Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
erga omneswerkende recht op vrij verkeer van kapitaal (art. 63 VwEU Pro [1] ) doordat zij bij dooruitdeling van door haar ontvangen Nederlandse dividenden niet in aanmerking komt voor teruggaaf als substituut voor de afdrachtvermindering ex art. 11a Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet DB). Het Hof vraagt u het volgende:
open-end diversed management company. Zij belegt het in haar ingelegde vermogen onder meer in Nederland, maar heeft daar geen vaste inrichting (gehad). Op het door haar ontvangen dividend is 15% dividendbelasting ingehouden, die zij terug wil hebben. In geschil is of de Nederlandse weigering van teruggaaf van dividendbelasting c.q. van afdrachtvermindering bij dooruitdeling de EU-vrijheid van kapitaalverkeer – die ook jegens derde landen geldt – ongerechtvaardigd belemmert. Is dat het geval, dan is vervolgens in geschil of de afdrachtverminderingsregeling niettemin beschermd wordt door de
grandfather clausevan art. 64(1) VwEU. Daarvoor is beslissend (i) of die regeling, althans een regeling met dezelfde hoofdgedachte ononderbroken heeft bestaan sinds 31 december 1993 en (ii) of het litigieuze beleggingsverkeer onder één van de vier in art. 64(1) VwEU genoemde beschermde categorieën van kapitaalverkeer valt, waarbij alleen het kapitaalverkeer in verband met financiële diensten in aanmerking komt.
Köln-Aktienfonds Deka) en C-157/17 (
X Fund) (de laatste zaak is inmiddels doorgehaald; zie hieronder) gaan alleen over de teruggaafregeling van vóór 2008.
Fidelity Funds, volgt dat de vrijheid van kapitaalverkeer van toepassing is op belanghebbendes geval. Met het arrest
Fidelity Fundslijkt ook gegeven dat het Nederlandse
teruggaafregime door het HvJ EU in beginsel (maar mijns inziens ten onrechte) als een belemmering van de vrijheid van kapitaalverkeer zal worden beschouwd.
afdrachtverminderingssysteem – ontkennend moet luiden, omdat een jurisdictioneel ongrijpbare niet-inhoudingsplichtige onvergelijkbaar is met een jurisdictioneel onderworpen inhoudingsplichtige, en het extrajurisdictioneel vatten van die niet-inhoudingsplichtige onmogelijk is als gevolg van het algemene verbod op extraterritoriale
secondary withholding taxes.
Niet-onderworpenheid is logisch en principieel onvergelijkbaar met onderworpenheid als vergeleken moet worden op basis van de ratio van een systeem dat uitsluitend beoogt onderworpenheid te verplaatsen van de ingang naar de uitgang. Maar ook als niet-vergelijkbare niet-onderworpenen en wel-onderworpenen wél als gelijk beschouwd zouden moeten worden, zie ik onder het afdrachtverminderingsstelsel geen verschil in behandeling tussen die twee gevallen. Immers: ten laste van zowel een ingezeten als een niet-ingezeten fonds wordt dividendbelasting ingehouden. Geen van beide krijgt die belasting terug. Bij dooruitdeling is een niet-ingezeten fonds niet verplicht iets in te houden en af te dragen aan de Nederlandse fiscus, terwijl een ingezeten fbi wél verplicht is om in te houden (dus
ongunstiger behandeld wordt), maar niet verplicht om iets af te dragen omdat hij de te zijnen laste ingehouden (Nederlandse én buitenlandse) dividendbelasting tegen die ingehouden dooruitdelingsbelasting kan afzetten. Zowel aan de ingang (belastingplicht voor de dividendbelasting) als aan de uitgang (geen betalingsverplichting) worden beide fondsen dus hetzelfde behandeld door Nederland. In
Fidelity Fundshechtte het HvJ EU er met name aan dat de – volgens mij zeldzame - U-bochtbelegger (Nederlands ingezetene belegt in Nederlandse aandelen via een
nietin Nederland gevestigd fonds) fiscaal gelijk behandeld zou worden met ingezeten inleggers in ingezeten fondsen. Dat is mijns inziens in casu onder het afdrachtverminderingssysteem het geval: als de belanghebbende bij dooruitdeling aan een Nederlandse belegger géén Amerikaanse dividendbelasting inhoudt, is er geen probleem, en als zij bij dooruitdeling wél Amerikaanse dividendbelasting inhoudt, wordt die U-bochtbelegger evenmin zwaarder belast dan het binnenlandgeval, want dan kan hij de Amerikaanse dividendbelasting verrekenen met zijn Nederlandse inkomstenbelasting.
Fidelity Fundszou verlangen dat de belanghebbende de keuze moet krijgen om zich vrijwillig, net als ingezeten fondsen, te onderwerpen aan Nederlandse inhoudingsplicht op dooruitgedeelde Nederlandse dividenden, dan leidt dat niet tot een ander resultaat dan het resultaat dat zij al heeft: als zij bij dooruitdeling de vrijwillig door haar in te houden en aan Nederland af te dragen dividendbelasting verrekent met de te haren laste ingehouden Nederlandse dividendbelasting (afdrachtvermindering), dan betaalt zij per saldo bij dooruitdeling niets aan Nederland, net zoals een ingezeten fonds per saldo niets afdraagt. Hieruit volgt dat ook als het onjuiste arrest
Fidelity Fundsgevolgd wordt, de toepassing ervan op een afdrachtverminderingssysteem niet tot een ander resultaat voor de belanghebbende leidt dan niet-toepassing van dat arrest (geen teruggaaf). Ook voor de voor het HvJ EU kennelijk belangrijke, maar a-typische U-bochtbelegger leidt toepassing van
Fidelity Fundsniet tot ander resultaat dan niet-toepassing van dat arrest, zodat ook daar geen belemmering zit. Ook als een in werkelijkheid niet bestaande ongelijke behandeling van gelijke gevallen aangenomen zou worden en
Fidelity Fundstoegepast zou worden op belanghebbendes geval, zou het antwoord op vraag 1 van het Hof mijns inziens dus nog steeds ontkennend luiden.
