Conclusie
1.Aanduiding partijen, korte inhoud zaak en samenvatting cassatieberoep
2.Feiten en procesverloop
redemption) tegen de intrinsieke waarde daarvan, waarna Vitol Holding deze Vitol-aandelen P intrekt (
cancellation). Gelijktijdig daarmee trekt Stichting Vitol de hiermee corresponderende Vitol-certificaten P ook in. De opbrengst van de inkoop van de Vitol-aandelen P door Vitol Holding ontvangt Stichting Vitol, die deze opbrengst op haar beurt uitkeert aan de Vitol-certificaathouders van wie de corresponderende Vitol-certificaten P zijn ingetrokken. De certificaathouders incasseren de winst over de betreffende twee jaren op dat moment. Het hiervoor beschreven systeem heeft voor de Amerikaanse werknemers van de Vitol Groep aldus gegolden tot 1 januari 2007 (voor de anderen geldt het nog steeds).
permitted assignees) over te dragen. Een
permitted assigneekon pas worden toegelaten en een dergelijke overdracht kon pas plaatsvinden na schriftelijke kennisgeving aan en goedkeuring van het bestuur van Vitol Holding en na ondertekening van een Deed of Adherence. Door ondertekening van de Deed of Adherence werd de
permitted assigneepartij bij de SHA (Vitol) van de betreffende deelnemer aan het winstdelingssysteem.
limited partnership. Daarna hebben [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hun belangen in Planck geschonken aan Nova Trust. Nova Trust is een trust gecreëerd ten behoeve van de drie kinderen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . De trustee van Nova Trust is een broer van [betrokkene 1] , [betrokkene 3] .
permitted assignee. In januari 2005 heeft Planck een Deed of Adherence bij de destijds geldende SHA (Vitol) ondertekend.
permitted assignees. Een relatief gering deel van de dividenden uit de Vitol-certificaten investeert Tinsel Group, om fiscaal noodzakelijk geachte redenen, in andere beleggingen. Stichting Tinsel houdt de aandelen in Tinsel Group en geeft daarmee corresponderende certificaten (hierna ook: Tinsel-certificaten) uit aan de (overgestapte) Amerikaanse werknemers en dat deed zij ook, voor zover van toepassing, voor hun hun
permitted assignees. De Tinsel-certificaten reflecteren het aantal en de soort Vitol-certificaten waartoe deze werknemers (
permitted assignees) economisch gerechtigd zijn (hierna ook: het mandje) (naast de opbrengsten uit de andere beleggingen). In schema (VS = Verenigde Staten, PA =
permitted assignee):
behouden, en dat dit daarom in zoverre niet tot (inkomsten)belastingheffing leidt. Bovendien zou Tinsel Group - die als gezegd naast het houden van Vitol-certificaten ten behoeve van de Amerikaanse Vitol-werknemers ook nog andere beleggingen houdt - kwalificeren als
qualified foreign corporation, op grond waarvan een lager tarief voor de
capital gains taxzou gelden.
Share Transfer Agreementvan 6 december 2006 heeft [betrokkene 1] aan Stichting Tinsel 300 Vitol-certificaten P2003 en 405 Vitol-certificaten D2005 overgedragen, in ruil waarvoor hij 300 “Class A common” en 105 “Class S1 common” certificaten in Tinsel Group heeft verkregen. Deze
Share Transfer Agreementluidt, voor zover hier relevant, als volgt:
Share Transfer Agreementvan eveneens 6 december 2006 (hierna: STA) heeft Planck de 450 Vitol-certificaten D 2005 die zij hield als gevolg van de in 2.8 bedoelde overdracht door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , aan Stichting Tinsel overgedragen, in ruil waarvoor Planck 450 “Class S1 common” Tinsel-certificaten ontving. Partij bij deze STA zijn naast Planck [betrokkene 1] [3] , Vitol Holding, Stichting Vitol, Stichting Tinsel en Tinsel Group. Deze STA (Planck is daarin aangeduid als Transferor) luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
permitted assignees. De notulen van deze vergaderingen luiden op dat punt als volgt:
joint resolutionsvan Vitol Holding en Stichting Vitol respectievelijk Tinsel Group en Stichting Tinsel, gedateerd 8 december 2010 respectievelijk 20 december 2010, is besloten tot wijziging van de aandeelhoudersovereenkomsten Vitol respectievelijk Tinsel (deze laatste hierna: SHA 2010 (Tinsel)), ter implementatie van het hiervoor in 2.19 vermelde besluit van Vitol Holding.
joint resolutionvan 31 december 2013 volgens welke een nieuwe Tinsel-SHA is ingevoerd (hierna: SHA 2013 (Tinsel)) bepaalt, voor zover van belang, dat uitsluitend werknemers van Vitol Holding kunnen participeren in het economisch belang in nieuwe Vitol-aandelen D en dat overdracht aan
permitted assigneesniet mogelijk is. Volgens een
joint resolutionvan 11 december 2017 is de Tinsel-SHA nog weer verder aangepast (hierna: SHA 2017 (Tinsel)).
