Conclusie
Ik zie het principale beroep geen doel treffen, zodat niet aan de voorwaarde wordt voldaan waaronder het voorwaardelijk incidenteel beroep is ingesteld. Desalniettemin bespreek ik daarvan Onderdeel 2, gericht tegen het inventiviteitsoordeel, dat volgens mij tevergeefs is voorgesteld, zou daar aan zijn toegekomen [2] .
We have become aware of your intention to sell a rapid-fill water balloon product, to be offered for sale as a lower cost version of the genuine Bunch O Balloons product (herein referred to as “the Imitation Product"). We are concerned that this may infringe upon the IP rights associated with Bunch O Balloons as we have a broad portfolio of registered rights which are effective in the Netherlands and many other European countries.
In conventie
Bunch O Balloons(behuizing, buizen, ballonnen en bevestigingsmiddelen) uitsluitend door een technische functie zijn bepaald en geen vrije creatieve keuzes zijn gemaakt bij het ontwerp van het product. In dit verband verwijst [verweerster] wederom naar de hiervoor genoemde uitspraak van de rechtbank Den Haag, waarin de rechtbank ook heeft geoordeeld dat de Bunch O Balloons geen auteursrechtelijk beschermd werk is. Daarnaast heeft [verweerster] naar voren gebracht dat ook uit de reciprociteitstoets van artikel 2 lid 7 van Pro de Berner Conventie volgt dat in Nederland geen auteursrecht kan bestaan, omdat de Bunch O Balloons de drempel voor auteursrechtelijke bescherming niet haalt in het land van oorsprong, de Verenigde Staten. Ter onderbouwing van dat laatstgenoemde standpunt heeft zij onder meer verwezen naar een opinie van de Amerikaanse advocaat (productie 66 van [verweerster] ). Tinnus c.s. heeft ook hier niets of in ieder geval onvoldoende tegenover gesteld.
Bunch O Balloonsproducten van Tinnus c.s. expliciet. De berichten zijn ook een vorm van vergelijkende reclame omdat de door [verweerster] aangeboden waterballonvullers erin worden genoemd.
3.Bespreking van het cassatiemiddel in het principale beroep
Bayer/Sandoz [11] ,
Resolution/AstraZeneca [12] , Tata Steel/ArcelorMittal [13] en
Fresenius/Lilly [14] (ook wel
Pemetrexed). Ik herhaal voor de zelfstandige leesbaarheid van deze conclusie in grote lijnen hetgeen ik in de laatste conclusie in 2.4-2.9 als samenvatting van dit stelsel heb gegeven.
the person skilled in the artin ook in Nederland veel gehanteerd Engels vakjargon) genoemd, die bij die lezing zijn algemene vakkennis meebrengt (dus leest ‘als vakman’), in het licht van de beschrijving en de tekeningen uit het octrooischrift; ik noem dit Protocollaire uitleg. In
Bayer/Sandoz [15] heeft de Hoge Raad in rov. 3.3.5 een overzicht gegeven van zijn rechtspraak over art. 69 EOV Pro en het Protocol en daar is vervolgens naar verwezen in de latere arresten
MSD/Teva [16] en
Resolution/AstraZeneca [17] .
Bayer/Sandozgeformuleerde, als vaste rechtspraak te beschouwen, uitlegregel en de duiding daarvan door de Hoge Raad luidt zo:
Bayer/Sandoz [19] heb beschreven, ligt dit overigens buiten onze landgrenzen iets anders. Sinds die conclusie is de rechtspraak aldaar echter verder ontwikkeld richting een ruimer gebruik van het verleningsdossier.
Bayer/Sandoz-conclusie [27] .Art. 2 van Pro het Protocol leert daarover dat “
op passende wijze rekening[moet]
(…) worden gehouden met elk element dat equivalent is aan een in de conclusies omschreven element.” Ook de equivalentietoetstoepassing is feitelijk in cassatie [28] . In
Bayer/Sandoz [29] is daarover het volgende overwogen:
function-way-result’-test [30] . Bij deze test wordt nagegaan of de als equivalent verdedigde maatregel in wezen dezelfde functie vervult als de in het octrooi beschreven maatregel en of daarmee op in wezen dezelfde manier in wezen hetzelfde resultaat wordt behaald.
Bayer/Sandoz [31] herinner ik eraan dat in Engeland met de Supreme Court uitspraak in de
Pemetrexed-zaak (in de bodemzaak),
Actavis/Eli Lilly [32] ,is gekomen tot een herformulering van de zogenoemde
Protocol questionsals hulpmiddel voor de afbakening van wel en niet beschermde equivalenten, in rov. 66 als volgt samengevat:
Bayer/Sandoz-conclusie [33] kan daar op grond van nieuwe ontwikkelingen in de rechtspraak (van zowel Nederlandse als andere Europese octrooirechters) het volgende aan worden toegevoegd.
AGA/Occlutechis dat ieder van de twee wegen leidt tot aanvaardbare uitkomsten, maar beide tegelijk toepassen doet dat niet [34] . Het is in die zin dus oppassen voor het vermengen van beide stelsels.
gezichtspuntenwat nou de kern van de uitvinding uitmaakt (de achter de bewoordingen van de conclusie liggende uitvindingsgedachte). Destijds convergeerde die benadering in mijn optiek met de Engelse ‘purposive construction’ en was er ook in Duitsland een tendens om equivalentiebescherming meer te geven door een ‘meteen’ verruimde uitleg [36] . Een Nederlandse ontwikkeling in die richting was mijns inziens dan ook toe te juichen.
Pemetrexed-zaak uitdrukkelijk afgestapt van een eenstapsbenadering en heeft het een tweestapsbenadering omarmd [37] . In navolging daarvan (en ook van (ook) Duitsland en Frankrijk waar al een lange traditie van een benadering in twee stappen bestond) heeft het hof Den Haag in de
Pemetrexed-zaak ook een tweestapsbenadering gehanteerd [38] . In de kern houdt die benadering in dat eerst wordt beoordeeld of sprake is van een ‘letterlijke inbreuk’ zonder daarbij de equivalentievraag te betrekken (eerste stap) en vervolgens, indien bij die eerste stap geen inbreuk wordt aangenomen en mits aangevoerd door de octrooihouder, wordt toegekomen aan de beoordeling of sprake is van inbreuk in het equivalentiebereik (tweede stap). De tweestappenbenadering is vervolgens onder verwijzing naar de
Pemetrexed-zaak een aantal keer door de Haagse rechtbank toegepast [39] en is door het hof ook in het bestreden arrest toegepast. Het principale cassatieberoep richt daar zijn pijlen op.
Bayer/Sandoz, waarbinnen de gezichtspuntenleer van de Hoge Raad een centrale rol speelt, en of dit te rijmen is met art. 69 lid 1 EOV Pro en het Protocol. Voor zover
subonderdelen II.8-9, II.11 en II.13motiveringsklachtenrichten tegen de hier bestreden rechtsoverwegingen, stranden die meteen al bij gebrek aan belang [42] .
passendis om het aangevallen voortbrengsel of de aangevallen werkwijze vanwege die equivalentie onder de beschermingsomvang van het octrooi te brengen. Het hof legt stap 2 verder zo uit, dat het er daarbij om gaat of in de ogen van de gemiddelde vakman de conclusies gelezen in het licht van (begrepen als: in de context van) beschrijving en tekeningen ruimte laten voor equivalentiebescherming, gelet op aan de ene kant een billijke bescherming van de octrooihouder en aan de andere kant een redelijke mate van rechtszekerheid voor derden.
Bayer/Sandoz, Ciba Geigy/Oté Optics, AGA/Occlutechen
Medinol/Abbott c.s. [43] . De vermeende tegenstelling wordt nogal zwaar aangezet. In het samenvattende subonderdeel I.4 wordt gesteld dat sprake zou zijn van ‘twee volledig verschillende inbreukbenaderingen’ [44] ; wat mij betreft ten onrechte.
Pemetrexed-zaak, maar ook (en voornamelijk) op rechtspraak van andere Europese octrooirechters. Het hof verwijst in rov. 6.9 weliswaar alleen naar zijn eigen arrest in de
Pemetrexed-zaak waarin het de tweestappenbenadering uitvoerig uiteen heeft gezet, maar in dat arrest wordt uitdrukkelijk de octrooirechtspraak van Duitsland, Frankrijk en Engeland besproken [45] . De suggestie die het onderdeel wekt dat het hof, en zelfs alleen de ‘kamer’ van het hof die ‘onder leiding van mr. Blok staat’ [46] , de tweestappenbenadering uit eigen beweging en in afwijking van wat andere (Europese) rechtscolleges doen, heeft ontwikkeld [47] , snijdt bepaald geen hout. De methode om de beschermingsomvang van een octrooi door middel van twee stappen te bepalen lijkt inmiddels ook in Nederland bij de gespecialiseerde Haagse octrooirechters, vaste lagere rechtspraak [48] . Overigens ook voorafgaand aan
Permetrexedwerd in Nederland al regelmatig (ook) een tweestapsbenadering toegepast [49] . Het feit dat andere toonaangevende Europese octrooirechters in Duitsland, Frankrijk en Engeland een vergelijkbare tweestappenbenadering hanteren, is geen onbelangrijke constatering. Het is wenselijk dat de rechtspraak van de verschillende Europese octrooirechters convergeert, in plaats van uiteenloopt [50] , nu het betreffende materiële nationale octrooirecht overal in de EOV-landen vrijwillig is geharmoniseerd [51] . Het is ook een belangrijke aanwijzing dat een tweestapsbenadering niet in strijd is met art. 69 lid 1 EOV Pro en het Protocol [52] .