grandfather clause) en 3 (remedie) niet toe. Juister gezegd, ad vraag 3: er is geen remedie omdat er geen kwaal is. Ik ga volledigheidshalve wel op vraag 2 in. Het Hof acht het op basis van de HvJ EU-arresten, C-560/13,
Wagner-Raithen C-317/15,
Xtwijfelachtig of belanghebbendes beleggingen ‘kapitaalverkeer in verband met financiële diensten’ zouden opleveren, zodat, als u aan de
grandfather clausezou toekomen, het antwoord van het HvJ EU ware af te wachten op vraag 2 in de Duitse zaak C-641/17,
College Pension Plan of British Colombia. Dat kunt u doen, maar ik acht buiten significante twijfel dat wel degelijk sprake is van kapitaalverkeer in verband met financiële diensten: uit
Wagner-Raithvolgt dat de dienstverlening door collectieve beleggingsfondsen jegens hun participanten onder het kapitaalverkeer in verband met financiële diensten valt. Dan lijkt mij onontkoombaar de conclusie dat hun beleggingsactiviteiten, die immers de kern zijn van hun diensten jegens hun participanten (zij beleggen voor hen en ontvangen dividend voor hen, dat zij aan hen doorbetalen) even zeer onder het kapitaalverkeer in verband met financiële diensten jegens hun participanten vallen. Er is een evident causaal verband tussen het kapitaalverkeer bestaande uit die beleggingen, dividendontvangsten en -doorbetalingen aan inleggers enerzijds en de financiële diensten van de fondsen jegens hun inleggers anderzijds, zoals het HvJ EU eist. Sterker nog: dat
ishun financiële dienstverlening.
überhauptgeen sprake is). Mede op basis van de recente HvJ EU-arresten, C-685/16,
EVen, C-135/17,
X GmbH v. Finanzamt Stuttgart – Körperschaftenmeen ik dat de afdrachtverminderingsregeling ten opzichte van de teruggaafregeling als geheel – als systeem, als hoofdgedachte – onmiskenbaar nog steeds de in 1993 ‘bestaande’ regeling is. De beoordeling wordt enigszins vertroebeld door vier maanden in 2007 waarin het kort mogelijk was voor (vaste inrichtingen van) niet-ingezeten fondsen om de fbi-status te verwerven. Als dat tot teruggaaf zonder inhouding bij dooruitdeling zou hebben kunnen leiden (wat mijns inziens overigens niet het geval is), zou dat een manifeste fout zijn geweest, die niet afdeed aan de hoofdgedachte van het fbi-systeem omdat zo’n fiscaal incoherent resultaat evident in flagrante strijd zou zijn geweest met de hoofdgedachte van dat systeem. Die mogelijke fout is dan ook snel ongedaan gemaakt, waaruit blijkt dat
alshet lek zou hebben bestaan, het evident
nietpaste in de ongewijzigde hoofdgedachte van het fbi-stelsel. Mijns inziens heeft die fout overigens überhaupt geen materieel effect gehad omdat vaste inrichtingen niet inhoudingsplichtig kunnen zijn en dus niet binnen acht maanden kunnen dooruitdelen met inhouding van dividendbelasting (een
branch profits taxwordt verboden door belastingverdragen), zodat zij niet aan de voorwaarden voor teruggaaf kunnen voldoen. Bovendien blijkt uit de zaak C-126/94,
Cadi Surgelés, dat
alsde afdrachtvermindering al een verdergaande beperking van het kapitaalverkeer zou zijn dan het gestelde tijdelijke onbedoelde lek in de teruggaafregeling van vlak daarvóór, zij alleen
in zoverrebuiten toepassing zou moeten blijven. Dat zou de belanghebbende dus niet baten, nu zij niet in de laatste vier maanden van 2007 een vaste inrichting in Nederland heeft gehad. De snelle reparatie van het evident
onbedoelde (en mijns inziens niet-bestaande) lek in het regime kan mijns inziens niet afdoen aan – de snelle intrekking
bevestigtjuist – de evident andersluidende hoofdgedachte van het fbi-systeem waarmee dat lek in flagrante strijd zou zijn, nl. onverbrekelijke fiscale samenhang tussen instroombelasting en uitstroombelasting om hetzelfde fiscale resultaat te bereiken als bij directe belegging. Bij directe belegging zou altijd dividendbelasting verschuldigd zijn geweest.
Köln Aktienfonds Dekaaf te wachten en, als u dan toch wacht, misschien ook het antwoord op vraag 2 in de zaak
College Pension Plan of British Columbia. De vragen 2 en 3 van het Hof Den Bosch hebben dan geen voorwerp meer. Zou vraag 2 wel aan snee komen, dan luidt het antwoord daarop mijns inziens bevestigend, ongeacht of het niet-ingezeten fonds in de vier laatste maanden van 2007 een vaste inrichting in Nederland had. Zou vraag 3 aan snee komen, dan zou mijns inziens het antwoord zijn dat de remedie is het bieden van de mogelijkheid van vrijwillige onderwerping aan het regime van ingezeten fbi’s, hetgeen mijns inziens niet tot enig verschil leidt met het
nietbieden van die mogelijkheid, zodat van een remedie wezenlijk niet gesproken kan worden bij gebrek aan een kwaal: er is geen discriminatie.
2.Feiten en geschil
open-end diversed management companymet rechtspersoonlijkheid, gevestigd in de VS. Zij is via een
tickercodegenoteerd aan de
NASDAQbeurs. Zij is een
[B] Corporation(voorheen een
[A] Corporation). Zij is geen paraplufonds maar heeft wel verschillende soorten participaties die door haar zelf of door gereguleerde tussenpersonen worden verkocht. De waarde van die participaties is afhankelijk van de onderliggende financiële instrumenten. De koers van de participaties wordt dagelijks genoteerd via de
tickercode.
Regulated Investment Company(RIC)-regime, maar heeft geen gebruik gemaakt van de door dat regime geboden mogelijkheid om te haren laste ingehouden dividendbelasting inclusief verrekeningsrecht, één-op-één door te geven aan haar participanten. De door haar ontvangen en dooruitgedeelde inkomsten zijn aftrekbaar van haar in de VS belastbare winst. Over inkomen dat zij niet binnen een bepaalde termijn uitkeert, betaalt zij een
excise tax. In de geschiljaren heeft zij naar Amerikaanse maatstaven al haar winst tijdig uitgekeerd, zodat zij geen
excise taxverschuldigd is geweest. In Nederland is zij noch belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting, noch inhoudingsplichtig voor de dividendbelasting.
grandfather clausevan art. 64(1) VwEU. Daarvoor is beslissend (i) of de afdrachtverminderingsregeling al dan niet berust op dezelfde ononderbroken hoofdgedachte als de teruggaafregeling die op 31 december 1993 gold en/of een eventueel bestaande belemmering versoepelde en (ii) of belanghebbendes Nederlandse beleggingen kapitaalverkeer opleveren dat valt onder één van de vier in art. 64(1) VwEU genoemde beschermde categorieën kapitaalverkeer, waarbij alleen het kapitaalverkeer in verband met de verlening van financiële diensten in aanmerking lijkt te komen.