- Tinsel c.s. hebben in strijd gehandeld met de SHA 2007 (Tinsel) door de 375 door Planck gehouden Tinsel Group S1 certificaten en de 75 door Planck gehouden Tinsel Group certificaten RS1-2008 te converteren naar 450 Tinsel Group certificaten F19;
- de joint resolution van 8 december 2010 is niet geldig, evenmin als de SHA 2010; - de wijziging van de SHA 2007 in 2011 is niet rechtsgeldig;
- de SHA 2010 biedt net als de SHA 2007 (Tinsel) geen grondslag voor de conversie van de door Planck gehouden certificaten;
- indien de SHA 2007 (Tinsel) al rechtsgeldig is gewijzigd, heeft dat pas plaatsgevonden na de conversie van de certificaten, in juni 2011;
- de SHA 2007 (Tinsel) noch de SHA 2010, bezien in samenhang met de STA 2006, laten een andere uitleg toe dan dat de door Stichting Tinsel aan Planck uitgegeven certificaten zouden uitstaan totdat zich een “Termination Event” als genoemd in de SHA 2007 zou voordoen ofwel Planck akkoord zou gaan met een reductie van haar belang;
- de onderlinge verdeling van de certificaten tussen [betrokkene 1] en Planck is gefixeerd bij de overdracht van de certificaten aan Planck in 2005. Indien sprake is van een reductie van het door Vitol Holding aan een werknemer toegekende economisch belang in de aandelen van Vitol Holding, dient tussen de werknemer en de permitted assignee overeengekomen te worden voor wiens rekening deze reductie diende te komen. Tinsel Group en Stichting Tinsel zijn niet bevoegd in te grijpen in die verdeling. Indien het economisch belang in de aandelen van Vitol Holding gelijk blijft, mag Tinsel Group niet meewerken aan een door de werknemer beoogde vermindering van het economisch belang van de permitted assignee;
- Tinsel c.s. waren niet bevoegd om zonder instemming van Planck in 2009 75 S1 certificaten van Planck te converteren in 75 RS1-2008 certificaten die preferente aandelen in Vitol reflecteren;
- het verzoek van Tinsel Group van 2 april 2012 als bedoeld in artikel 8.1 van de SHA 2007 (Tinsel) om de certificaten aan te bieden aan Tinsel Group is niet rechtsgeldig;
- de SHA 2013 is niet geldig jegens Planck. De SHA 2013 verandert het wezen van de rechtsverhouding tussen Stichting Tinsel, Tinsel Group en Planck. Een redelijke en rechtvaardige uitleg van de in artikel 10.9 van de SHA 2007 (Tinsel) gegeven wijzigingsbevoegdheid kan niet leiden tot een bevoegdheid om de essentie van de rechtsverhouding op deze wijze eenzijdig te wijzigen.
In dit tweede tussenvonnis heeft de rechtbank, voor zover in cassatie van belang, geoordeeld dat Tinsel c.s. niet zijn geslaagd in het leveren van het tegenbewijs (behoudens dat de rechtbank de conversie per 2009 van 75 S1-certificaten in niet-winstgevende certificaten geoorloofd heeft geoordeeld). [12]
€ 10.000,-- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat deze veroordeling niet wordt nagekomen na vier weten na betekening van dit arrest, met een maximum van € 1 miljoen;
3.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdelen 1.1en
1.2zijn gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 9.3.2, dat als volgt luidt (ik citeer tevens rov. 9.3.1):
9.3. Bewijslastverdeling
termination eventvoordoet) - dat wil zeggen het tegendeel van de door Tinsel c.s. gestelde, stilzwijgend overeengekomen, zeggenschap van [betrokkene 1] . Bij de beoordeling van de grieven van Tinsel c.s. over de bewijswaardering door de rechtbank op dit thema dient het hof dus van deze bewijslastverdeling uit te gaan.
.Dit is van belang omdat, zoals hierna zal blijken, de grieven van Tinsel c.s. tegen de bewijswaardering door de rechtbank slagen. Op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep dient het hof daarom alsnog een eigen oordeel te geven over de bewijslastverdeling, niet alleen omdat Planck in eerste aanleg een andere verdeling van de bewijslast heeft bepleit (conclusie van dupliek in voorwaardelijke reconventie, tevens antwoordakte eisvermeerdering, alsmede akte uitlating producties Planck, 4.6), maar ook ambtshalve (HR 24 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA4007,
NJ2000, 428 (Gouda/ […] )).”
Voorts wijst het subonderdeel er, samengevat, op dat het in dit geval niet gaat om een ‘klassieke’ uitlegdiscussie, maar om de vraag of überhaupt de door Tinsel c.s. gestelde bevoegdheid (stilzwijgend) is overeengekomen. Zoals het hof heeft vastgesteld, is tussen partijen niet in geschil dat de Tinsel-documentatie de volgens Tinsel c.s. overeengekomen bevoegdheid van [betrokkene 1] niet (met zoveel woorden) benoemt of beschrijft. [23] In zoverre is de onderhavige situatie vergelijkbaar met de situatie waarin het bestaan van een overeenkomst als zodanig niet in geschil is, maar waarin de gedaagde partij als verweer aanvoert dat er een aanvullende afspraak is gemaakt, of dat een (mondelinge of zelfs stilzwijgende) ontbindende of opschortende voorwaarde is afgesproken. Dan ligt de bewijslast op de partij die zich op de totstandkoming van die nadere voorwaarde/afspraak (en de vervulling c.q. de rechtsgevolgen daarvan) beroept, [24] aldus het subonderdeel.
Voor zover het hof (impliciet) heeft geoordeeld dat voor de bewijslastverdeling van belang is of [betrokkene 1] de bevoegdheid heeft
behouden [25] om bij elke nieuwe uitgifte van winstgevende Vitol-aandelen en toekenning daarvan aan hem te beslissen of en, zo ja, in hoeverre Planck haar corresponderende winstgevende Tinsel-certificaten behield en/of Planck op grond van de in rov. 9.3.1 bedoelde overdracht
permanenteS1-certificaten verkreeg, heeft het hof miskend dat [26] (i) ook volgens Tinsel c.s. [27] de door Planck verkregen S1-certificaten als zodanig onverkort winstgerechtigd waren en (ii) Planck daarop dus als uitgangspunt aanspraak kon maken, behoudens een contractuele of wettelijke wijzigingsbevoegdheid, in afwijking van dat uitganspunt. De beslissing van het hof in rov. 9.3.2, dat de bewijslastverdeling van de rechtbank juist is, berust niet op een kenbare, laat staan toereikend gemotiveerde, andere uitleg van de door Plancks verkrijging van de S1-certificaten ontstane rechtsverhouding.