Pemetrexed-zaak ter bepaling van bescherming van equivalenten zijn ‘guidelines’ en geen ‘strict rules’ [62] . Ik zie dan ook geen tegenstelling tussen de gezichtspuntenleer en de tweestappenbenadering, laat staan dat zij ‘volledig verschillend’ zouden zijn [63] , zoals subonderdeel I.4 suggereert.
subonderdeel II.4is de tweestappenbenadering in strijd is met art. 69 lid 1 EOV Pro en het Protocol omdat daarin een geïntegreerde benadering wordt voorgeschreven waarbij rekening wordt gehouden met het feit dat voor een kenmerk van de conclusie ook een ander gelijkwaardig kenmerk kan worden gelezen. De leer uit rov. 6.4-6.4.2 is volgens de klacht onjuist, omdat het hof bij de eerste stap equivalenten ecarteert en daarom in die eerste stap, anders dan het hof heeft overwogen, niet het midden van art. 1 van Pro het Protocol kan worden gevonden. Verder worden hierin equivalenten ten onrechte geheel separaat en los van de overige kenmerken van de conclusie beoordeeld. Dit kan tot een te strenge beoordeling leiden, zoals ook in deze zaak is gebeurd. De conclusie moet in zijn geheel en in context worden beschouwd, met toepassing van art. 2 van Pro het Protocol, zodat met name ook de uitvindingsgedachte die achter de woorden van de conclusie ligt mede in beschouwing kan worden genomen. De benadering van het hof klemt volgens het subonderdeel temeer, wanneer, zoals het hof doet bij de afzonderlijke beschouwing van de equivalentievraag, het uitgangspunt is dat (een beroep op) equivalentie inhoudt dat sowieso sprake is van een onduidelijkheid die in beginsel ten nadele van de octrooihouder werkt (zie rov. 6.10), ondanks het feit dat de gemiddelde vakman inziet dat het vergeleken met het letterlijke kenmerk van de conclusie om een gelijkwaardig (gelijk werkend) kenmerk (element) gaat. Bij een afzonderlijke beschouwing van het equivalent (bijvoorbeeld of met het element ‘spijker’ ook ‘schroef’ bedoeld kan zijn) zal veel eerder sprake zijn van onduidelijkheid dan in een integrale benadering zoals in de gezichtspuntenleer, omdat in die integrale benadering bijvoorbeeld blijkt dat gezien de uitvindingsgedachte achter de woorden van de conclusie het voor iedereen duidelijk is dat met ‘spijker’ in feite een mechanisch verbindingsmiddel is bedoeld.
ingelezen, maar alleen dat dat met equivalenten
‘op passende wijze’ rekening moet worden gehoudenbij het bepalen van de beschermingsomvang en dat is wat anders, nu dat laatste betekent dat het ook niet ‘passend’ kan zijn om ‘equivalenten in te lezen’.
nieteen uitleg behelst waarbij de beschermingsomvang strikt wordt bepaald door de letterlijke tekst van de conclusie, maar een ‘contextuele’ uitleg van de octrooiconclusies in het licht van onder meer de beschrijving en tekeningen vanuit het perspectief van de gemiddelde vakman met zijn kennis van de stand van de techniek. Daarbij heeft hof verwezen naar art. 69 lid 1 EOV Pro en ‘het midden van art. 1 van Pro het Protocol’. Het hof heeft met die laatste overweging bedoeld dat bij de eerste stap een uitleg wordt gegeven die ‘het midden’ houdt tussen de in art. 1 van Pro het Protocol beschreven uitersten.
voorlopigmidden kan worden gevonden (bijvoorbeeld als geen beroep op equivalentie wordt gedaan), maar dat dat midden, als equivalentie een rol speelt, nader kan worden aangevuld in stap 2, waarbij behalve naar technische equivalentie ook nog goed naar het evenwicht tussen rechtvaardige bescherming voor de octrooihouden en voldoende rechtszekerheid van derden moet worden gekeken, bijvoorbeeld aan de hand van het gezichtspunt uit
Resolution/AstraZeneca, rov. 3.4.3, al aangehaald, dat de gemiddelde vakman een bepaalde formulering in de conclusies op zal vatten als een beperking van de beschermingsomvang. Het gaat gelet ook op de authentieke Engelse tekst van art. 1 Protocol Pro bij ‘midden’ om een ‘position between these extremes’, dus om een positie tussen de twee uitersten, een
figuurlijkhet midden houden zodoende. Het is volgens mij duidelijk dat de benadering van het hof betekent dat de beschermingsomvang door de
twee stappen samenwordt bepaald uiteindelijk, als equivalentie een rol speelt [67] .
Bayer/Sandoz [68] – in rov. 6.4.2 omschreven als het beantwoorden van de vraag of in de perceptie van de gemiddelde vakman de conclusies, gelezen in het licht van de beschrijving en de tekeningen, ruimte laten voor equivalenten, gelet op enerzijds een billijke bescherming van de octrooihouder en anderzijds een redelijke mate van rechtszekerheid voor derden. Daaruit volgt al dat in stap 2 bij de beoordeling van de equivalentievraag de conclusies in hun geheel en in context (namelijk in het licht van de beschrijving en de tekeningen) worden beschouwd. Dat in stap 2 geen ruimte zou zijn voor het belangrijke gezichtspunt van de uitvindingsgedachte, zie ik al evenmin. Zoals besproken is een equivalentiebeoordeling zonder daarin te betrekken wat de ‘kern’ of ‘grap’ van de uitvinding (de achter de bewoordingen van de conclusies liggende uitvindingsgedachte) is, niet goed denkbaar en dat is eigenlijk zo vanzelfsprekend dat dat niet behoeft te worden uitgespeld, maar wordt ingelezen; het is inherent aan een equivalentiebeoordeling. Nu van separate beschouwing van equivalente kenmerken en niet (kunnen) letten op de uitvindingsgedachte geen sprake is in stap 2, is de benadering van het hof zodoende ook niet te ‘streng’, zoals de klacht ingang wil doen vinden. Niet moet worden vergeten dat een ‘terugval’ naar alleen de uitvindingsgedachte als
maatstafin plaats van
gezichtspuntbij de vaststelling van de beschermingsomvang, waar de middel van Tinnus c.s. een beetje toe neigt, uitdrukkelijk als één van de ‘uitersten’ is verboden in het Protocol.
Pemetrexed-zaak aan het woord. Art. 2 van Pro het Protocol maakt volgens hem duidelijk dat ‘there is at least potentially a difference between interpreting a claim and the extent of protection afforded by a claim’ [70] . Hij onderscheidt het bepalen van de beschermingsomvang uitdrukkelijk in twee verschillende exercities: eerst het bepalen van de betekenis van de octrooiconclusies door middel van uitleg en vervolgens het bepalen van de beschermingsomvang waarbij equivalenten aan bod komen. De equivalentievraag is volgens hem geen uitlegvraag, maar komt juist pas aan bod als de uitleg is afgerond. De ratio van een equivalentiedoctrine is volgens hem namelijk dat de octrooihouder een beroep kan doen op een ruimere beschermingsomvang dan volgt uit de conclusies zoals uitgelegd volgens de normale uitlegregels [71] . Neuberger ziet equivalentie dus op grond van de tekst van het Protocol uitdrukkelijk wel als een (potentiële) verruiming van de beschermingsomvang. Ook daarvan zie ik niet dat dat in strijd zou zijn met het Protocol.
subonderdeel II.9dat rov. 6.4.2 onvoldoende begrijpelijk is, faalt al bij gebrek aan belang, nu dit een motiveringsklacht is tegen een rechtsoverweging [73] .
op passende wijzemet equivalenten rekening worden gehouden en dat is iets anders. Het gaat er immers om of de conclusies, gelezen in het licht van de beschrijving en de tekeningen, in de perceptie van de gemiddelde vakman (die leest ‘als vakman’)
ruimtelaten voor bescherming in het equivalentiebereik, gelet op enerzijds een adequate bescherming van de octrooihouder en anderzijds de rechtszekerheid voor derden [74] . Dat geeft rov. 6 4 2 met juistheid aan, zodat de klacht ook inhoudelijk faalt. De klacht neigt naar de inmiddels niet meer aanvaarde afstandsleer (zie daarover 3.57-3.58).