Köln-Aktienfonds Deka) en C-157/17 (
X Fund) alleen gaan over de
teruggaafregeling voor fbi’s die tot 1 januari 2008 gold. De antwoorden in die zaken (de Bredase zaken), zullen naar zijn verwachting niet ophelderen of de in 2008 ingevoerde
afdrachtverminderingeen in beginsel verboden belemmering van het kapitaalverkeer inhoudt. De Inspecteur heeft het Hof Den Bosch daarom verzocht om daarover zo snel mogelijk hetzij aan u, hetzij aan het HvJ EU duidelijkheid te vragen. De belanghebbende heeft dat verzoek gesteund en speciaal aandacht gevraagd voor in de VS gevestigde participanten zoals pensioenfondsen die bij rechtstreekse belegging in Nederland zouden zijn vrijgesteld van Nederlandse dividendbelasting onder het belastingverdrag NL-VS, omdat zij stelt dergelijke participanten te hebben.
3.De procedure en de prejudiciële vragen
grandfather clausevan art. 64(1) VwEU.
Fidelity Funds, [5] (i) anders moet worden geoordeeld over de Nederlandse
teruggaveregeling dan het HvJ EU oordeelde over de Deense
vrijstellingsregeling in
Fidelity Fundsen zo neen, (ii) of het HvJ EU dan de verschillen tussen
teruggaveen
afdrachtverminderingwél zodanig zou achten dat afdrachtvermindering niet discrimineert, gegeven dat zij bij zowel ingezeten als niet-ingezeten beleggingsinstellingen leidt tot heffing zonder teruggave, waardoor zij verschilt van zowel de Nederlandse
teruggaveregeling als de Deense
vrijstellingsregeling. Het Hof meent met de partijen dat daarover op de kortst mogelijke termijn duidelijkheid moet komen. Voor de
teruggaveregeling wordt die duidelijkheid verwacht in de Bredase zaken C-156/17 (
Köln-Aktienfonds Deka) en C-157/17 (
X Fund), maar voor de
afdrachtverminderingbestaat geen uitzicht op duidelijkheid op korte termijn, reden voor het Hof om u om verduidelijking te vragen.
Skatteverket v. A. [6] , en C-464/14,
SECIL, [7] meent het Hof dat het daarbij alleen gaat om – voldoende merkbare – effecten in de relatie tot derde landen en niet om intra-EU-effecten.
BNB2015/203, die betoogt dat ook een buitenslands gevestigde fbi mét Nederlandse vaste inrichting geen recht op teruggaaf had omdat bij dooruitdeling door een niet-ingezeten fbi niet de onderworpenheid aan Nederlandse inhoudingsplicht bestaat die in een vergelijkbare binnenlandse situatie wél bestaat.
standstill-bepaling (
grandfather clause) [8] jegens derde landen relevant zijn. Hoewel de uitleg van de term “kapitaalverkeer in verband met financiële diensten” voor belanghebbendes geval het best rechtstreeks aan het HvJ EU zou kunnen worden voorgelegd, acht het Hof de andere vragen zodanig verweven met nationaal recht dat prejudiciële vragen aan de Hoge Raad meer voor de hand liggen.
NLF2019/0193, een anonieme redacteur in
V-N2019/7.9, en Van den Bos in
NTFR2019/355.
4.Wetgeving en wetsgeschiedenis
Verdrag inzake de werking van de Europese Unie
grandfather clauseluiden als volgt:
Artikel 63
Stb.2006, 605) en zijn de destijds geldende leden 4 t/m 6 vervallen (
Stb.2006, 631).
curs. PJW):
Een inhoudingsplichtigedie voor de heffing van de vennootschapsbelasting is aangemerkt als beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 28 van Pro de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 mag op de ingevolge artikel 7, vierde lid, op aangifte af te dragen belasting een vermindering toepassen wegens ten laste van hem ingehouden dividendbelasting en buitenlandse bronheffing.
Stb. 2007, 563), waarbij deze regeling werd ingevoerd, vermeldt het volgende: [16]
5.Kapitaalverkeer?
Fidelity Funds [17] .Die zaak betrof een Deense bronheffing op dividenden uitgekeerd aan niet-ingezeten instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) die niet werd geheven ten laste van ingezeten icbe’s die een minimumbedrag, al dan niet slechts boekhoudkundig, dooruitdeelden onder inhouding van dividendbelasting. De belanghebbenden in die zaak waren in het Verenigd Koninkrijk resp. Luxemburg gevestigde icbe’s met belangen kleiner dan 10% in Deense vennootschapen. Het HvJ EU achtte niet de vrijheden van dienstenverkeer of vestiging van toepassing, maar alleen de vrijheid van kapitaalverkeer:
Test Claimants in the FII Group Litigation(2)
(FII 2) [18] overwoog het HvJ EU daaromtrent:
FII 2, niet met
vestigingmaar met
dienstverleningsamenloopt en evenmin waarom het anders zou zijn als het, eveneens anders dan in
FII 2, niet om
inkomendmaar om
uitgaanddividend gaat (het HvJ EU verwijst overigens ook naar de voorwaarden waaronder ‘een vennootschap
van een derde landin die lidstaat toegang tot de markt krijgt’). Een bronbelasting is immers niet gericht op dienstverrichtingen, noch beïnvloedt zij de markttoegang van dienstverleners. Ik meen daarom dat de belanghebbende zich op de vrijheid van kapitaalverkeer kan beroepen, ondanks eventuele samenloop met een andere verkeersvrijheid die niet vrijgemaakt is in derdelandenverhoudingen. Voor zoveel nodig, wordt dit bevestigd door de recente zaak C-685/16,
EV, [19] over de Duitse deelnemingsvrijstelling in de