Voor zover het hof heeft geoordeeld dat, ook volgens de stellingen van Tinsel c.s., Planck bij haar toetreding tot de Tinsel-structuur niet méér verkreeg dan een van meet af aan tijdelijke en/of voorwaardelijke aanspraak, is dat oordeel onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd, met name nu vaststaat dat de door Planck verkregen S1-certificaten winstdelend waren. [28] Bovendien zag [betrokkene 1] ’s eerdere bevoegdheid ten aanzien van Vitol-certificaten op een
andererechtsverhouding dan de rechtsverhouding die ontstond met de in rov. 9.3.1 bedoelde verkrijging van (om fiscale redenen nadrukkelijk wél permanente) S1-certificaten. [29] Van een daadwerkelijk ‘behoud’ van een eerder bestaande wijzigingsbevoegdheid kan al daarom geen sprake zijn, aldus het subonderdeel.
estate planning- mogelijk had gemaakt om de winstrechten uit haar werknemersparticipati[e]plan ook aan geselecteerde derden (
permitted assignees) zoals deze trust ten behoeve van de kinderen te doen toekomen. Die overdracht is definitief en daarop kan [betrokkene 1] niet en Vitol Holding dan wel Stichting Vitol evenmin terugkomen. Als er bezwaar bestond tegen die overdracht of tegen aanwijzing als permitted assignee had dat toen gemaakt moeten worden. Achteraf opgekomen bedenkingen van welke aard dan ook doen niet ter zake.
De eisende partij die vordert dat de gedaagde partij aan een verbintenis voldoet, zal op grond van deze hoofdregel alle (rechts)feiten moet stellen die noodzakelijk zijn om dit beoogde rechtsgevolg toe te kennen. Welke feiten dit zijn, volgt uit de toepasselijke rechtsregel. Als sprake is van een vordering op grond van nakoming van een contractuele verbintenis, betekent dit dat de eisende partij in ieder geval de verbintenis en de overeenkomst waaruit die verbintenis voortvloeit, zal moeten stellen, alsmede de opeisbaarheid. [30]
Ook subonderdeel 1.2 faalt, omdat het uitgaat van onjuiste lezingen van het bestreden arrest.
subonderdelen 1.3en
1.4zijn gericht tegen de volgende overweging van het hof in rov. 10.8.2:
Ten overvloede merk ik in dit verband nog wel op dat er een tegenstrijdigheid bestaat tussen de overweging van het hof in rov. 9.3.2, dat Planck in eerste aanleg een andere verdeling van de bewijslast heeft bepleit, en rov. 7.4 van het eerste tussenvonnis, waar de rechtbank heeft overwogen dat tussen partijen vaststaat dat de bewijslast van haar stellingen op Planck rust. Het hof heeft, als gezegd, evenwel een, in cassatie tevergeefs bestreden, eigen oordeel over de bewijslastverdeling gegeven.
Het subonderdeel bevat twee subklachten (2.1.1 en 2.1.2).
Aangezien vaststaat, aldus subklacht 2.1.1, dat de SHA 2007 (Tinsel) samenhangt met de statuten van Stichting Tinsel en bedoeld is dat zij in overeenstemming met die statuten wordt uitgelegd, had het hof bij de uitleg van de SHA 2007 (Tinsel) evenzeer een objectieve uitleg moeten hanteren. Dit geldt tevens voor de STA. [41] Het hof mocht daarom geen betekenis toekennen aan niet uit de statuten van Stichting Tinsel en/of de bewoordingen van de SHA 2007 (Tinsel) blijkende partijbedoelingen, waarvoor deze schriftelijke stukken geen enkele indicatie geven.
permittes assigneesen hun eventuele rechtsopvolgers, tegenover zowel Stichting Tinsel als Tinsel Group te regelen [42] , en dat een objectieve maatstaf geldt voor de uitleg van de voorwaarden die de aanspraken van houders van (door de vennootschap bewilligde) certificaten jegens het administratiekantoor en de vennootschap beheersen. Bovendien is, aldus het subonderdeel in 2.1.2, tussen partijen in confesso [43] dat, wat ten aanzien van Stichting Tinsel Group ook al volgt uit de art. 2:8, 2:92 lid 2 en 2:201 lid 2 BW, [44] de rechtspositie van alle houders van (een klasse van) Tinsel-certificaten in beginsel uniform dient te zijn en discriminatie tussen Tinsel-certificaathouders (en in ieder geval tussen
permitted assignees) dient te worden voorkomen. [45] Deze door Planck gestelde strekking en achtergrond van de SHA 2007 (Tinsel) maakt dat bij de uitleg daarvan geen betekenis toekomt aan partijbedoelingen die niet uit de tekst van die overeenkomst blijken en de rechten van Planck als certificaathouder in de kern raken. [46]
Ook dit subonderdeel valt uiteen in subklachten (2.2.1 t/m 2.2.4).
permitted assigneewordt gediscrimineerd ten opzichte van de andere, wat partijen nu juist hebben willen uitsluiten.
had kunnen wordenontleend (maar niet
isontleend). [56] De Hoge Raad heeft dit in het arrest
[…] /NVC [57] als volgt verwoord:
DSM/ […] [67] heeft de Hoge Raad verduidelijkt dat tussen de Haviltex-norm en de cao-norm geen tegenstelling bestaat, maar een vloeiende overgang. Enerzijds heeft ook bij toepassing van de Haviltex-norm te gelden dat de argumenten voor een objectieve uitleg aan gewicht winnen in de mate waarin de overeenkomst naar haar aard meer is bestemd de rechtspositie van een groot aantal derden te beïnvloeden (en dit voor de opstellers van het contract ook voorzienbaar is), terwijl het geschrift ertoe strekt hun rechtspositie op uniforme wijze te regelen. Anderzijds leidt de cao-norm niet tot een louter taalkundige uitleg. Bij de uitleg van een schriftelijk contract zijn telkens van beslissende betekenis alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. Zowel aan de cao-norm als aan de Haviltex-norm ligt de gedachte ten grondslag dat de uitleg van een schriftelijk contract niet dient plaats te vinden op grond van alleen maar de taalkundige betekenis van de bewoordingen waarin het is gesteld. In praktisch opzicht is de taalkundige betekenis die deze bewoordingen, gelezen in de context van dat geschrift als geheel, in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van dat geschrift vaak wel van groot belang, aldus de Hoge Raad.
