dan moet de rechtbank beslissen.
Hariboen
Salinen [50] volgt dat de bewijslast ter zake van de voldoening aan de voor teruggaaf vigerende vervangende-betalingsvoorwaarde en ter zake van het voldoen aan dezelfde (aandeelhouders)eisen als een fbi op het niet-ingezeten fonds rust.
Rewe-riedel) respecteert. De rechtbank splitst de bij haar aanhangige circa 7.000 beroepen in twee groepen. De eerste groep (A) bestaat uit (i) de beroepen van éénpersoonsvehikels zoals met name de Duitse
Sondervermögensmet één deelnemer; (ii) de beroepen van fondsen die niet binnen een door de rechtbank te stellen redelijke termijn schriftelijk verklaren dat zij de voorwaarde van het HvJ in
Fidelity Fundsvan een dividendbelastingvervangende betaling aan de Nederlandse fiscus zullen vervullen en daartoe alle benodigde gegevens zullen overleggen aan de inspecteur, en (iii) de beroepen van andere niet-ingezeten fondsen die om andere redenen geen kans maken om geacht te kunnen worden voldoende te beantwoorden aan de eisen voor ingezeten fbi’s. De tweede groep (B) bestaat uit alle andere beroepen van niet-ingezeten beleggingsfondsen tegen de afwijzing van hun verzoek om teruggaaf. In de zaken in categorie A verklaart de rechtbank het beroep ongegrond. Immers, als de fondsen in die groep geen dividendbelastingvervangende betaling doen of niet aan de uit
Haribo&
Salinenvoortvloeiende bewijslast voldoen, komen zij hoe dan ook niet voor teruggaaf in aanmerking. Voor de éénpersoonsvehikels geldt dat als zij niet al fiscaal transparant zijn omdat zij vereenzelvigd moeten worden met hun alleenheerser, c.q. zij niet al afvallen omdat zij geen
beneficial ownervan het dividend zijn, [51] het een
acte clairis dat de vrijwillige-betalingskeuze geboden door
Fidelity Fundsniet geldt voor hen geldt: fondsen die hoe dan ook niet kunnen voldoen aan minimaal de cruciale eisen van § 16C
Ligningslovresp. art. 28 Wet Pro Vpb, bijvoorbeeld omdat er
nietscollectiefs aan hen valt te ontdekken (zoals bij de 1-persoonsvehikels), of die om andere redenen manifest niet voldoen aan doel en strekking van het fbi-regime, komen niet in aanmerking. Hun beroepen zijn kansloos, gegeven de voorwaarden die het HvJ in r.o. 84 en 85 van
Fidelity Fundsaan teruggaaf stelt. Wat er ook uit uw aan het HvJ gestelde prejudiciële vragen zal komen,
nietdat 1-persoonsvehikels die nooit icbe kunnen zijn ook mee zouden mogen doen. De rechtbank is overigens niet verwijzingsplichtig ex art. 267 VwEU Pro en hoeft niet te wachten op het HvJ, en de belanghebbende fondsen kunnen desgewenst in hoger beroep of sprongcassatieberoep tegen de ongegrondverklaring.
Fidelity Funds, (ii) uw thans te geven antwoorden op de prejudiciële vragen van de rechtbank van 26 februari 2019, (iii) de door het HvJ in belanghebbendes zaak C-156/17 te geven antwoorden op uw prejudiciële vragen en (iv) uw eindarrest in belanghebbendes prejudiciële zaak. [52] De rechtbank zou een termijn kunnen stellen die begint te lopen na uw eindarrest in belanghebbendes prejudiciële zaak (art. 8:72(4)(b) Awb), maar aangezien de fiscus pas een nieuw besluit kan nemen na bewijslevering door de desbetreffende fondsen, is dat wellicht niet opportuun. Ik herhaal dat de bewijslast bij de belanghebbenden ligt. Men zou voor deze B categorie zaken ook kunnen denken aan een bestuurlijke lus (art. 8:51a Awb), maar mijns inziens moeten deze zaken, gezien hun mogelijk grote aantal en - volgens de rechtbank - zitting-
onrijpheid, op feiten en bewijs gefilterd worden door de inspecteur met behulp van een loket, een procedurebeleidsregel, een webformulier en een nieuwe voor bezwaar vatbare beschikking. Er moeten mijns inziens gepubliceerde administratieve beleidsregels komen, vergelijkbaar met de gedelegeerde regels gesteld krachtens art. 10a(6) Wet Divb. Mogelijk blijven er overigens niet veel in dividendbelastingvervangende betaling geïnteresseerde én fbi-vergelijkbare fondsen over als u volstrekt duidelijk maakt dat na
Fidelity Fundshet verhoopte meeliften op een ongerechtvaardigde
windfall profiter echt niet in zit, nu uit dat arrest onmiskenbaar blijkt dat hoe dan ook altijd de dividendbelastingvervangende betaling bedoeld in dat arrest gedaan zal moeten worden om in aanmerking te kunnen komen voor de teruggaaf van dividendbelasting waarop een fbi in overigens gelijke omstandigheden aanspraak zou hebben gehad. Ik roep u op die volstrekte duidelijkheid te bieden. Over de door de rechtbank in beginsel bij gegrondverklaring van een beroep toe te kennen proceskostenvergoeding [53] merk ik op dat alle beroepen waarin de niet-ingezeten fondsen door hetzelfde kantoor worden vertegenwoordigd, mij als samenhangend voorkomen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
acte clairis - zie 5.8 hierboven - dat het HvJ in
Fidelity Fundsniet het oog
kanhebben gehad op vrijwillige betaling door een niet-Deens fonds in enig ander land dan Denemarken van enige niet-Deense belasting. Dat zou fiscaal volslagen
incoherent zijn en manifest in strijd met zijn vaste rechtspraak. Zie onderdeel 5 van de tweede aanvullende conclusie van 27 september 2018 (ECLI:NL:PHR:2018:1061) in belanghebbendes zaak. Beantwoording ervan is daarom mijns inziens niet nodig – want hypothetisch – voor de beslechting van de bij de rechtbank aanhangige geschillen.
7.Derde aanvullende conclusie
Fidelity Funds, zodat zij rechtstreeks voortvloeit uit het met voorrang en directe werking in de Nederlandse rechtsorde doordringende primaire EU-recht, zoals uitgelegd door het HvJ. Het bedrag van die belastingvervangende betaling aan Nederland moet berekend worden volgens de Nederlandse fbi-regime-maatstaven.
Fidelity Fundsrecht hebben, mits zij voldoen aan de overige (aandeelhouders)eisen waaraan ook ingezeten fbi’s moeten voldoen; (iii) de fiscus moet alsdan aan het niet-ingezeten fonds een bewijs afgeven dat het fonds Nederlandse dividendbelasting heeft ingehouden en afgedragen ten laste van zijn deelnemers ter zake van door hem ontvangen Nederlandse dividenden door verrekening met de teruggaaf waarop hij op grond van het arrest
Fidelity Fundsrecht had op voorwaarde dat hij dat bedrag zou inhouden en afdragen; (iv) is het niet-ingezeten fonds het niet eens met het door de fiscus uitgerekende bedrag of anderszins niet eens met de beslissing van de fiscus op zijn verzoek, dan kan het fonds tegen het nieuwe besluit op zijn verzoek opnieuw in beroep bij de rechtbank.