Gewerbesteuervoor minstens 15%-deelnemingen die voor vrijstelling van winstuitkeringen door een niet-EU-dochter (in die zaak een Australische deelneming) strengere voorwaarden stelde dan voor vrijstelling van winstuitkeringen door een ingezeten dochter. Over de vraag welke verkeersvrijheid van toepassing was (vestiging of kapitaalverkeer), overwoog het HvJ EU:
De betekenis van C-480/16,Fidelity Funds, en van uw intrekking van vraag 1 in zaak C-156/17,Köln-Aktienfonds Deka,voor de afdrachtvermindering van art. 11a Wet DB, en beantwoording van vraag 1 van het Hof Den Bosch
Fidelity Funds [20] heeft voor het Nederlandse fbi-regime omdat die vraag naar verwachting zal worden beantwoord in de twee door u op 3 maart 2017 naar het HvJ EU verwezen Bredase zaken [21] C-156/17 (
Köln-Aktienfonds Deka) en C-157/17(
X Fund) (uw rolnrs. 16/03954 en 16/03955), waarin ik inmiddels drie keer heb geconcludeerd, op 9 november 2016, [22] op 20 juni 2017 [23] (naar aanleiding van een intrekking en een aanvulling) en op 27 september 2018 [24] (naar aanleiding van de vraag van het HvJ EU of u na
Fidelity Fundsuw prejudiciële vragen nog wilde handhaven). Ik merk op dat de Rechtbank Zeeland-West-Brabant het wél wenselijk acht om in te gaan op de betekenis van C-480/16,
Fidelity Funds, en van de intrekking van uw eerste vraag aan het HvJ EU in de zaak C-156/17 (
Köln-Aktienfonds Deka)
.Zij heeft u daarover op 27 februari 2019 (nieuwe) aanvullende prejudiciële vragen gesteld (uw rolnummer 19/01141), met verzoek die met spoed te beantwoorden, denkelijk om de duizenden buitenlands fondsen die proberen dividendbelasting terug te krijgen, te kunnen confronteren met de (bewijs)eisen waaraan zij zullen moeten voldoen, de beperkingen van het voordeel dat zij maximaal aan het doorzetten van hun beroepen kunnen ontlenen, en de kosten die aan het proberen te behalen van dat beperkte voordeel verbonden zullen zijn, kortom om opruiming te kunnen houden onder de meelifters.
Fidelity Fundsachtte het HvJ EU het Deense onderscheid tussen (van dividendbelasting vrijgestelde) ingezeten icbe’s en (niet-vrijgestelde) niet-ingezeten icbe’s ter zake van Deense dividenden weliswaar op zichzelf gerechtvaardigd door de noodzaak de interne samenhang van het Deense belastingstelsel te verzekeren, maar achtte hij het Deense middel daartoe (onthouding van vrijstelling aan niet-ingezeten icbe’s) disproportioneel omdat een minder belemmerende maatregel denkbaar is, nl. niet-ingezeten icbe’s de keuze geven om net als ingezeten fondsen vrijgesteld te worden aan de ingang, maar dan
vrijwilligte voldoen aan alle voorwaarden die ook gelden voor ingezeten vrijgestelde fondsen, waaronder ook de voorwaarde dat zij bij dooruitdeling aan hun participanten een bedrag inhouden en aan de Deens fiscus afdragen dat gelijk is aan de dividendbelasting die ingezeten icbe’s bij dooruitdeling moeten inhouden en afdragen:
Köln-Aktienfonds Deka) en C-157/17 (
X Fund) ingetrokken na reacties van de partijen en van de NOB op het arrest
Fidelity Funds(die aanvullende vragen voorstelden) en na de aanvullende conclusie van 27 september 2018, [25] die het arrest
Fidelity Fundsonjuist, maar duidelijk genoeg achtte om uw vragen in te trekken, maar wel suggereerde om nog één poging te doen om het HvJ EU ervan te overtuigen dat het Nederlandse fbi-stelsel, anders dan het Deense, niet discrimineert omdat het, anders dan het Deense, intern consistent is, en het probleem zit in het niet op elkaar aansluiten van twee belastingstelsels (dispariteit). Dat heeft u niet gedaan: bij brief van 29 november 2018 heeft u het HvJ EU bericht dat de door u gestelde prejudiciële vragen in de zaak C-157/17 (
X Fund) lijken te zijn beantwoord met het arrest
Fidelity Funds. Daarom heeft u uw verzoek om voorlichting in die zaak ingetrokken, waarna de president van het HvJ EU die zaak heeft doorgehaald in het register van dat Hof. [26] U heeft bovendien ook uw eerste prejudiciële vraag in C-156/17 (
Köln-Aktienfonds Deka) ingetrokken die identiek was aan de eerste vraag in de zaak C-157/17 (
X Fund). Ingetrokken zijn daarmee de volgende twee vragen:
Köln-Aktienfonds Deka) heeft u echter gehandhaafd omdat die volgens u niet voldoende beantwoord zijn in de zaak
Fidelity Funds. Die vragen luiden als volgt:
Köln-Aktienfonds Dekaheeft ingetrokken, leid ik af dat u ervan uitgaat dat het HvJ EU in die zaak (i) het vrije kapitaalverkeer van toepassing zal achten, (ii) die vrijheid geschonden zal achten, maar (iii) die schending rechtvaardigbaar zal achtten in verband met de noodzaak om de fiscale samenhang van het fbi-regime te waarborgen (vervanging van instroombelasting door uitstroombelasting om fiscale neutraliteit te verzekeren), mits (iv)
Köln-Aktienfonds Dekanet als ingezeten fbi’s de mogelijkheid krijgt om de instroombelasting te vervangen door een uitstroombelasting, i.e. door dividendbelasting terug te krijgen net als ingezeten fbi’s onder de voorwaarde dat
Köln-Aktienfonds Dekadan, eveneens net als ingezeten fbi’s – vrijwillig – bij dooruitdeling een bedrag inhoudt en aan de Nederlandse fiscus afdraagt dat gelijk is aan de dividendbelasting die een ingezeten fbi bij dooruitdeling moet inhouden en aan de Nederlandse fiscus moet afdragen om te zijnen laste ingehouden dividendbelasting terug te kunnen krijgen.