DSM/ […]afgeleid dat in bepaalde gevallen ook binnen de Haviltex-norm sprake kan zijn van een objectieve uitleg. Dit wordt ook wel de ‘geobjectiveerde Haviltex-maatstaf’ genoemd.
DSM/ […]. Zijn er geen derden betrokken, dan is een niet objectief kenbare partijbedoeling ten volle van betekenis, terwijl als derden wél betrokken zijn, een voor die derden niet kenbare partijbedoeling in het belang van die derden en van een uniforme uitleg in het algemeen minder gewicht heeft. Zij merken daarbij op dat de rechtspraak echter een weerbarstiger beeld laat zien. [71]
NBA/Meerhuysen [73] had betrekking op de uitleg van een kettingbeding in veilingvoorwaarden. De Hoge Raad oordeelde dat, als sprake is van een koop op een executoriale veiling, als uitgangspunt bij de uitleg van een van de veilingvoorwaarden deel uitmakend beding, waarmee wordt beoogde de rechtspositie van een derde (de veilingkoper) te bepalen, een toespitsing van de Haviltex-norm op een geobjectiveerde maatstaf in de rede ligt. Dit brengt mee dat de veilingkoper enerzijds in beginsel doorslaggevend gewicht mag toekennen aan de bewoordingen van het beding, gelezen in het licht van de gehele inhoud van de veilingvoorwaarden. Anderzijds kunnen de concrete omstandigheden van het geval, waaronder met name de inhoud van de veilingvoorwaarden, meebrengen dat van degene die voornemens is aan de veiling als koper deel te nemen, kan worden gevergd dat hij zich door onderzoek nader op de hoogte stelt van de betekenis die naar de bedoeling van de opstellers ervan aan het beding moet worden toegekend, bij gebreke waarvan hij die bedoeling, ook als die van de bewoordingen van het beding afwijkt, tegen zich moet laten gelden.
Alheenbouw/HDI-Gerling [74] ging het over de uitleg van een derdenbeding in een verzekeringsovereenkomst. In deze zaak oordeelde de Hoge Raad dat de vraag of, en zo ja in welke omvang, in een verzekeringspolis mede dekking wordt verleend aan derden (eventueel na aanvaarding van een daartoe strekkend derdenbeding), dient te worden beantwoord aan de hand van hetgeen de verzekeraar en de verzekeringnemer dienaangaande zijn overeengekomen. Dit uitgangspunt geldt ook bij de uitleg van een beding in een CAR-verzekering waarin dekking wordt verleend aan onderaannemers die door de aannemer – tevens wederpartij van de verzekeraar – bij de uitvoering van een verzekerd werk worden ingeschakeld. De onderaannemer kan jegens de verzekeraar bescherming ontlenen aan art. 3:35 BW Pro indien hij op grond van de bewoordingen van de polis, eventueel in samenhang met (andere) door de verzekeraar gedane mededelingen of gewekte verwachtingen, erop heeft vertrouwd, en erop heeft mogen vertrouwen, dat hem dekking zal worden verleend.
Euronext/AFS [75] ,met betrekking tot de uitleg van reglementen van de AEX-optiebeurs, geoordeeld dat de uitleg van deze tradingrules met name afhankelijk is van objectieve factoren zoals de bewoordingen waarin de desbetreffende bepaling is gesteld, gelezen in het licht van de strekking van die bepaling en van de tradingrules in hun geheel.
Chubb/Europoint [76] ,dat betrekking heeft op de uitleg van polisvoorwaarden van een beurspolis. In dit arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat, nu over polisvoorwaarden die deel uitmaken van een beurspolis niet tussen partijen onderhandeld pleegt te worden (en niet is gesteld dat zulks in dit geval anders is), de uitleg daarvan met name afhankelijk is van objectieve factoren zoals de bewoordingen waarin de desbetreffende bepaling is gesteld, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel en van de in voorkomend geval – zoals ook hier – bij de polisvoorwaarden behorende toelichting.
Lundiform/Mexx [77] volgt dat een (beding in een) commercieel contract gesloten tussen professionele partijen moet worden uitgelegd volgens de ‘normale’ Haviltex-maatstaf.
Is echter niet onderhandeld over de tekst van de overeenkomst en/of werd geen bijstand van een jurist genoten, dan is voor een dergelijk extra gewicht voor de taalkundige betekenis geen plaats. In een dergelijk geval bestaat immers geen goede grond voor de verwachting dat de tekst van de overeenkomst nauwkeurig de bedoeling van beide partijen weergeeft. [78]
Lundiform/Mexx.