Bayer/Sandoz [75] en lijkt mij nog steeds geldend recht, zodat hier geen sprake is van een onjuiste rechtsopvatting. Andersom lijkt mij de visie die de klacht daarvoor in de plaats wil stellen wel onjuist, omdat dat een te beperkt toetsingskader biedt. Het neemt ten onrechte tot uitgangspunt dat equivalenten in beginsel beschermd zijn en alleen niet voor bescherming in aanmerking komen als er goede redenen zijn voor de gemiddelde vakman om aan te nemen dat de octrooihouder de equivalente uitvoering niet heeft willen of kunnen beschermen [76] . Nog daargelaten dat dit lijkt op de afstandsleer die duidelijk in de ban is gedaan in
Resolution/AstraZeneca [77] , biedt deze maatstaf ten onrechte ook geen ruimte voor het gezichtspunt dat ook in het equivalentiebereik de billijke bescherming van de octrooihouder moet worden afgewogen tegen een redelijke mate van rechtszekerheid voor derden. Het gaat alleen uit van het perspectief van de octrooihouder en wat deze heeft willen of kunnen beschermen. Ook dit deel van subonderdeel II.12 kan niet tot cassatie leiden.
subonderdeel II.13dat het vorenstaande betekent dat het hof de inbreukvraag op een onjuiste respectievelijk onvoldoende begrijpelijke manier heeft behandeld, deelt het lot van de voorafgaande klachten.
onderdeel IIIklagen Tinnus c.s. dat het hof de tweestappenleer onjuist, althans onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd heeft toegepast in rov. 6.5-6.8. Deze klachten worden in subonderdelen nader uitgewerkt. Ook deze klachten zie ik niet tot cassatie leiden.
rechtsklacht uit subonderdelen III.1-III.6 daar al meteen op afketst [78] .
motiveringsklacht moet worden gelezen (ik aarzel daarover, omdat dan subonderdeel III.7 een herhaling van zetten daarvan zou zijn, maar gelet op de veelvuldige herhalingen van zetten in het principaal cassatiemiddel, die we nog zullen tegenkomen, is dat ook weer niet ondenkbaar), geldt het volgende. Het hof overweegt in rov. 6.6 dat de waterballonvuller van [verweerster] (dus het hele product) (i) geen opening aan een eerste kant en een meervoudig aantal gaten aan een tweede kant heeft (kenmerk 1.2) en (ii) daarom de buizen ook niet zijn bevestigd aan een meervoudig aantal corresponderende gaten (kenmerk 1.3). Dat is geen onderdelenexegese
sec, zo volgt uit rov. 6.7-6.8, waarin het hof Tinnus c.s.’ betoog verwerpt dat de uiteinden van de buizen de meervoudige gaten aan de tweede kant van de behuizing zouden zijn. Dat is alleen zo in geassembleerde staat, te weten als de buizen als bundel in het gat aan de tweede kant zitten. Volgens het hof zal de gemiddelde vakman bij een product met behuizing en buizen die duidelijk van elkaar te onderscheiden onderdelen zijn zoals bij [verweerster] product, de uiteinden van de bundel buizen niet opvatten als gaten aan een tweede kant van de behuizing, zodat [verweerster] product in samengestelde staat niet aan de besproken kenmerken 1.2 en 1.3 voldoet. Het hof heeft daarbij ook nog overwogen dat het feit dat de uiteinden van de buizen zijn samengesmolten tot een geheel, dat niet anders maakt. Die feitelijke uitleg is prima te volgen, zodat ook zo bezien de klacht tevergeefs is.
subonderdeel III.7is de beslissing ook onbegrijpelijk nu er in geassembleerde staat bij het product van [verweerster] geen sprake is van één gat, aangezien op de plek waar in ongeassembleerde staat zich het gat bevindt, in geassembleerde staat materiaal aanwezig is met daartussen vele openingen (‘gaten’). Deze stelling heeft het hof echter verwerpend besproken in rov. 6.7 [79] . Het hof heeft daar namelijk het betoog van Tinnus c.s. verworpen dat in [verweerster] ’s waterballonvuller de uiteinden van de buizen de meervoudige gaten aan de tweede kant van de behuizing vormen langs de hiervoor in 3.66 besproken lijnen. Hierin ligt besloten dat ook de samengesmolten buizen (ook in geassembleerde staat) niet maken dat
de behuizingmeerdere gaten aan de tweede kant heeft. Met andere woorden: ook in geassembleerde staat is volgens het hof sprake van enerzijds een behuizing met aan de tweede kant één gat en van (samengesmolten) buizen anderzijds. Het hof onderscheidt die twee onderdelen (ook in geassembleerde staat) om twee redenen: (i) omdat die onderdelen van elkaar te (onder)scheiden zijn in het product van [verweerster] en (ii) omdat conclusie 1 uitdrukkelijk een onderscheid maakt tussen de behuizing en de buizen.
ongeassembleerdestaat zich
het gatbevindt (nadruk toegevoegd, A-G) is in
geassembleerdestaat afgesloten met materiaal met daartussen vele gaten. Ook in de laatste zin van subonderdeel III.7 staat dat ‘het gat’
wordt afgeslotendoor de samengesmolten uiteinden van de buizen [80] . Hieruit blijkt dat het inderdaad mogelijk is om twee onderdelen in het product van [verweerster] , wat het hof noemt ‘de behuizing’ en de (samengesmolten) buizen, te onderscheiden en ook feitelijk te scheiden, namelijk door het product uit elkaar te halen: de samengesmolten buizen worden of zijn immers
bevestigdin ‘het gat’ (subonderdeel III.5); uit de twee afbeeldingen van [verweerster] product in rov. 6.6 blijkt ook dat er een afbeelding is met een onderdeel zonder buizen en een afbeelding van het product met buizen; dat is ook de ongeassembleerde staat waar Tinnus c.s. klaarblijkelijk zelf vanuit gaan.
de buizen als bundel worden bevestigd’, onbegrijpelijk en onjuist is, zie ik ook geen doel treffen. Geklaagd wordt dat het gat niet wordt afgesloten door een bundel van buizen, maar door de samengesmolten uiteinden van de buizen. Dat heeft het hof ook gezien, gewogen en als volgt te licht bevonden in rov. 6.7: ‘Dat de uiteinden van de buizen zijn samengesmolten tot een geheel maakt dat niet anders.’ De klacht mist feitelijke grondslag.
subonderdeel IV.2dat daarbij uit het oog is verloren dat Tinnus c.s. niet hebben betoogd dat de afzonderlijke buizen een deel van de behuizing vormen, maar de samengesmolten uiteinden (randen) van de buizen, die samen met de witte ring (in geassembleerde toestand) ‘the bottom of the chamber’ (die gevormd wordt door de behuizing) vormen, aldaar waar het hof ten onrechte respectievelijk onbegrijpelijk meent dat er sprake is van het tweede gat. Dit klemt temeer nu de conclusie niet voorschrijft dat de behuizing en de bodem van de door de behuizing gevormde kamer (waar het hof het tweede gat zegt te zien) geheel opgebouwd moet zijn uit hetzelfde materiaal, maar integendeel uit de beschrijving (zie par. [0101]) blijkt dat de door de behuizing gevormde kamer van allerlei materiaal gemaakt kan zijn, dus ook gevormd kan worden door de samengesmolten uiteinden (randen) van de buizen (en de witte ring), met name nu de buizen ‘integrally formed with the housing’ kunnen zijn (beschrijving par. [0097]).
subonderdeel IV.3zou het hof conclusie 1 niet hebben uitgelegd in het licht van de beschrijving en tekeningen, nu de uitleg kennelijk berust op (de letter van) conclusie 1. Uit de beschrijving blijkt immers dat ‘a plurality of holes (26) at the second end (B) and a plurality of hollow tubes, wherein each tube is attached to a respective hole of said plurality of holes’ niet, zoals het hof stelt, hoeft te betekenen dat de ‘holes
’in de behuizing niet door de samengesmolten uiteinden kunnen worden gevormd, aangezien duidelijk uit de beschrijving blijkt dat de buizen ‘integrally formed with the housing’ (0097 en 0101) kunnen zijn, zodat zonder nadere maar niet verschafte uitleg onbegrijpelijk is waarom de gaten gevormd door de samengesmolten randen niet als de gaten aan de tweede kant van de behuizing kunnen worden gezien door de gemiddelde vakman.