niet-inhoudingsplichtige entiteiten met (ii) ingezeten en daardoor wél inhoudingsplichtige entiteiten. Een groter verschil lijkt mij niet denkbaar op basis van ’s Hofs vergelijkingsmaatstaf, nl. de ratio van de te testen regeling,
in casueen fbi-regeling wiens enige doel is het creëren van een onverbrekelijk verband tussen de ingangsbelasting en de uitgangsbelasting, zulks om fiscale neutraliteit te verzekeren tussen individueel en collectief beleggen. Het ontgaat mij op welke basis het HvJ
niet-A gelijk stelt aan A. Ik merk daarbij op dat Nederland het ook niet in zijn macht heeft om
niet-A toch A te maken door niet-ingezeten fondsen aan dezelfde inhoudingsplicht te onderwerpen als ingezeten fondsen, nu elk OESO-gemodelleerd belastingverdrag, ook dat tussen Nederland en de VS (art. 10(8) van dat Verdrag [27] ),
secondary withholding taxesverbiedt.
secondary withholding taxes.”
ongunstiger behandeling van het ingezeten fonds is), maar niet om iets af te dragen omdat hij zowel Nederlandse als buitenlandse te zijnen laste ingehouden dividendbelasting tegen die ingehouden belasting kan afzetten. Zowel aan de ingang (belastingplicht voor de dividendbelasting) als aan de uitgang (geen betalingsverplichting) worden beide fondsen dus hetzelfde behandeld door Nederland. In
Fidelity Fundshechtte het HvJ EU er verder aan dat een U-bochtbelegger (een Deense belegger die via aan niet-Deens fonds belegt in Deense aandelen) fiscaal gelijk behandeld zou worden met de Deense belegger in een Deens fonds dat in Deense aandelen belegt. Dat is mijns inziens onder het afdrachtverminderingssysteem het geval: als de belanghebbende bij dooruitdeling aan een Nederlandse belegger geen Amerikaanse dividendbelasting inhoudt, is er geen probleem, en als zij bij dooruitdeling wél Amerikaanse dividendbelasting inhoudt, wordt die U-bochtbelegger evenmin zwaarder belast, want dan kan hij de buitenlandse dividendbelasting verrekenen met zijn Nederlandse inkomstenbelasting.
Fidelity Funds-arrest zal menen dat het vrije kapitaalverkeer zou verlangen dat de belanghebbende de keuze moet krijgen om zich vrijwillig, net als ingezeten fondsen, te onderwerpen aan Nederlandse inhoudings- en afdrachtplicht op dooruitgedeelde Nederlandse dividenden, dan leidt dat niet tot een ander resultaat voor de belanghebbende dan het resultaat dat zij al heeft: als zij bij dooruitdeling de vrijwillig door haar, net als door ingezeten fondsen, in te houden en aan Nederland af te dragen dividendbelasting verrekent, net als ingezeten fondsen doen, met de te haren laste ingehouden Nederlandse dividendbelasting, dan betaalt zij per saldo bij dooruitdeling niets aan Nederland, even min als een ingezeten fonds. Ook hieruit volgt mijns inziens de onnavolgbaarheid van
Fidelity Funds. In elk geval blijkt er uit dat zelfs als dat onjuiste arrest slaafs gevolgd wordt, de toepassing ervan op een afdrachtverminderingssysteem niet tot een ander resultaat voor de belanghebbende kan leiden dan niet-toepassing van dat arrest. Ook voor de voor het HvJ EU kennelijk belangrijke, maar volgens mij atypische U-bochtbelegger leidt toepassing van
Fidelity Fundsniet tot ander resultaat dan niet-toepassing van dat arrest.
Fidelity Fundstoegepast wordt op belanghebbendes geval, blijft het antwoord op vraag 1 daarom mijns inziens ontkennend luiden.
Fidelity Fundsexpliciet vastgesteld dat niet-Deense fondsen niet onder de Deense heffingsjurisdictie vallen en dat Denemarken hen niet aan een inhoudingsplicht kan onderwerpen. Dat strookt met het verbod op
secondary withholding taxes(art. 10(5) OESO-Modelbelastingverdrag). Van publiekrechtelijke onderwerping aan uitstroombelasting van niet-Deense fondsen was dus geen sprake. Toch mocht Denemarken voor nationale behandeling (vrijstelling van instroombelasting) als voorwaarde stellen de betaling van uitstroombelasting tot hetzelfde bedrag als een ingezeten fonds. Het ging om een geheel vrijwillige keuze van het niet-ingezeten fonds tussen (i) de wettelijke heffing bij de ingang (geen vrijstelling, maar dan ook geen dooruitdelingsbelasting) of (ii) vrijstelling aan de ingang net al ingezeten fondsen, maar dan vrijwillige betaling bij de uitgang van hetzelfde bedrag dat ingezeten fondsen aan de uitgang betalen. De Deense fiscus mocht zich immers, aldus het HvJ EU, als voorwaarde voor vrijstelling van Deense dividendbelasting ‘vergewissen’ van de ‘volledige medewerking’ van Fidelity Funds aan de ‘betaling’, door Fidelity Funds, van ‘een belasting (…) die gelijk is aan die welke in Denemarken gevestigde §16C-fondsen als voorheffing moeten inhouden.’
Fidelity Fundshoudt dus in dat Denemarken EU-rechtelijk verplicht was om de disproportionaliteit weg te nemen die erin bestond dat niet-Deense fondsen niet de keuze hadden om net als Deense fondsen aan de uitgang in plaats van aan de ingang belast te worden. Ik verwijs voor verdere duiding van
Fidelity Fundsvoor de Nederlandse situatie naar mijn (derde) conclusie van 27 september 2018 in de zaak C-156/17 (
Köln Aktienfonds Deka). [28]
vrijwilligebetaling bij dooruitdeling een
wettelijkegrondslag nodig zou zijn, wellicht suggererende dat die bovendien niet zou mogen terugwerken. Mijns inziens is noch het een, noch het ander het geval. Het HvJ EU eist in
Fidelity Fundsniet meer dan de mogelijkheid van een vrijwillige keus voor (volledige; niet-selectieve) nationale behandeling, net zoals hij in de zaak
National Grid Indus [29] niet meer eiste dan dat de
exitstaat bij vennootschappelijke emigratie de belastingplichtige een keuze zou bieden tussen het wettelijke afrekenregime bij feitelijke zetelverplaatsing en een vrijwillig uitstelregime mét zekerheidstelling en renteberekening tot aan betaling. Ook in die zaak achtte het Hof de beperkende nationale maatregel (de emigratieheffing) op zichzelf gerechtvaardigd vanwege territoriale coherentie, maar zijn modaliteit (meteen betalen) onevenredig zonder een keuzemogelijkheid voor de belastingplichtige voor uitstel met rente en zekerheidstelling.