DSM/ […]ook van toepassing is op de uitleg van statuten, in die zin dat de omstandigheden van het concrete geval van beslissende betekenis zijn bij die uitleg. Voor de uitleg van statuten van een NV waarvan aandelen aan de beurs zijn genoteerd kan dan in een concreet geval een meer objectieve uitlegmethode aangewezen zijn dan voor de uitleg van statuten van een persoonsgebonden BV met twee aandeelhouders die de vennootschap vlak daarvoor hebben opgericht. [82]
Planck draagt, aldus rov. 9.3.1, - zakelijk weergegeven – de bewijslast van haar stelling dat zij als gevolg van de overdracht aan haar van 450 Vitol-certificaten D2005 op 10 januari 2005 en het inruilen daarvan tegen 450 Tinsel-certificaten S1 op 6 december 2006, thans nog 375 permanente certificaten S1 heeft die naar evenredigheid recht gaven en geven op bestaande en nog te verkrijgen winstaandelen.
termination eventin de zin van de SHA 2007 (Tinsel) (de pensionering van [betrokkene 1] per 30 maart 2020) en dat haar S1-certificaten daarom niet per ultimo 2010 geconverteerd hadden mogen worden in niet-winstgevende certificaten, niet bewezen. Tinsel c.s. heeft deze stelling genoegzaam ontzenuwd. Het door Tinsel c.s. gestelde zwaarwegende belang voor de Vitol-organisatie om in termen van haar winstdelingssysteem niet te discrimineren tussen haar Amerikaanse en niet-Amerikaanse werknemers (en hun onderscheiden
permitted assignees), en vooral ook om dit systeem met de daarbij behorende tweejaarlijkse herverdeling van winstrechten organisatiebreed te handhaven, zonder daarin beperkt te worden door permanente winstrechten van Amerikaanse werknemers en/of hun
permitted assignees, komt het hof overtuigend voor. Hetzelfde geldt, mede daarom, voor de verklaringen van de hiervoor in 10.4 aangehaalde getuigen, die ertoe strekken dat dit inderdaad steeds de (gemeenschappelijke partij)bedoeling is geweest.
Het hof heeft deze getuigenverklaringen in rov. 10.4.2 t/m 10.4.7 (gedeeltelijk) geciteerd.
Vereniging Albert Heijn Franchisenemers c.s./Albert Heijn Franchising c.s.), rov. 3.2.2).”
DSM/ […]dient te worden toegepast, aangezien het gaat om overeenkomsten en statuten van rechtspersonen die mede bestemd zijn om de rechtspositie van daarbij betrokken derden te beïnvloeden. Volgens Planck bestaat voor het toekomen van groot gewicht aan de gekozen bewoordingen – die volgens Planck geen enkel aanknopingspunt geven voor de uitleg van Tinsel c.s. – in de context van het gehele stuk en de daarmee samenhangende stukken temeer aanleiding, nu de Vitol-organisatie zich bij het opstellen van de Tinsel-documentatie uitgebreid heeft laten bijstaan door verschillende juridische en fiscale adviseurs (rov. 10.6.1 onder a).
Ad a (objectieve-uitlegmaatstaf). Tussen partijen is niet in geschil dat Tinsel c.s. Planck geen (aanvulling op of) uitleg van de overeenkomst kan tegenwerpen die Planck ten tijde van het sluiten ervan niet bekend was of bekend had kunnen zijn. In zoverre bestaat er tussen partijen geen geschil over de in acht te nemen toetsings- of uitlegmaatstaf. Wel lopen de standpunten van partijen uiteen over de vraag of Planck ( [betrokkene 3] ) bij het sluiten van de overeenkomst een onderzoeksplicht had naar de inhoud ervan, voor zover die niet uit de Tinsel-documentatie bleek en ook overigens niet duidelijk mocht zijn - volgens Tinsel c.s. was die onderzoeksplicht er wel, volgens Planck niet. Het hof sluit deze door Tinsel c.s. bedoelde onderzoeksplicht niet categorisch uit; hoe dit naar het oordeel van het hof in de voorliggende casus uitpakt zal hierna in 10.7.27 (slot) nog aan de orde komen.
Het hof heeft in rov. 10.7.2 geoordeeld dat de stellingen van Planck over de objectieve uitlegmaatstaf er toe strekken dat voor het
bewijsvan wat wel of niet onderdeel uitmaakt van de overeenkomst eerst en vooral moet worden gekeken naar de schriftelijke documentatie. De stellingen van Planck zijn aldus in de sleutel geplaatst van het bewijs van wat partijen – met zoveel woorden of stilzwijgend – zijn overeengekomen.
had kunnen wordenontleend (maar niet
isontleend).
Anders dan Planck heeft gesteld [92] , is zij immers niet als een derde aan te merken.
Met betrekking tot de aandeelhoudersovereenkomst 2005 heeft het hof – in cassatie niet bestreden – in rov. 4.6 vastgesteld dat in 2004 door het bestuur van Vitol Holding is besloten om deelnemers aan het winstdelingssysteem de mogelijkheid te bieden om hun Vitol-certificaten geheel of gedeeltelijk aan permitted assignees over te dragen. Een permitted assignee kon pas worden toegelaten en een dergelijke overdracht kon pas plaatsvinden na schriftelijke kennisgeving aan en goedkeuring van het bestuur van Vitol Holding. Een tweede vereiste was ondertekening door de permitted assignee van een Deed of Adherence, waardoor de permitted assignee partij werd bij de aandeelhoudersovereenkomst van de betreffende deelnemer aan het winstdelingssysteem.
Planck is door toetreding dus partij geworden bij de aandeelhoudersovereenkomst 2005 die voor de Vitol- structuur gold. [93]
10.5. Beoordeling van dit (tegen)bewijs, op zichzelf beschouwd
Stichting Tinsel.Althans is niet (zonder meer) in te zien dat ook volgens Stichting Tinsel die doorwerking destijds de bedoeling was en/of dat ook Stichting Tinsel het zo had begrepen. Geen van de door het hof bedoelde getuigen heeft iets verklaard over zo’n bedoeling of dergelijk begrip van Stichting Tinsel. Die bedoeling of dat begrip bij de door het hof aangehaalde getuigen zelf kan ook niet zonder meer worden toegerekend aan Stichting Tinsel, aangezien geen van hen bestuurder was van Stichting Tinsel. Het hof stelt ook niet vast dat de aangehaalde getuigen een andere positie bekleedden die toerekening van hun bedoeling of begrip aan Stichting Tinsel rechtvaardigde, noch hoe hun verklaringen anderszins bewijs zouden oplevering dat de wil van Stichting Tinsel in 2006 was gericht op de door Tinsel c.s. gestelde doorwerking, aldus het onderdeel.