Pemetrexed-arrest [85] heeft gehanteerd, die als volgt worden geparafraseerd:
juridischegrondslag, waarbij in cassatie van de juistheid van door de lagere rechter in het midden gelaten (zuiver) juridische stellingen moet worden uitgegaan, bestaat niet in ons recht [88] . Voor zover het onderdeel tot uitgangspunt neemt dat in cassatie vast zou staan dat aan de vereisten waarover het hof niet heeft geoordeeld is voldaan, mist onderdeel V lijkt mij feitelijke grondslag.
subonderdeel V.2is dat het oordeel in rov. 6.10 dat bewoordingen van de conclusies, uitgelegd in het licht van de beschrijving en de tekeningen, die equivalenten niet omvatten (altijd) onduidelijkheid creëren en dat die onduidelijkheid (altijd) in beginsel ten nadele van de octrooihouder werkt, in strijd is met art. 69 lid 1 EOV Pro, althans onvoldoende begrijpelijk is om de in de subonderdelen V.3-V.6 aangegeven redenen.
subonderdelen V.2-V.6tegen rov. 6.10 bestaat geen belang in cassatie. In rov. 6.9 geeft het hof als zijn oordeel te kennen dat aan het vereiste van een redelijke rechtszekerheid voor derden niet is voldaan hier, wanneer de ballonvuller van [verweerster] onder beschermingsomvang van 1 zou worden gebracht. In rov. 6.10 volgt de geciteerde vooropstelling, waar deze subonderdelen klachten tegen richten. Wat daar verder van zij, het hof oordeelt in rov. 6.11 dragend en zelfstandig (ondanks dat dat oordeel aanvangt met: ‘Daar komt bij’; zie hierna in 3.90) dat de gemiddelde vakman goede grond had om een beperking van de beschermingsomvang aan te nemen tot apparaten die kenmerk 1.2 vertonen, hetgeen nader wordt uitgewerkt in rov. 6.12. Daartegen worden in Onderdelen VII en VIII, zoals ik verderop zal bespreken, tevergeefs klachten gericht, zodat die dragende grond tot blokkering van een beroep op equivalentenbescherming overeind blijft. Nu bovendien zo wordt besproken dat Onderdeel VI feitelijke grondslag mist, kunnen de hierbedoelde klachten uit Onderdeel V inhoudelijk onbesproken blijven.
onderdeel VII (en VIII).De klacht is in Onderdeel VII dat het oordeel in rov. 6.11 onjuist of onbegrijpelijk is dat kenmerk 1.2 door Tinnus eerst is verwijderd uit conclusie 1, maar vervolgens weer is opgenomen naar aanleiding van een nieuwheidsbezwaar van de Examiner, uit welke gang van zaken de gemiddelde vakman in beginsel kan afleiden dat het de bedoeling was apparaten zonder kenmerk 1.2 buiten de reikwijdte van conclusie 1 van EP 948 te houden.
subonderdeel VII.1dat de Examiner niet
ongeclausuleerdheeft geoordeeld dat de uitvinding niet nieuw was, maar dat er alleen sprake was van niet-nieuwheid vanwege ‘intervening prior art’ indien vanwege toegevoegde materie door het weglaten van twee kenmerken 1.2 en 1.3 geen beroep op prioriteit zou kunnen worden gedaan (onder verwijzing naar het gestelde in 2 van prod. GP42) en dat indien kenmerken 1.2 (en 1.3) (weer) in de conclusie worden opgenomen conform de suggestie van de Examiner (in 6.4 van prod. GP42) er sprake zou zijn van een geldig beroep op prioriteit en er geen nieuwheidsbezwaren meer resteren (onder verwijzing naar plta EA 95-96 en de partijdeskundige-verklaring van ir. Aalbers, prod. EP28 58-66).
subonderdeel VII.2dat de gemiddelde vakman die het verleningsdossier bestudeert onmiddellijk begrijpt dat het weer opnemen van kenmerk 1.2 (en 1.3) is gebeurd om aan de formele vereisten van het inroepen van het prioriteitsrecht te kunnen voldoen (waarmee openbaarmakingen gedaan gedurende het prioriteitsjaar, de in prod. GP42 genoemde publicaties D6 en D7, die bij niet-herstel van prioriteit tot niet-nieuwheid van het octrooi zouden hebben geleid, niet langer bezwaarlijk waren omdat deze van na de prioriteitsdatum dateren) en dat het dus niet ging om een opneming van deze kenmerken om een materieel nieuwheidsbezwaar te overwinnen. Nadat aan het formele prioriteitsbezwaar was tegemoet gekomen, resteerden geen nieuwheidsbezwaren meer. Het is daarom onjuist, althans onbegrijpelijk, dat de gemiddelde vakman hieruit zou kunnen afleiden dat het de bedoeling was van de octrooihouder om apparaten zonder kenmerk 1.2 (
en zelfs equivalenten daarvan) buiten de reikwijdte van conclusie 1 van EP 948 te houden.
(en zelfs equivalenten daarvan)’ lijkt feitelijke grondslag in het hofarrest te missen, omdat het hof niets specifiek over equivalenten heeft overwogen in rov. 6.11 (het is alleen zo dat de overweging staat onder het kopje: ‘Beschermingsomvang: geen equivalentie’).
apparaten zonder kenmerk 1.2 buiten de reikwijdte van conclusie 1 te brengen, terwijl subonderdeel VIII.1 vooropstelt dat het hof over het hoofd zou hebben gezien dat de octrooihouder
zich niet verzet tegen een inrichting zonder kenmerken 1.2(en 1.3), omdat er anders sprake zou zijn van ‘file wrapper estoppel’: de octrooihouder zou dan een beschermingsomvang claimen waar hij teneinde octrooi te kunnen kringen uitdrukkelijk afstand van heeft gedaan. Subonderdeel VIII.1 spreekt de vooropstelling uit Onderdeel VII zodoende tegen; het is van tweeën één: uit de verleningsgeschiedenis volgt wel of niet dat kenmerk 1.2 voorhanden moet zijn om van inbreuk te kunnen spreken. Ik denk dat het hof op voldoende gemotiveerde wijze feitelijk heeft kunnen oordelen dat sprake is van het eerste, zoals ik zal uiteenzetten nu.
formeelniet-nieuwheidsbezwaar vanwege gebrek aan recht op prioriteit, zoals de klacht ingang wil doen vinden, of was dit (ook) een
materieel nieuwheidsbezwaar volgens [verweerster]? Duidelijk dat laatste als we de stellingname van [verweerster] bij CvA/CvE 162-163 en 168-169 bezien, waarin [verweerster] aangeeft dat de gemiddelde vakman uit de verleningsgeschiedenis haalt dat sprake is van een
technisch bewuste keuzevoor deze beperking – en dat wijst als eerder gezegd op een
materieel niet-nieuwsheidsargument. Ik citeer deze passages uit de CvA/CvE:
kanzijn voorzien van een meervoudig aantal gaten, maar in de conclusies wordt dit expliciet geclaimd. De beschrijving van EP ‘948 leert daarnaast verschillende manieren waarop de buizen aan de behuizing zouden kunnen worden bevestigd, maar de enige manier die in de conclusies wordt geclaimd is bevestiging van iedere holle buis (“
each hollow tube”) aan de gaten in de behuizing. Aan
de aanwezigheid van het meervoudig aantal gaten aan uiteinde B van de behuizingligt de
technisch bewuste keuze ten grondslagdat de holle buizen aan die verschillende gaten worden bevestigd.
zal de vakman, althans iedere derde, vanwege de aard van de beperking en de wijze waarop die volgens het verleningsdossier heeft plaatsgevonden, de letterlijke bewoordingen van het octrooi niet aanmerken als een duidelijk onbedoelde beperking.[voetnoot verwijst op deze plaats naar de
Permetrexed-zaak in eerste aanleg, ECLI:NL:RBDHA:2019:6017, rov. 4.16].
each hollow tubeis bevestigd aan een respectievelijk gat in de behuizing,
vormt een sterke aanwijzing dat de octrooihouder geen bescherming heeft kunnen verkrijgen voor waterballonvullers waarin dat niet het geval is. Aan de beperking ligt een
technisch bewuste keuze ten grondslag. Deze
aanwijzing wordt versterkt door de manier waarop tijdens de verlening van EP ‘948 door de octrooihouder is gehandeld.Zoals gezegd claimden de conclusies 1 en 10 vlak voor verlening nog slechts de aanwezigheid van het meervoudig aantal gaten in de behuizing, niet de bevestiging van iedere buis aan één van die gaten. Dat de octrooihouder tegen het opnemen van deze beperking – na observaties van derde partijen – niet is opgekomen, is een
verdere aanwijzing dat de octrooihouder alleen voor deze beperkte conclusies bescherming heeft willen zoeken.Let wel; het gaat hier niet om een gebrek aan basis – het betreft een element dat direct raakt aan de prioriteit en daarmee de geldigheid.
weliswaar beschreven, maar worden niet geclaimden dus niet beschermd door EP ‘948. In het licht van bovenstaande en de rechtszekerheid voor derden dient enige onduidelijkheid over de reikwijdte van de octrooiconclusies van EP ‘948 voor rekening te komen van Tinnus[.] De [verweerster] waterballonvuller maakt geen inbreuk.’ [Onderstrepingen A-G]
materieel niet-nieuwheidsbezwaar– en althans niet alléén een louter formeel niet-nieuwheidsbezwaar vanwege het geen beroep kunnen doen op recht van prioriteit, alhoewel dat laatste ook wordt genoemd in de argumentatie van [verweerster] . Dat is gelet op deze citaten goed te volgen, nu [verweerster] daarin bij herhaling aangeeft dat de gemiddelde vakman uit de verleningsgeschiedenis af zou leiden dat sprake is van een
technische bewuste keuzevoor kenmerk 1.2 (en 1.3), hetgeen niet is weersproken vervolgens door Tinnus c.s. en waaromtrent het hof vervolgens overweegt in rov. 6.12 dat het bij die stand van zaken op de weg van Tinnus c.s. had gelegen om toe te lichten waarom een derde die hierop afgaat desondanks er niet op zou mogen vertrouwen dat kenmerk 1.2 een essentieel element was van de geclaimde uitvinding, welke toelichting niet is gegeven. Dit valt in gangbaar octrooirechtelijk vakjargon samen te vatten als dat de gemiddelde vakman dit zou begrijpen als: ‘disclosed [in de beschrijving] but not claimed [in de conclusies] is disclaimded’. Dan is de ruimte voor equivalentie danig ingeperkt, zo niet academisch, zoals het hof hier vervolgens oordeelt.