Köln Aktienfonds Deka) gehandhaafd (zie 6.4 hierboven). Maar ook als op die vragen het antwoord komt dat sommige (aandeelhouders- of dooruitdelings)eisen (deels) niet of niet op dezelfde wijze aan niet-ingezeten fondsen mogen worden gesteld, blijven alle wél toegestane eisen staan, zoals met zekerheid inhouding en afdracht indien men afdrachtvermindering wenst, en die eisen staan al in de wet.
excise taxheeft betaald omdat haar uitdelingen aftrekbaar zijn en zij alles heeft (door)uitgedeeld én dat zij er om haar moverende redenen voor heeft gekozen om de Nederlandse dividendbelasting inclusief verrekeningsrecht
nietdoor te geven aan haar participanten. De mogelijk in haar participerende pensioenfondsen die eventueel volgens de daarvoor aangewezen procedures vrijgesteld zouden hebben kunnen worden van Nederlandse dividendbelasting als zij rechtstreekse in Nederlandse aandelen zouden hebben belegd (het bestaan waarvan de belanghebbende volgens het Hof geenszins aannemelijk heeft gemaakt), kunnen zich dus tot de belanghebbende wenden met de vraag waarom zij die bronbelasting en dat verrekeningsrecht niet aan haar participanten heeft wensen door te geven.
mutatis mutandis, in die zin de HvJ EU-arresten
Welte [30] en
Hariboen
Österreichische Salinen [31] ): de administratieve samenwerkingsrichtlijnen (en de inlichtingenbepalingen in bilaterale belastingverdragen) zijn er niet om de bewijsproblemen en administratieve lasten van belastingplichtigen over te nemen, maar zijn er ten dienste van het beschermen van de heffingsrechten van de lidstaten. Het enige dat Nederland desgewenst kan doen, is op verzoek van de belanghebbende de Amerikaanse belastingdienst op de hoogte stellen van de opmerkelijke rechtspraak van het HvJ EU en – als de belanghebbende daarvoor kiest – van vrijwillige boekhoudkundige inhouding en afdracht van Nederlandse dividendbelasting bij dooruitdeling van Nederlandse dividenden en van de evenzeer boekhoudkundige verrekening daarmee van de Nederlandse instroomdividendbelasting. Als ik de Amerikaanse fiscus was, zou ik overigens denkelijk niet erg geïnteresseerd zijn, nu de belanghebbende onder de Amerikaanse wetgeving de Nederlandse dividendbelasting en het bijbehorende verrekeningsrecht aan haar inleggers had kunnen doorgeven maar ervoor gekozen heeft dat niet te doen.
vrijwilligeinhouding en (na verrekening: niet-)afdracht door de belanghebbende bij dooruitdeling en anderzijds de
vrijwilligestatus van inhoudingsplichtige en afdrachtverminderingsgerechtigde. Vrijwillige inhoudings- en afdrachtplichtigestatus lijkt mij hetzelfde als schriftelijke bevestiging, door de Nederlandse fiscus, van vrijwillige inhouding en afdracht (en verrekening).
vrijwillige(niet-)afdracht gaat, maar Nederland kan haar niet tot inhouding en afdracht
verplichtenomdat dat een verboden
secondary withholding taxzou zijn.
Fidelity Funds, nu dat arrest immers slechts noopt tot het bieden van een vrijwillige keuze voor nationale behandeling, i.e. de keuze om vrijwillig uitstroombelasting te betalen om in aanmerking te kunnen komen voor (in dat geval) teruggaaf of verrekening van instroombelasting. Zulke terugwerkende wetgeving is evenmin een aantasting van enig eigendomsrecht, want het niet-ingezeten fonds heeft op basis van EU-recht nooit meer of ander recht gehad dan recht op een keuze tussen wettelijke instroombelasting en vrijwillige uitstroombelasting. Naar nationaal recht heeft het niet-ingezeten fonds nooit enig keuzerecht gehad.
secondary withholding taxte heffen (art. 10(8) belastingverdrag met de VS), zodat de door de belanghebbende en de NOB bepleite wettelijke basis mijns inziens verboden is. Ik verwijs ook voor dit punt verder naar mijn (derde) conclusie van 27september 2018 in de zaak C-156/17 (
Köln Aktienfonds Deka). [34]
grandfather clausevan art. 64(1) VwEU kom ik dus niet toe of, beter gezegd: hij doet niet ter zake: ook als hij niet werkt en dus art. 11a Wet DB niet beschermt, heeft dat geen effect, zo volgt uit het bovenstaande. Uit
Fidelity Fundsvolgt overigens bovendien duidelijk (zie r.o. 84, hierboven in 6.2, geciteerd) dat als een niet-ingezeten niet-onderworpen fonds in aanmerking wil komen voor vrijwillige keuze voor nationale behandeling (in casu voor afdrachtvermindering) het uiteraard ook aan de andere eisen ex art. 28(2) Wet Vpb moet voldoen waaraan ook ingezeten fondsen moeten voldoen. Dat de belanghebbende en al die andere duizenden niet-ingezeten fondsen en fondsjes op zoek naar
windfall profitaan die eisen zouden voldoen, is geenszins gebleken. De bewijslast te dier zake ligt op die fondsen. Gezien uw vasthouden aan de vragen 2 en 3 in de zaak C-156/17 (
Köln Aktienfonds Deka), bent u er echter niet zeker van dat Nederland (precies) dezelfde aandeelhouderseisen en dooruitdelingseisen mag stellen aan niet-ingezeten fbi’s als aan ingezeten fbi’s. Gegeven die twijfel, zult u moeten wachten op de antwoorden van het HvJ EU op die vragen.
grandfather clause.