Stichting Tinselwas dat het Vitol-winstdelingssysteem zou doorwerken in de Tinsel-structuur). Het onderdeel verwijst ook niet naar vindplaatsen waaruit deze stelling zou blijken. Planck heeft in feitelijke instanties aangevoerd dat de Tinsel-documentatie zo moet worden uitgelegd dat Planck in 2006 permanente S1-certificaten heeft verkregen. Tinsel c.s. hebben dit betwist, en hebben daarbij aangevoerd dat het de (gemeenschappelijke) bedoeling van (alle) partijen was dat het Vitol-winstdelingssysteem zou doorwerken in de Tinsel-structuur. Tegenover de getuigenverklaringen waarmee Tinsel c.s. deze gemeenschappelijke partijbedoeling hebben onderbouwd, heeft Planck een aantal tegenwerpingen aangevoerd, die zijn opgesomd in rov. 10.6.1 van het bestreden arrest. Daaruit volgt niet dat Planck heeft aangevoerd dat, zelfs als de doorwerking wel de bedoeling van de overige partijen is geweest, dit in ieder geval niet de bedoeling van Stichting Tinsel was. Ik acht het oordeel van het hof in rov. 10.5.1, dat de getuigenverklaringen feitelijke basis geven aan de stelling van Tinsel c.s. dat het destijds de gemeenschappelijke bedoeling was dat het Vitol-winstdelingssysteem zou doorwerken in de Tinsel-structuur, dan ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
Onderdeel 4is gericht tegen rov. 10.7.24, waarin het hof het volgende heeft geoordeeld (de cursiveringen zijn aangebracht door het hof):
Ad i ((overige) verklaringen en gedragingen [betrokkene 3] en [betrokkene 5] ).De verklaringen van [betrokkene 3] die ertoe strekken dat ten tijde van de STA zijn begrip van de situatie was dat kort gezegd het Vitol-winstdelingssysteem doorwerkte in de Tinsel-structuur (hiervoor, 10.4.7 en 10.5.2), komen het hof geloofwaardig voor. Het hof neemt hierbij het volgende in aanmerking.
Planck betwist niet, althans niet voldoende gemotiveerd, dat [betrokkene 3] ten tijde van de STA bekend was met de essentie van het Vitol-winstdelingssysteem en dus de daarbij behorende bevoegdheden
binnen Vitol. [betrokkene 3] heeft als getuige verklaard dat hij wist dat de Vitol-aandelen recht gaven op een gedeelte van de winsten in de twee jaar na uitgifte, dat er daarna weer nieuwe aandelen werden uitgegeven, en dat het dan aan de Vitol board was om te beslissen aan welke werknemers die aandelen toekwamen (de eerste alinea van zijn hiervoor in 10.4.7 weergegeven verklaring). Uit de inhoud en chronologie van die verklaring leidt het hof af dat [betrokkene 3] het daarbij heeft over zijn begrip van de situatie vóór de invoering van de Tinsel-structuur. Hij beschrijft hier in feite mechanisme a van het Vitol-winstdelingssysteem
binnen Vitol.
Rondom het moment van verkrijging door Planck van een deel van de Vitol-aandelen van [betrokkene 1] (D2005), was hij dan ook bekend met mechanisme b
binnen Vitol, dat wil zeggen dat de werknemer elke nieuwe ronde weer kon beslissen of hij of zij een deel van de Vitol-aandelen die hij of zij uit die nieuwe ronde mocht verkrijgen (weer) wilde overdragen aan zijn of haar
permitted assignee(daargelaten even of [betrokkene 3] zich bewust was van het vereiste van toestemming daarvoor van het bestuur van Vitol Holding).
Planck betwist verder niet, althans niet voldoende gemotiveerd, dat de bevoegdheden binnen dit systeem, mede gelet op de substantiële bedragen waarom de winstdeling ging, verstrekkend zijn (mechanisme b: tot 2011 waren).”
Volgens het onderdeel volgt deze overweging in ieder geval niet (zonder meer) logischerwijs uit de daaraan voorafgaande overweging (geciteerd als tweede alinea (“Planck betwist niet t/m
binnen Vitol”). Het feit dat – zakelijk weergegeven – [betrokkene 3] bekend was met mechanisme a van het Vitol-winstdelingssysteem maakt nog niet begrijpelijk waarom [betrokkene 3] “dan ook” bekend zou zijn geweest met mechanisme b binnen Vitol, aldus het onderdeel.
Voorts bevat het onderdeel de voortbouwklacht dat dit motiveringsgebrek ook doorwerkt in de waardering door het hof van de in rov. 10.5.2 (en 10.4.7) besproken/weergegeven verklaringen van [betrokkene 3] , en alle op deze overwegingen voortbouwende beslissingen.
permitted assignee. [97] Dit oordeel van het hof acht ik, gelet op de in rov. 10.4.7 geciteerde getuigenverklaring van [betrokkene 3] , ook niet onbegrijpelijk.
Onderdeel 5bestaat uit twee subonderdelen.