alleen ziet op kenmerk 1.3(‘a plurality of hollow tubes (16), wherein each hollow tube (16) is attached to a respective hole of said plurality of holes (26)’) en
nietop kenmerk 1.2 (comprising an opening at a first end (A) and a plurality of holes (26) at a second end (B)’); het citaat in voetnoot 25 van de PI in cassatie uit ir. Aalbers’ opinie ziet immers op herintroductie van ‘the restriction to the tubes being attached to respective holes on formal grounds, not substantive grounds’ en dat refereert niet aan kenmerk 1.2, maar aan kenmerk 1.3. Het hof heeft dat blijkens rov. 6.13 ook zo beoordeeld: ‘Dat betoog [dat de beperking van de bevestiging van de buizen aan de respectieve gaten niet is toegevoegd op grond van een nieuwheidsbezwaar, A-G] heeft betrekking op het kenmerk dat elke holle buis is bevestigd aan een respectief gat van het genoemde meervoudig aantal gaten (kenmerk 1.3) in plaats van het kenmerk dat de behuizing een opening aan een eerste kant en een meervoudig aantal gaten aan een tweede kant omvat (kenmerk 1.2). Ook voor kenmerk 1.3 geldt dat het onderdeel was van conclusie 1 van de aanvraag en tijdens de verleningsprocedure eerst werd verwijderd. Dat, na de invoering van kenmerk 1.2, conclusie 1 nog verder is beperkt door ook kenmerk 1.3 opnieuw in te voegen en dat die latere toevoeging van kenmerk 1.3 samenhangt met een bezwaar van toegevoegde materie in de zin van artikel 123 lid 2 EOV Pro, verandert niets aan de conclusies die de gemiddelde vakman kan trekken uit de invoering van kenmerk 1.2.’ De plta EA 95, waar in de PI voetnoot 25 naar wordt verwezen, gaat ook over ‘de technische beperking van de bevestiging van de holle buizen aan respectieve gaten’ – kenmerk 1.3 dus; rov. 6.11 ziet alleen op kenmerk 1.2, over de toevoeging waarvan [verweerster] in feitelijke instanties als hiervoor uiteengezet heeft aangevoerd dat die is gedaan omdat de uitvinding anders
materiëlenieuwheid zou ontberen.
Onderdeel VIIIbeklaagt rov. 6.9-6.13 om een reeks aan verdere gedetailleerde redenen als onjuist en/of onvoldoende begrijpelijk. Het onderdeel bevat nogal wat herhalingen van zetten, zoals ik hierna zal toelichten.
equivalentvoor kenmerk 1.2 gekeken zou kunnen worden bij de inbreukvraag. Dat laatste heeft het hof ten onrechte nagelaten te onderzoeken met een onterecht beroep op rechtszekerheid voor derden, is in wezen de portee van de hierbedoelde klachten.
materiëleniet-nieuwheid als reden voor (her)opneming van kenmerk 1.2 (niet alleen op repareren van een geldig beroep op prioriteitsrechten en ecartering van toegevoegde materie), zodat de klachten van Onderdeel VIII die ervan uitgaan dat alleen sprake is van
formelenietigheid hier al om die reden niet opgaan, lijkt mij het volgende redengevend voor verwerping van de hoofdlijn uit Onderdeel VIII. In het aangevallen hofoordeel ligt besloten dat en waarom er
in beginsel, zoals het hof uitdrukkelijk overweegt, geen ruimte is voor equivalentiebescherming hier, gelet op hetgeen [verweerster] volgens het hof heeft aangevoerd over hetgeen de gemiddelde vakman omtrent kenmerk 1.2 uit de verleningsgeschiedenis zou afleiden. Dat is op zichelf een aanvaard gezichtspunt, zo is hiervoor besproken, gelet op het al aangehaalde
Resolution/AstraZeneca-arrest, rov. 3.4.3. Daartegen is volgens het hof door Tinnus c.s. onvoldoende ingebracht/toegelicht om te kunnen aannemen dat die ruimte voor equivalentiebescherming er hier niettemin wèl zou zijn, terwijl dat volgens het hof (procedureel) wel op hun weg lag. Daarin ligt besloten dat het hof op deze
processuele grondenaanneemt dat gelet op de rechtszekerheid van derden geen ruimte bestaat voor equivalente bescherming ten aanzien van kenmerk 1.2. Het hof heeft blijkens rov. 6.14 de overige argumentatie pro equivalentie van Tinnus c.s. gewogen, maar te licht bevonden (‘De overige argumenten die Tinnus c.s. heeft aangevoerd in het kader van haar beroep op equivalentie kunnen niet leiden tot een andere conclusie.’) en heeft in rov. 6.15 aangegeven waarom hier geen sprake is van een pioniersuitvinding die een ruimere beschermingsomvang rechtvaardigt.
Subonderdeel VIII.1klaagt dat het hof over het hoofd heeft gezien dat de octrooihouder zich niet verzet tegen het apparaat van [verweerster] omdat het kenmerk 1.2 (en 1.3) niet vertoont, maar omdat het op equivalente wijze aan kenmerk 1.2 (en 1.3) voldoet. Anders dan het hof in rov. 6.11 heeft overwogen gaat het er volgens Tinnus c.s. om of er een goede grond bestaat voor de vakman om te denken dat de bescherming van (onder meer) conclusie 1 zich beperkt tot de letterlijke uitleg van woorden van kenmerk 1.2 (en 1.3) en niet ook equivalenten omvat. Het is volgens het onderdeel juist dat de vakman uit de gang van zaken (in beginsel) kan afleiden dat het de bedoeling was apparaten zonder kenmerk 1.2 (en 1.3) buiten de reikwijdte van conclusie 1 van EP 948 te brengen, maar de octrooihouder vraagt in dit geval helemaal geen bescherming voor een apparaat dat niet aan kenmerk 1.2 (en 1.3) voldoet.
in beginselbeperking van de beschermingsomvang tot apparaten met het kenmerk 1.2 dat de behuizing een meervoudig aantal gaten aan een tweede kant bevat. In dat oordeel ligt besloten dat equivalenten van genoemd kenmerk in beginsel níet onder de beschermingsomvang vallen – daartoe is hier in de ogen van het hof gelet op hetgeen [verweerster] terzake heeft aangevoerd onvoldoende toelichting gevolgd van de kant van de octrooihouder. In de rov. 6.9-6.15 is immers blijkens het kopje boven deze overwegingen de beschermingsomvang in het equivalentiebereik in beoordeling. Voor het geval de klacht zou hinten op de inmiddels niet meer aangehangen afstandsleer, is de klacht eveneens tevergeefs.
subonderdeel VIII.2met de klacht dat wanneer het hof in rov. 6.11 inderdaad wel heeft geoordeeld dat de vakman goede grond had om aan te nemen dat apparaten die op equivalente wijze aan kenmerk 1.2 voldoen niet onder de beschermingsomvang van het octrooi vallen, dat onjuist althans onvoldoende begrijpelijk is. Daartoe wordt in de klacht in wezen verwezen naar Onderdeel VII en dat kan niet tot cassatie leiden om de bij de bespreking daarvan aangegeven redenen.
Subonderdeel VIII.3vervolgt met de klacht dat zelfs niet begrijpelijk is waarom het opnemen van een beperking om aan een (echt materieel) nieuwheidsbezwaar tegemoet te komen, zou betekenen dat producten die een equivalente uitvoering van die beperking in beginsel buiten de beschermingsomvang vallen. Dat is namelijk geheel afhankelijk van de (omvang van de) beperking die moet worden opgenomen om nieuwheid te creëren. Als het opnemen van de beperking van kenmerk 1.2 in zo’n (hypothetisch) geval tot nieuwheid zou leiden, valt niet (zonder meer) in te zien waarom dat niet het geval zou zijn voor een equivalente uitvoering daarvan. Dit zou (alleen) het geval kunnen zijn indien de equivalente uitvoering van kenmerk 1.2 al bekend was, dan wel een niet-inventieve variant van de stand van de techniek was. Dat is hier niet het geval en dat staat in cassatie vast, aangezien aan het vierde vereiste van het
Pemetrexed-arrest is voldaan (onder verwijzing naar het sokkenvoorbeeld in BIE 30 november 2007, p. 632, 2e alinea).
equivalentenvan dat kenmerk er in beginsel buiten vallen. Dat is feitelijk en niet onbegrijpelijk en met ‘in beginsel’ heeft het hof aangegeven dat onder omstandigheden bepaalde equivalenten van kenmerk 1.2 desalniettemin onder de beschermingsomvang van het octrooi kunnen vallen. Alleen hebben Tinnus c.s. dat hier, gelet op het betoog van [verweerster] over wat de gemiddelde vakman uit de verleningsgeschiedenis zou destilleren, naar het feitelijke oordeel van het hof onvoldoende handen en voeten gegeven. De stelling dat aan het vierde
Pemetrexed-vereiste zou zijn voldaan, mist bovendien feitelijke grondslag, zoals hiervoor besproken in 3.85. De klacht is tevergeefs.