7.Grandfather clause(art.64(1)VwEU);antwoordopvraag2
Algemene opmerkingen
Bordessa [35] en
Sanz de Lera [36] over exact dezelfde nationale deviezenbeperkingen, in het ene geval intra-EU en in het andere geval jegens een derde land. Het HvJ EU heeft, gezien de duidelijke tekst van art. 63 VwEU Pro, alle argumenten afgewezen om het kapitaalverkeer jegens derde landen beperkter uit te leggen dan intra-EU, met name reciprociteitsargumenten. [37] Dat neemt volgens het HvJ EU echter niet weg dat derdelanden-kapitaalverkeer zich in een ander juridisch kader afspeelt dan intra-EU kapitaalverkeer en dat daarom meer en andere rechtvaardigingen voor beperkingen denkbaar zijn dan intra-EU, [38] met name bij ontbreken van of beperkingen op de wederzijdse fiscaal-administratieve bijstand tussen de betrokken lidstaat en het betrokken derde land in vergelijking met de wederzijdse administratieve samenwerking binnen de EU op basis van de EU-richtlijnen over heffings- en invorderingsbijstand. [39] De vraag of de wederzijdse fiscale bijstand met de desbetreffende derde Staat zich op gelijkwaardig niveau beweegt met de intra-EU-bijstand, is aan de nationale rechter. [40]
Fidelity Fundsuit te voeren, door het fonds zelf verstrekt zullen moeten worden. Om in aanmerking te kunnen komen voor dezelfde afdrachtvermindering als ingezeten fondsen, moet het derdelandenfonds immers bij dooruitdeling vrijwillig dividendbelasting inhouden en aan de Nederlandse fiscus afdragen als ingezeten fbi’s en aan dezelfde eisen ex art. 28(2) Wet Vpb voldoen als ingezeten fondsen. U zie mijn (derde) conclusie van 27 september 2018 [41] in de door u aan het HvJ EU voorgelegde zaak C-156/17
Köln Aktienfonds Deka.
grandfather clausevan art. 64(1) VwEU. Bepaalde beperkingen van het kapitaalverkeer met derde landen die op 31 december 1993 bestonden, mogen ondanks de op die datum ingaande volledige liberalisering van het kapitaalverkeer gehandhaafd worden jegens die derde landen. Het gaat om beperkingen op kapitaalverkeer naar of uit derde landen in verband met (i) directe investeringen, inclusief investeringen in onroerende goederen, (ii) vestiging, (iii) financiële dienstenverrichting of (iv) de toelating van waardepapieren tot kapitaalmarkten.
Fidelity Funds, mogelijk (maar ten onrechte) in het afdrachtverminderingssysteem zou zien, al dan niet verband houdt met één van die vier soorten kapitaalverkeer en (ii) of het fbi-afdracht-verminderingssysteem al dan niet op dezelfde hoofdgedachte berust als het fbi-teruggaafsysteem dat gold op 31 december 1993 c.q. dat gold vlak vóór 1 januari 2008, de invoeringsdatum van het afdrachtverminderingssysteem. Tussen 1 augustus 2007 en 1 januari 2008 heeft een iets gewijzigd teruggaafregime gegolden.
grandfatheredwordt door art. 64(1) VwEU. Het in de vier maanden vóór die datum geldende fbi-regime maakte het volgens het Hof immers mogelijk dat bepaalde derdelanden-beleggingsinstellingen (nl. die, gevestigd in een derde land waarmee een belastingverdrag bestond dat mede een verbod inhield op discriminatie naar nationaliteit van lichamen vergelijkbaar met lichamen opgericht naar Nederlands recht), recht hadden op teruggaaf van dividendbelasting, althans dat zij als beleggingsinstelling in de zin van art. 28 Wet Pro Vpb werden aangemerkt als zij zouden voldoen aan de bij of krachtens art. 28 van Pro de Wet Vpb gestelde eisen. De afdrachtvermindering ingevoerd op 1 januari 2008 zou in dat opzicht als een andere en beperkender regeling dan daarvóór gezien kunnen worden, waardoor het vanaf die datum niet meer om een ‘bestaande’ fbi-regeling zou gaan en de afdrachtverminderingsregeling dus niet (meer) beschermd zou worden door art. 64 VwEU Pro.
grandfather clausebrengen. Als haar kapitaal- en betalingsverkeer in Nederland niet als zodanig beschouwd kunnen worden, speelt de
grandfather clausein casu geen rol meer.
Wagner-Raith [43] ging over een Duitse forfaitaire belasting op inkomsten van deelnemers in niet‑ingezeten beleggingsfondsen als dat fonds niet had voldaan aan bepaalde wettelijke criteria. Het desbetreffende niet-ingezeten fonds was gevestigd op de Kaaimaneilanden. Het HvJ EU onderzocht in die zaak of dat forfait betrekking had op kapitaalverkeer in verband met financiële diensten in de zin van art. 64 VWEU Pro:
X v. Staatssecretaris van Financiën [44] werpt volgens het Hof Den Bosch geen concludent licht op die kwestie. Het ging in die zaak om een Nederlandse zwartspaarder bij een derdeland-bank die geconfronteerd werd met de navorderingstermijn van twaalf jaar, waar in een vergelijkbaar binnenlands geval een termijn van slechts vijf jaar gold. De Hoge Raad stelde het HvJ EU de vraag of de
grandfather clauseex art. 64(1) VwEU ook geldt voor de verlengde navorderingstermijn bij derdelandenbankrekeningen, nu die termijn niet gericht is op dienstverleners, noch beperkt is tot kapitaalverkeer in verband met de in art. 64(1) VwEU genoemde economische activiteiten. Het HvJ EU antwoordde:
Wagner-Raithals
X v. Staatssecretarisomdat hij niet gaat over de relatie tussen de belanghebbende en zijn participanten, maar om de relatie tussen de belanghebbende en de Nederlandse vennootschappen waarin zij belegt. Die vennootschappen verlenen de belanghebbende geen diensten, noch verleent zij diensten aan hen. Het Hof stelt u daarover echter geen specifieke vraag omdat die al aanhangig is bij het HvJ EU in de door de Duitse belastingrechter verwezen zaak C-641/17,
College Pension Plan of British Colombia. Het
Finanzgericht München IIIheeft het HvJ EU de volgende vragen gesteld (het gaat om de tweede vraag):
Köln Aktienfonds Deka, dan wellicht ook maar op het antwoord op vraag 2 in de geciteerde zaak C-641/17,
College Pension Plan of British Colombia. U hoeft het antwoord mijns inziens niet af te wachten omdat ik meen dat duidelijk sprake is van kapitaalverkeer in verband met financiële diensten. Uit
Wagner-Raithvolgt onmiskenbaar dat de grensoverschrijdende dienstverlening door collectieve beleggingsfondsen jegens hun participanten onder kapitaalverkeer in verband met financiële diensten valt. Dan lijkt mij onontkoombaar de conclusie dat hun beleggingsactiviteiten, die immers de kern zijn van hun diensten jegens hun participanten (zij beleggen voor hen en ontvangen dividend voor hen, dat zij aan hen doorbetalen) even zeer kapitaalverkeer in verband met financiële diensten jegens hun participanten vormen. Er is een evident causaal verband tussen het kapitaalverkeer in de vorm van die beleggingen, dividendontvangsten en -doorbetalingen aan inleggers enerzijds en de financiële diensten van die fondsen jegens hun inleggers anderzijds, zoals het HvJ EU eist. Sterker nog: dat
ishun dienstverlening.