Subonderdeel 5.1is gericht tegen rov. 10.7.23, waar het hof als volgt heeft overwogen:
10.7.23. Ad h (postcontractuele gedragingen van [betrokkene 1] en andere betrokkenen).Het laten behouden door [betrokkene 1] van Planck van een deel van haar Tinsel-S1-certificaten per 1 januari 2009, terwijl er op dat moment een vervreemdingsverbod ten laste van de huwelijksgoederengemeenschap gold, zegt er niets over of [betrokkene 1] op dat moment stilstond bij de vraag of deze handeling ten gunste van Planck in overeenstemming of in strijd was met dat vervreemdingsverbod, en zegt dus niets over het begrip van [betrokkene 1] over de aard van de permanentie van die certificaten. Hetzelfde geldt in relatie tot de Vitol D 2007-ronde en de
fiduciary dutyvan [betrokkene 1] tegenover [betrokkene 2] op dat moment, daargelaten dat Tinsel c.s. betwist dat [betrokkene 1] de split van D2007 destijds niet met [betrokkene 2] heeft besproken (en zich destijds zich op dit punt aldus niet aan zijn
fiduciary dutyzou hebben gehouden). Ook het feit dat [betrokkene 1] en anderen geen schenkbelasting hebben aangegeven/afgedragen over het laten behouden door hun
permitted assigneesvan winstgevende Tinsel-certificaten in 2007 en 2009, terwijl dat volgens de onweersproken stelling van Planck wel had gemoeten indien deze certificaten de door Tinsel c.s. in de onderhavige procedure gestelde eigenschappen hadden, bewijst niet dat deze certificaten deze eigenschappen niet hadden (hebben), en maakt dat ook niet aannemelijk. Dat [betrokkene 1] zijn fiscale aangiften (ook voor de schenkbelasting) liet verzorgen door zijn fiscaal adviseur, die bij de opzet van Nova Trust en vervolgens de Tinsel-structuur nauw betrokken was geweest, maakt dit niet anders. Tot slot bewijst het feit dat [betrokkene 3] , [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 6] naar aanleiding van het gerechtelijk bevel ten behoeve van Sentinel en de aanschrijving van Sentinel, deze laatste destijds niet hebben geïnformeerd over de nu door Tinsel c.s. gestelde ongeschreven beperkingen die aan de winstgevende Tinsel-certificaten van Planck waren verbonden, niet dat deze beperkingen daaraan niet verbonden waren, en maakt dat ook niet aannemelijk.”
Agreed Temporary Orderstussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , bij de start van hun echtscheidingsprocedure in 2008, hebben ingestemd met een verbod op het vervreemden van goederen behorende tot de huwelijksgoederengemeenschap dat schenkingen aan Planck omvatte. Aangezien Tinsel-certificaten veruit de meest waardevolle categorie activa van de gemeenschap waren, ligt niet voor de hand dat [betrokkene 1] en zijn advocaten deze certificaten over het hoofd zouden hebben gezien en zouden hebben ingestemd met dit verbod als de [betrokkene 1] ’s tweejaarlijks bij de uitgifte van nieuwe Vitol D-aandelen moesten bepalen of/in hoeverre winstaanspraken vanuit het huwelijksvermogen aan Planck zouden worden geschonken. [98] In rov. 10.9.1 oordeelt het hof dat het Vitol-winstdelingssysteem telkens een positief besluit van de betreffende werknemer vergde om voor de komende periode Vitol-winstrechten toe te kennen aan zijn
permitted assignee.Daarvan uitgaande is (zonder nadere motivering) niet in te zien dat/waarom [betrokkene 1] in 2009 enerzijds wél een dergelijk positief besluit zou hebben genomen, maar er anderzijds toch niet bij zou hebben stilgestaan dat hij aldus goederen uit de huwelijksgoederengemeenschap vervreemdde;
under penalty of perjuryondertekende. [100] Zonder nadere motivering is niet in te zien dat – kort gezegd - dit niet zou bewijzen of aannemelijk maken dat de Tinsel-certificaten niet de door Tinsel c.s. gestelde eigenschappen hadden (hebben). Die belastingaangifte(n) wijzen er immers onmiskenbaar op dat Planck (behoudens een
termination eventof een reductie) al gerechtigd was tot de resultaten van Tinsels investeringen, waaronder Tinsels belang in bestaande en nieuw aan Tinsel uit te geven Vitol D-aandelen. Dit is niet te rijmen met de door Tinsel c.s. gestelde eigenschappen van die certificaten [101] ;
trust protector,[betrokkene 3] , [betrokkene 2] , [betrokkene 1] en [betrokkene 6] het bevel heeft gegeven om alle relevante informatie over Tinsel aan Sentinel te verstrekken. Geen van hen heeft op enig moment aan Sentinel bekendgemaakt dat [betrokkene 1] een ongeschreven beschikkingsbevoegdheid over Plancks Tinsel-aandelen zou hebben. [102] Ook/zelfs niet in reactie op de brief van Sentinel van 21 januari 2011, naar aanleiding van de door Stichting Tinsel aangekondigde omzetting van Plancks S1-certificaten, met het verzoek om volledige informatie over de aard van Plancks rechten, waaronder specifiek informatie of de Tinsel-aandelen permanent waren. [103] Zonder nadere motivering is niet in te zien dat de omstandigheid dat geen van de betrokkenen toen aan Sentinel heeft gemeld dat [betrokkene 1] de bevoegdheid zou hebben om de winstrechten op Plancks Tinsel-aandelen te beëindigen, niet zou meebrengen dat (zij ervan uitgingen dat) deze beperking niet aan de Tinsel-certificaten verbonden was. [104] Dit geldt temeer, nu Planck erop heeft gewezen dat dit nalaten voor [betrokkene 3] een ernstige schending van zijn
fiduciary dutiestegenover de begunstigden van de Nova Trust zou hebben gevormd, [105] aldus het subonderdeel.