Subonderdeel VIII.4vervolgt dat uit prod. GP42 blijkt dat de Examiner heeft voorgesteld om kenmerk 1.2 (en 1.3) op te nemen om de prioriteitsaanspraak te herstellen. Deze kenmerken waren immers opgenomen in de prioriteitsdocumenten, waardoor het nieuwheidsbezwaar dat was gebaseerd op de tussentijdse stand van de techniek in het prioriteitsjaar, zou komen te vervallen bij het weer toevoegen van die kenmerken. Uit het bericht van de Examiner blijkt dat het hier in wezen om precies dezelfde formele beperking ging als in de
Pemetrexed-zaak [90] , waarin een toegevoegde materie kwestie (art. 123 lid 2 EOV Pro) gerepareerd moest worden, omdat de ruimere door de octrooihouder tijdens de verlening geformuleerde tekst niet (letterlijk) in de oorspronkelijke aanvrage voorkwam. Dat betekende echter in die zaak niet dat de gemiddelde vakman op grond daarvan goede grond had om aan te nemen dat de octrooihouder met die beperking ook equivalenten van die beperking (die in de oorspronkelijke aanvrage stonden) buiten de beschermingsomvang van het octrooi heeft willen brengen. Het onderdeel klaagt dat niet begrijpelijk is waarom in deze zaak waarin voor (in wezen) dezelfde formele redenen een beperking wordt aangebracht teneinde beroep op prioriteit te kunnen doen – waarvoor dezelfde ‘nieuwheidstest’ wordt gehanteerd als bij art. 123 lid 2 EOV Pro – de vakman goede grond zou hebben om aan te nemen dat de octrooihouder de equivalente uitvoeringen buiten de beschermingsomvang heeft willen laten.
Pemetrexed-zaak, maar dat lijkt mij het punt niet. De klacht stuit andermaal af op het feitelijke en niet onbegrijpelijke oordeel in rov. 6.11-6.12 dat Tinnus c.s. niet hebben toegelicht waarom de derde hetgeen deze ‘in beginsel’ hier uit het verleningsdossier zou afleiden, in dit geval in afwijking daarvan niet zou mogen doen voor equivalenten van kenmerk 1.2. De parallel met de toegevoegde materiekwestie uit
Permetrexedraakt niet aan dat oordeel en maakt dat zodoende niet anders. Bovendien hebben we bij de bespreking van Onderdeel VII gezien dat [verweerster] ook heeft aangevoerd dat sprake was van materieel nieuwheidsgebrek, omdat kenmerk 1.2 is ingegeven door een
technisch bewuste keuze(zie hiervoor in 3.98-3.99). Daar stuit de klacht op af.
subonderdeel VIII.5met motiveringsklachten tegen de passage in rov. 6.12 dat [verweerster] aan de hand van een beschrijving in de verleningsgeschiedenis heeft toegelicht dat kenmerk 1.2 is ingevoerd naar aanleiding van een nieuwheidsbezwaar. De klacht betoogt hetzelfde als in Onderdeel VII, dat dat dat niet zo ongeclausuleerd is gesteld door [verweerster] en dat als dat wel het geval is, dit duidelijk strijdig zijn met het bericht van de Examiner (prod. GP42), onder verwijzing naar CvA/CvE 60, 62 en MvA 5.38. In 3.98-3.99 is besproken dat [verweerster] (ook) heeft aangevoerd dat sprake was van een materieel nieuwheidsbezwaar, nu kenmerk 1.2 is ingegeven door een technische bewuste keuze, waartegen naar het feitelijke en niet onbegrijpelijke hofoordeel door Tinnus c.s. te weinig tegen is ingebracht. Daar loopt deze deelklacht op stuk.
subonderdeel VIII.6is in wezen een herhaling van zetten die niet tot cassatie kan leiden op grond van wat hiervoor al is besproken. Het klaagt over de passage in rov. 6.12 dat het op de weg van Tinnus c.s. had gelegen om toe te lichten waarom een derde er desondanks niet op zou mogen vertrouwen dat kenmerk 1.2 een essentieel element is van de uitvinding. Dat is volgens de klacht om de onder onder a) tot en met e) gegeven redenen onjuist althans onvoldoende begrijpelijk, maar mist opnieuw de kern van het hofoordeel in rov. 6.11 en 6.12 dat het hof op processuele gronden oordeelt dat [verweerster] heeft aangegeven wat uit de verleningsgeschiedenis te halen is – hiervoor al een aantal keer aangegeven, hetgeen het oordeel rechtvaardigt dat de beschermingsomvang hier ‘in beginsel’ is beperkt tot voortbrengsels voorzien van kenmerk 1.2, waartegenover Tinnus c.s. onvoldoende hebben toegelicht om te kunnen oordelen dat een derde dat anders zou moeten zien, terwijl dat bij die stand van zaken wel op hun weg had gelegen. Daar lopen de klachten op stuk.
Pemetrexed-arrest in MvG 166-167, is in MvG 179 aangevoerd dat er geen sprake is van strijd met de redelijke rechtszekerheid van derden omdat er ‘nergens enige grond, laat staan rechtvaardiging te vinden [valt] voor de gedachte dat Tinnus c.s. deze equivalent [het equivalent van kenmerk 1.2 in het product van [verweerster] ] niet onder de beschermingsomvang van haar Octrooi wenste te brengen’. Dat doet onvoldoende af aan de aangevallen hofbeslissing in rov. 6.11 en 6.12: MvG 179 bevat geen (specifieke) toelichting waarom de derde, ondanks dat hij in beginsel uit de verleningsprocedure kan afleiden dat equivalenten van kenmerk 1.2 niet onder de beschermingsomvang vallen, er niet op mocht vertrouwen dat kenmerk 1.2 een essentieel element is van de geclaimde uitvinding. De klacht voert aan dat dit een voldoende toelichting is gezien hetgeen over en weer in de procedure is gesteld over kenmerk 1.2, maar licht dat verder niet toe en dit maakt het hofoordeel ook in het licht van deze stellingen niet onbegrijpelijk.
Subonderdeel VIII.7richt een motiveringsklacht tegen het oordeel in rov. 6.12 dat Tinnus c.s. niet hebben toegelicht waarom een derde er desondanks niet op mochten vertrouwen dat kenmerk 1.2 een essentieel element van de uitvinding was als bedoeld in het laatste deel van rov. 6.12 [91] . Het subonderdeel doet dit aan de hand van het van het gevoerde partijdebat en dit bevat in de kern opnieuw grotendeels een herhaling van zetten.
technisch bewuste keuzevoor ‘a plurality of holes at a second end (B)’. Daar is in de in de klacht genoemde passes uit de gedingstukken van Tinnus c.s. niets voldoende kenbaars tegen ingebracht (de klacht verwijst naar CvA/CvE 67-69,148-158 (en adiëert dus niet CvA/CvE 162 en 168-169, vgl. nogmaals het hiervoor besprokene in 3.98-3.99), de partij-deskundigeverklaring van ir. Hart (prod. GP 11) en opnieuw de al eerder besproken plaatsen in het tweede partij-deskundigerapport van ir. Aalbers (prod. EP 28), nu met de losse opmerking dat hetgeen daarin over kenmerk 1.3 wordt gesteld ook opgaat voor kenmerk 1.2, plta EA [verweerster] 7.17, 7.18 en 7.20, plta EA Tinnus c.s. 29, MvG 170 en MvA 51 en 5.38). Het hof heeft in wezen heel basaal geoordeeld dat op grond van hetgeen [verweerster] had aangevoerd over het op grond van de verleningsgeschiedenis in beginsel duidelijk zijn voor een derde dat een voortbrengsel zonder kenmerk 1.2 niet onder de beschermingsomvang valt, het op de weg van Tinnus c.s. had gelegen om toe te lichten waarom de derde er desondanks niet op mocht vertrouwen dat kenmerk 1.2 een essentieel kenmerk was (waarmee bedoeld is, gelet op het kopje waaronder deze oordelen zijn gegeven, dat het hof een toelichting van Tinnus c.c. heeft gemist waarom hier desondanks wel ruimte zou zijn voor bescherming van equivalenten van kenmerk 1.2). Daar komt bij dat [verweerster] wél heeft betoogd dat zij erop mocht vertrouwen dat haar equivalente uitvoering geen inbreuk maakt, zo bijvoorbeeld in CvA/CvE 57 en het meest uitdrukkelijk in MvA 5.38 waarin [verweerster] heeft benadrukt dat Tinnus c.s. uitsluitend heeft gekozen voor bescherming van de uitvoeringsvormen waarin het tweede uiteinde van de behuizing is voorzien van een meervoudig aantal gaten (kenmerk 1.2) en dat er, kort gezegd, van inbreuk bij wege van equivalentie geen plaats is en het inbreukverbod moet worden afgewezen [92] . In zoverre mist het onderdeel ook feitelijke grondslag.
subonderdeel VIII.8dat voor zover het hof in rov. 6.13 heeft geoordeeld dat Tinnus c.s. niet hebben gesteld dat kenmerk 1.2 niet is toegevoegd op grond van een materieel nieuwheidsbezwaar en het hof er dus vanuit gaat gelet op de stellingen van [verweerster] dat er sprake is van een (materieel) nieuwheidsbezwaar, dit oordeel onjuist respectievelijk onbegrijpelijk is op grond van hetgeen in de Onderdelen I en IV-VII is aangevoerd.