EV, over de Duitse deelnemingsvrijstelling in de
Gewerbesteuervoor minstens 15%-deelnemingen, heeft het HvJ EU als volgt overwogen over de term “beperkingen die op 31 december 1993 bestaan” in art. 64(1) VwEU:
grandfather clause.
überhauptgeen sprake is, maar het arrest
Fidelity Fundszegt van wel en daar gaat u denkelijk van uit). Dat het gaat om een versoepeling, blijkt overigens al uit het gegeven (zie 4.11 hierboven) dat de afdrachtvermindering structureel € 5 mio per jaar minder zou opleveren dan de daarvóór vigerende teruggaafregeling.
branch profit taxesverbiedt, terwijl het niet-ingezeten hoofdkantoor evenmin inhoudingsplichtig is. U zie onderdeel 6.20 van de conclusie voor HR
BNB2015/203. [45] Voor de belanghebbende is dit overigens niet relevant, nu zij geen vaste inrichting had en uit het HvJ EU-arrest C-126/94,
Cadi Surgelés [46] ,volgt dat als al sprake was van een verslechtering per 1 januari 2008 ten opzichte van het regime daarvóór, alleen die verslechtering buiten toepassing blijft, maar niet de ongewijzigde rest van de regeling.
Cadi Surgelésbetrof een
standstill-bepaling met betrekking tot op 1 januari 1968 bestaande heffingen van vergelijkbare werking als douanerechten op importen. Het HvJ EU droeg de nationale rechter op om bij de beoordeling of de geldende heffing (
octroi de mer) als op 1 januari 1968 reeds ‘bestaand’ kon worden aangemerkt te beoordelen of de geldende regeling ‘wezenlijk identiek’ was aan de oude regeling, waarbij te letten ware op
bedoelinghad om hen daartoe toegang te bieden. Dat zou immers flagrant in strijd zijn met de hele bestaansreden van het fbi-regime. Het HvJ EU overwoog dat voor zover de
octroi de merna 1968 gewijzigd was, alleen dat deel buiten toepassing moest blijven dat een verslechtering was ten opzichte van 1968:
voor zoverde afdrachtvermindering een verdergaande beperking zou zijn dan de teruggaafregeling van (vlak) daarvóór, zou zij dus buiten toepassing blijven. Dat kan de belanghebbende dus hoe dan ook niet baten, nu zij niet in de laatste vier maanden van 2007 een vaste inrichting in Nederland heeft gehad. Het door de wetgever gevreesde lek tussen 1 augustus 2017 en 1 januari 2018 heeft mijns inziens niet bestaan en als het wel bestaan heeft, was het flagrant in strijd met de hoofdgedachte van het fbi-regime, zodat het mijns inziens, als het bestaan heeft, niet kan afdoen aan – de snelle reparatie
bevestigtjuist – de evident andersluidende hoofdgedachte van het fbi-systeem (onverbrekelijke fiscale samenhang tussen instroombelasting en uitstroombelasting met het oog op fiscale neutraliteit tussen rechtstreeks beleggen en fondsbeleggen).
X GmbH v. Finanzamt Stuttgart – Körperschaften [47] , zij het dat in dat geval niet een onderdeel(tje) van het systeem was gewijzigd, maar het hele systeem. Duitsland had een wettelijke regeling inzake derdelandse tussenhoudsters ingrijpend gewijzigd, dus de hoofdgedachte en procedures van de nieuwe wetgeving waren zeker niet identiek aan die van de vervangen wetgeving. Die wijziging was ook in werking getreden, maar voordat zij in de praktijk daadwerkelijk had kunnen worden toegepast, werd zij opnieuw gewijzigd en werd de oude regeling heringevoerd, waardoor de nieuwe regeling materieel geen effect had (gehad). Het HvJ EU overwoog daaromtrent:
Test Claimants in the FII Group Litigation, C‑101/05,
A.en C‑464/14,
SECIL; PJW], kan een beperking van het kapitaalverkeer die sinds 31 december 1993 uit hoofde van het nationale recht bestaat, niet worden geacht sinds deze datum ononderbroken deel te hebben uitgemaakt van de rechtsorde van de betrokken lidstaat, met name indien de wettelijke regeling die aan deze beperking ten grondslag ligt, is ingetrokken of wanneer de logica waarop deze regeling berustte, is gewijzigd. Die intrekking of wijziging vindt in beginsel plaats bij de inwerkingtreding, overeenkomstig de daartoe vastgestelde nationale constitutionele procedures, van bepalingen waarbij de bestaande wettelijke regeling wordt ingetrokken of gewijzigd.
quod non) beschermd door art. 64(1) VwEU.
8.Beantwoording van de vragen
Köln Aktienfonds Dekaaf te wachten, want als het antwoord op die vragen is dat niet-ingezeten fondsen net als ingezeten fondsen aan alle eisen van art. 28(2) Wet Vpb moeten voldoen om in aanmerking te kunnen komen voor vrijwillige nationale behandeling (inhouding van Nederlandse dividendbelasting op dooruitdeling van Nederlandse dividenden om daarop de afdrachtvermindering te kunnen toepassen), zullen denkelijk zeer vele van de duizenden meeliftende niet-ingezeten fondsen hun belangstelling voor nationale behandeling verliezen.
voor henen ontvangt Nederlandse dividenden
voor hen, en (ii) dat het fbi-regime ook na 2007 een qua zelfde hoofdgedachte onmiskenbaar op 31 december 1993 ‘bestaande’ regeling is. De afdrachtvermindering wordt daarom mijns inziens
grandfathereddoor art. 64(1) VwEU. Maar als u toch op antwoord wacht (zie 8.1), zou u ook kunnen wachten op het antwoord op vraag 2 in de bij het HvJ EU aanhangige zaak C-641/17,
College Pension Plan of British Columbia.
Fidelity Fundsde remedie is het aanbieden van de mogelijkheid van vrijwillige onderwerping aan het (volledige, dus niet
cherry-picked) regime van ingezeten fbi’s, hetgeen niet tot verschil leidt met het
nietbieden van die mogelijkheid, zodat van een remedie wezenlijk niet gesproken kan worden bij gebrek aan een kwaal.