Subonderdeel 5.2ziet op de hieronder door mij gecursiveerde overwegingen van het hof in rov. 10.7.30:
[betrokkene 1] en zijn adviseurs zijn en waren immers geen Tinsel Group of Stichting Tinsel, de contractspartijen van Planck. Dat [betrokkene 3] (Planck) de verklaringen van [betrokkene 1] en/of diens adviseurs op dat moment (nog) mocht opvatten als rechtsgeldige wilsuitingen of anderszins verklaringen van Tinsel Group en/of Stichting Tinsel, heeft Planck niet concreet gesteld, of althans - mede gelet op die door haarzelf gestelde eigen belangen van [betrokkene 1] in de echtscheidingsprocedure - onvoldoende onderbouwd(curs. A-G)
.”
Onderdeel 6richt zich met vijf subonderdelen tegen het hieronder door mij gecursiveerde gedeelte van het oordeel van het hof in rov. 11.2 (voor de volledigheid citeer ik tevens rov. 11.1):
Subonderdeel 6.1klaagt, kort samengevat, dat het hof hiermee blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip ‘feiten’ in art. 166 lid 1 Rv Pro, omdat de door Planck gestelde [108] (permanente) aard van de Tinsel-structuur een (voldoende) feitelijk en (daarom) voor bewijslevering vatbaar kenmerk is van deze structuur, en hetzelfde geldt voor het doel van de Tinsel-structuur.
subonderdeel 6.2is niet begrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd dat Planck onvoldoende zou hebben toegelicht over welke (relevante) feiten [betrokkene 7] zou kunnen verklaren (en waarom). Bij haar aanbod om [betrokkene 7] te horen heeft Planck verwezen naar haar stellingen over de (permanente) aard en het doel van de Tinsel-structuur in par. 59 t/m 64 van de memorie van antwoord. Deze stellingen hielden in dat:
Subonderdeel 6.3voegt hieraan toe dat het hof aldus miskent dat van een partij die getuigenbewijs aanbiedt, niet mag worden verlangd dat daarbij ook wordt aangegeven wat daarover door (de aangeboden) getuigen zal kunnen worden verklaard. Althans is zonder nadere motivering niet in te zien dat/hoe Planck, zonder te hoeven aangeven
wat[betrokkene 7] zou kunnen verklaren, verdergaand concreet en/of specifiek feiten had kunnen/moeten stellen
waarover[betrokkene 7] kon verklaren.
Bewijsaanbod
permitted assignee), bevestigen. De getuigen - voor zover zij daarover hebben verklaard - hebben aangegeven dat zij het aan een
permitted assigneetoekennen van de economische waarde van de Vitol aandelen/certificaten aan het ‘Tinsel-mandje’ niet zagen als een duidelijk belastbaar feit. Door geen van hen is ten aanzien daarvan aangifte voor de
gifttaxgedaan, terwijl zij zich hielden aan hun belastingverplichtingen en in het algemeen daarbij ook professioneel werden bijgestaan. Een en ander verdraagt zich niet met een discretionaire bevoegdheid van de betrokken werknemer dan wel de board van Vitol/Tinsel (Group dan wel Stichting) om elke twee jaar opnieuw te bezien of, en zo ja hoeveel, rechten aan de
permitted assigneezouden worden overgedragen. Planck wist dus niet en hoefde ook niet te beseffen dat de tekst van de betreffende documenten de situatie onjuist weergaf.”
Planck heeft met betrekking tot haar bewijsaanbod in hoger beroep in voetnoot 98 van de pleitnota verwezen naar de stellingen die zij in de memorie van antwoord in par. 59 t/m 64 heeft ingenomen. Deze paragrafen handelen in de kern om (i) de door Planck gestelde aard van de Tinsel-structuur, waarover het EY-team – waaraan [betrokkene 7] leiding gaf – adviseerde, met daaraan gekoppeld (ii) de door Vitol Holding aan EY afgegeven garantie.
Ad d (garantie aan EY). De door Planck aangehaalde passage maakt deel uit van een zeer omvangrijke (standaard)garantie die bestuurder Roland Favre ten behoeve van EY voor akkoord heeft getekend. Vitol Holding zal hiervoor tegenover EY mogelijk verantwoordelijk zijn, maar deze garantie bewijst niet, en ander bewijs is hiervoor ook niet aangedragen, dat Favre en andere Vitol Holding-bestuurders of anderen die bij de opzet en implementatie van de Tinsel-structuur betrokken zijn geweest zich van de concrete inhoud ervan - en de betekenis die aan die inhoud, volgens de stellingen van Planck, kan worden gegeven - daadwerkelijk rekenschap hebben gegeven. De afgegeven garantie draagt dan ook niet of onvoldoende bij aan het bewijs over de mindset van degenen die voor de invoering van de Tinsel-structuur verantwoordelijk waren, wat betreft de al of niet doorwerking binnen die structuur van het Vitol-winstdelingssysteem.”
Subonderdeel 6.4is aangevoerd onder de voorwaarde dat een van de klachten van onderdeel 1 slaagt. Aangezien ik hiervoor heb geconcludeerd dat onderdeel 1 faalt, behoeft deze klacht geen behandeling.
Subonderdeel 6.5is een voortbouwklacht, die faalt in het voetspoor van de overige subonderdelen van onderdeel 6.
Onderdeel 7heeft betrekking op het door het hof in rov. 4.14 vastgestelde feit, dat naast Planck ook (onder meer) [betrokkene 1] partij bij de STA is. Volgens het onderdeel is dit, indien geen verschrijving, onbegrijpelijk en/of in strijd met art. 149 Rv Pro. De gedingstukken laten namelijk geen andere conclusie toe dan dat de STA is gesloten tussen (enkel) Planck, Stichting Tinsel en Tinsel Group. [114] Tinsel c.s. hebben ook niet gesteld dat [betrokkene 1] partij was bij de STA. Volgens het onderdeel leest Planck het oordeel van het hof weliswaar niet zo dat het hof dit feit voor zijn oordeel van belang heeft geacht, maar beoogt het onderdeel te voorkomen dat dit in een verwijzingsprocedure als in cassatie onbestreden en daarom vaststaand wordt aangemerkt.