Onderdeel IXklaagt dat rov. 6.14 onjuist en/of onvoldoende begrijpelijk is in het licht van wat in Onderdelen I en IV-VIII is aangevoerd – dat ketst al af op het niet slagen van die klachten – en vanwege de volgende redenen. In rov. 6.14 oordeelt het hof dat de overige argumenten van Tinnus c.s. pro equivalentie, met inbegrip van de stellingname dat sprake zou zijn van een pioniersuitvinding, niet tot een andere conclusie leiden, omdat die niet opwegen tegen het in rov. 6.9-6.13 geoordeelde gebrek aan rechtszekerheid voor derden. Ik citeer hier rov. 6.14:
Subonderdeel IX.1bevat andermaal een herhaling van zetten over de verleningsgeschiedenis met als kern dat het alleen maar om een reparatie van een formeel nieuwheidsgebrek zou gaan, hetgeen ‘volstrekt’ onbegrijpelijk zou maken dat de afweging van het hof in het nadeel van Tinnus moet uitvallen. Dat zou te meer gelden nu het hier om een pioniersuitvinding zou gaan met groot commercieel succes, waarbij het hof niet op kenbare wijze het aspect heeft betrokken van een billijke bescherming voor de octrooihouder volgens art. 69 lid 1 EOV Pro en het Protocol.
Subonderdeel IX.2klaagt dat het zogenoemde ‘secondary indicium’ van het commerciële succes van het product van de octrooihouder niet (op kenbare wijze) in de afweging is betrokken, onder verwijzing naar de plta EA 32. Zo’n succes kan een aanwijzing zijn voor inventiviteit ‘en derhalve (mogelijk) [voor] een ruimere beschermingsomvang’, aldus de klacht.
Onderdeel Xricht in drie subonderdelen klachten tegen rov. 6.15, de additionele ‘uitsmijter’ van het hof dat niet aan de voorwaarden is voldaan voor toekenning van een ruime beschermingsomvang aan ‘pioniersuitvindingen’, omdat Tinnus c.s. niet hebben aangevoerd dat apparaten zonder kenmerk 1.2 niet voorzienbaar waren. Zoals het hof ook in voetnoot 3 aangeeft, is dat het criterium uit rov. 4.2.6 uit het
AGA/Occlutech-arrest [95] :
subonderdeel X.1met het betoog dat nu door haar is gesteld dat sprake is van een pioniersuitvinding in EP 948, het betoog van ir. Aalbers (prod. EP28, 34-38), gericht op het verkrijgen van beschermingsomvang met betrekking tot [verweerster] equivalente uitvoering (impliciet) zou betekenen dat de octrooihouder als gevolg van het sterk vernieuwende karakter van de uitvinding bij het opstellen van het octrooischrift niet alle uitvoeringsmogelijkheden volledig heeft kunnen voorzien en daarom de uitvinding niet afdoende heeft kunnen beschrijven en claimen. Deze enigszins kunstmatig aandoende redenering heeft kennelijk (de klacht meldt dat verder niet) ook betrekking op kenmerk 1.2, nu het hof in rov. 6.15 heeft geoordeeld dat Tinnus c.s. niet hebben aangevoerd dat apparaten zonder kenmerk 1.2 niet voorzienbaar waren.
subonderdeel X.2dat die equivalente uitvoering voor de gemiddelde vakman niet voorzienbaar was, hetgeen het hof ten onrechte niet in zijn overwegingen heeft betrokken en dat betekent dat nu ten processe vaststond (als door [verweerster] gesteld en aangevoerd als argument voor niet-inbreuk, anders gezegd de niet voorzienbaarheid van het equivalent moest volgens [verweerster] tot een conclusie van niet-inbreuk leiden) dat van voorzienbaarheid van het equivalent geen sprake was, irrelevant is of Tinnus dit nu wel of niet heeft aangevoerd (onder verwijzing naar de verklaring van [verweerster] partij-deskuindige verklaring van ir. Hart, prod. GP11 onder 57).
subonderdeel X.3in te zien dat een pioniersuitvinding zoals het hof overweegt alleen maar tot een ruimere beschermingsomvang aanleiding kan geven wanneer (daardoor) sprake is van niet voorzienbare equivalente uitvoeringen, met name indien zoals in casu een pioniersuitvinding (dat er sprake is van zo’n uitvinding staat in cassatie vast) een lang bestaand probleem (het een voor een vullen én afsluiten van waterballonnen) oplost met een groot commercieel succes, als gevolg waarvan bij de afweging tussen de billijke bescherming van de octrooihouder en de redelijke rechtszekerheid van derden die billijke bescherming meer gewicht dient te krijgen dan onder normale omstandigheden.
AGA/Occlutechheeft toegepast in rov. 6.15.
zonder kenmerk 1.2 niet voorzienbaarwaren. Dat volgt ook niet impliciet uit zijn betoog. Daaruit volgt wel (nrs. 36 en 37) dat het vernieuwende, pionierende karakter in andere kenmerken van het octrooi zit volgens hem. Zodoende zouden mogelijk andere toepassingsmogelijkheden van díe kenmerken niet voorzienbaar kunnen zijn en daarom niet geclaimd, maar dat geldt niet (ook niet ‘impliciet’, zoals de klacht graag wil) dat andere toepassingsmogelijkheden van kenmerk 1.2 niet voorzienbaar waren. Sterker nog: dat de waterballonvuller van [verweerster] voorzienbaar was, stellen Tinnus c.s. nota bene zelf op p. 2 van de Akte overlegging nadere producties van 29 juli 2020, waar over de opinie van ir. Aalbers wordt gezegd dat daarin ‘(g)econcludeerd wordt dat (…) [verweerster] Waterballonvuller
een voorzienbare variantis, die niet “beter” is dan de waterballonvuller in EP948 (…)’ [onderstreping A-G]. Dat doet de motiveringsklachten ook de das om.
Onderdeel XIricht rechts- en motiveringsklachten tegen rov. 6.16-6.18, waarin het hof tot een non-inbreukoordeel op de werkwijzeconclusies komt langs inhoudelijk dezelfde lijnen als zijn non-inbreukoordeel op de voortbrengselconclusies (‘het beroep van Tinnus c.s. op de werkwijzeconclusies kan om vergelijkbare redenen niet slagen’, zo begint rov. 6.16): de werkwijzeconclusies vereisen gebruik van een behuizing met kort gezegd kenmerken 1.2 en 1.3 en die ontbreken bij de behuizing van [verweerster] ballonvuller (rov. 6.16), terwijl ook hier de rechtszekerheid bescherming in het equivalentiebereik verhindert (rov. 6.17). Deze oordelen bouwen zodoende in hoge mate voort op de non-inbreukoordelen op de voortbrengselconclusies. Daar komt volgens het hof in rov. 6.18 bij dat Tinnus c.s. niet hebben aangevoerd dat [verweerster] de werkwijze in of voor haar bedrijf toepast, maar alleen dat zij waterballonvullers verhandelt, zodat geen sprake kan zijn van directe inbreuk op de werkwijzeconclusies. Indirecte inbreuk heeft Tinnus c.s naar ’s hofs oordeel onvoldoende toegelicht. Ook de hiertegen gerichte klachten acht ik tevergeefs.
subonderdeel XI.1dat deze rechtsoverwegingen onjuist respectievelijk onvoldoende begrijpelijk zijn om de redenen uiteengezet in de voorgaande onderdelen, faalt om de redenen genoemd bij de bespreking van die klachten.
Subonderdeel XI.2acht onbegrijpelijk dat het hof onderscheid maakt tussen het opnemen van een kenmerk teneinde aan een (formeel) art. 123 lid 2 EOV Pro bezwaar tegemoet te komen en het opnemen van een kenmerk teneinde verlies van prioriteit te voorkomen waarvoor hetzelfde formele (‘nieuwheids’)criterium geldt. Het kenmerk dat elke holle buis is bevestigd aan een respectievelijk gat van het meervoudig aantal gaten werd blijkens de verleningsgeschiedenis niet toegevoegd vanwege de nieuwheid van de uitvinding als zodanig, maar alleen omdat het gebrek aan nieuwheid het gevolg was van het feit dat Tinnus zich niet meer op prioriteit kon beroepen en dat dit formele bezwaar werd opgelost door het in het prioriteitsdocument voorkomende kenmerk 1.3 (en 1.2) weer op te nemen in de aanvrage (het onderdeel verwijst naar prod. GP42).
Subonderdeel XI.3klaagt dat zelfs indien genoemd kenmerk werd opgenomen om aan een (materieel) nieuwheidsbezwaar tegemoet te komen, dit nog niet zonder meer begrijpelijk maakt waarom een derde dan goede reden heeft om aan te nemen dat de beschermingsomvang zich beperkt tot de letter van dat kenmerk, althans equivalenten van dat kenmerk niet omvat. Daar zou slechts aanleiding voor zijn indien die equivalenten dezelfde zijn als de prior art waarop het nieuwheidsbezwaar is gegrond, respectievelijk niet-inventieve varianten van die prior art zijn, waarover het hof niets heeft vastgesteld en er in cassatie vanuit kan worden gegaan dat daar geen sprake van is omdat door [verweerster] geen Gillette/Formstein-verdediging is gevoerd en eveneens in cassatie vaststaat dat aan voorwaarde 4 van het
Pemetrexed-arrest is voldaan (zie onderdeel 5).
om vergelijkbare redenen als bij de voortbrengselconclusiesniet opgaat en dat het hof vanwege de rechtszekerheid voor derden ook hier geen ruimte ziet voor bescherming in het equivalentiebereik, zoals het hof in rov. 6.17 overweegt.
Subonderdeel XI.4beklaagt het (zelfstandig dragende) rov. 6.18 als onvoldoende begrijpelijk in het licht van de stellingen van Tinnus c.s. in de inleidende dagvaarding onder 5.1, het bij CvE in het geding gebrachte deskundigenrapport van ir. Aalbers van 11 februari 2020 onder 16 en 17 en bij plta EA 37-39 en 42, 5e bullet point, omdat daaruit blijkt dat afnemers van de producten van [verweerster] de werkwijze realiseerden en [verweerster] zich daarvan bewust was en mitsdien ook (indirecte) inbreuk op de werkwijzeconclusies maakte.
Onderdeel XIIklaagt voortbouwend over de onrechtmatigheidsoordelen in rov. 6.58-6.82 en staat in de sleutel dat het niet-octrooi-inbreukoordeel van het hof in cassatie vernietigd behoort te worden. Nu geen van de klachten over dat oordeel in Onderdelen I-XI blijkens de voorgaande bespreking doel treffen in mijn ogen, kan deze klacht alleen al daarom niet tot cassatie leiden.
stakingvan de verhandeling van waterballonvullers van [verweerster] . Bovendien is in rov. 6.65 geoordeeld dat hier sprake was van sommeren tegen beter (behoren te) weten in, omdat Tinnus c.s. zich dienden te realiseren dat er een gerede kans was dat de suggestie dat de waterballonvuller van [verweerster] inbreuk maakte op de rechten van Tinnus c.s. ongegrond, want speculatief was; zij hadden die beweerdelijke inbreukmakende vullers nog helemaal niet gezien op dat moment. Deze oordelen worden niet geraakt door een eventuele vernietiging van het inbreukoordeel en lijken mij zelfstandig dragend voor het onrechtmatigheidsoordeel [99] .
(Gemeenschaps)model- en/of auteursrechtenvan Tinnus c.s. (rov. 6.69.1), terwijl de gewekte indruk van schending van model- en/of auteursrechten en daarmee ook die van oneerlijkheid, onjuist is (rov. 6.69.3). Het persberichtenoordeel houdt dus geen verband met octrooirechtinbreuk, zodat eventuele vernietiging van het octrooi-inbreukoordeel het persberichtenoordeel ongemoeid laat (rov. 6.66-6.69.4) [101] .
mutatis mutandisvoor het douanebeslag. Het hof heeft geoordeeld dat het douanebeslag dat Tinnus c.s. had gelegd op basis van een gestelde inbreuk door [verweerster]
op tien Gemeenschapsmodelrechten, onrechtmatig was (rov. 6.70-6.74). Ook voor dit oordeel geldt dat een eventuele vernietiging van het octrooi-inbreukoordeel daarop geen invloed heeft [102] .
4.Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
Onderdeel 1over prioriteit, omdat dat bij dupliek onder 2 is ingetrokken. Ik zie geen van de voorwaardelijke klachten van het resterende
Onderdeel 2over het inventiviteitsoordeel van het hof slagen.
problem solution approach(PSA) bij de beoordeling van de geldigheid van EP 948.
closest prior art’ (de meest nabije stand van de techniek) [105] . Er zijn gevallen in de praktijk waarin het problematisch kan zijn om één enkele openbaarmaking als de meest nabije stand van de techniek aan te wijzen. Het betreft hier geen exacte wetenschap; er bestaat geen zuiver in alle gevallen toepasbaar meetinstrument voor de meest nabije stand van de techniek binnen het hulpmiddel voor de inventiviteitsbeoordeling in de vorm van de PSA. Er is in sommige gevallen niet met één enkele toets te volstaan [106] . De Verdragsregel is dat het octrooi inventief moet zijn ten opzichte van de hele (oftewel alle
relevantedocumenten uit de) stand van de techniek. Er zijn ook gevallen van voor de handliggendheid vanuit welk startpunt dan ook. Deze trekken van het stelsel zijn onderkend in de rechtspraak van de Technische Kamers van Beroep (TBA’s) van het EOB [107] .
most promising springboards’ aandienen of volgens de partij die de inventiviteit bestrijdt beweerdelijk in aanmerking komen om de inventiviteit te beoordelen, is uitgangspunt dat dergelijke ‘springplanken’ wel
als zodanigals vertrekpunt in aanmerking moeten kunnen komen of geschikt moeten zijn. Een in aanmerking komende openbaarmaking moet betrekking hebben op
hetzelfde doelof
hetzelfde technische effecthebben als de geclaimde uitvinding, althans ten minste
op hetzelfde technische of daaraan gerelateerde terrein liggenals dat van het octrooi [108] . Het moet dus gaan om een reëel uitgangspunt [109] . Een vaste toets hiervoor is er denk ik niet, maar een document kan onder meer niet als reëel worden beschouwd als het speculatief [110] is of is gebaseerd op verouderde technologie [111] . Er moet enige kans bestaan dat de vakman vanuit het gekozen uitgangspunt komt tot de geclaimde uitvinding [112] . Als verschillende uitgangspunten in een bepaald geval als gelijkwaardig (‘
equally valid’ of ‘
equally suitable’) kunnen worden beschouwd als startpunt of ‘springplank’ in EOB-jargon, dan zullen deze in de PSA worden betrokken [113] . In zulke situaties zijn er dan verscheidene relevante documenten die ieder voor zich zouden kunnen worden aangemerkt als meest nabije stand van de techniek binnen de PSA [114] .
distinguishing feature’) en vervolgens wordt het technische effect van deze verschilmaatregel vastgesteld [117] . In de standaardformulering uit de rechtspraak van de Boards of Appeal klinkt dat zo: ‘the technical problem has to be determined on the basis of objectively established facts, since for the determination of the objective technical problem, only the effect actually achieved vis-a-vis the closest prior art should be taken into account’ [118] . Het in de octrooiaanvraag vermelde probleem wordt wel gebruikt als startpunt, maar kan zo nodig worden geherformuleerd [119] . De technische effecten van de verschilmaatregelen blijken uit de aanvrage of volgen uit algemene kennis of aangedragen bewijsmateriaal [120] . Elk effect dat voortvloeit uit de uitvinding en is af te leiden uit de aanvrage kan als basis dienen voor de herformulering van het objectieve technische probleem, op voorwaarde dat alle informatie die noodzakelijk is om het effect te bereiken beschikbaar is voor de gemiddelde vakman [121] .
could) maar of hij volgens het in de aanvrage geopenbaarde inzicht zou hebben gehandeld (
would). Hierbij wordt gelet op aanwijzingen in de stand van de techniek (
pointers), die de vakman op een voor de hand liggende wijze richting de geoctrooieerde oplossing van het objectieve technische probleem sturen (positieve
pointers) of daar juist van weg voeren (
pointers-awaygenoemd in Engels vakjargon). Een beoordeling met kennis achteraf (
hindsight bias) moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Het kan voorkomen dat diverse stappen nodig zijn om tot de uitvinding te komen. Dan is de uitvinding niet inventief als de vakman stap voor stap tot deze oplossing zou komen en iedere stap voor de hand ligt (
step-by-stepbenadering).
Lundbeck/Tiefenbacher [123] en
Leo Pharma/Sandoz [124] echter niet gehouden. Voor het oordeel dat een uitvinding inventiviteit ontbeert, is in beginsel voldoende dat de oplossing op een voor de hand liggende wijze voortvloeit uit de stand van de techniek, zo blijkt uit
Leo Pharma/Sandoz, rov. 3.5.
soft lawaan te merken [126] . Dit is relevant omdat rechtsklachten alleen in zoverre door Uw Raad (kunnen) worden getoetst. Om het scherper te formuleren:
rechtsklachten tegen de toepassing van de PSA door het hof lijken mij niet te kunnen slagen. Ook Uw Raad benadrukt dat de inventiviteit niet met kennis achteraf (“hindsight”) mag worden beoordeeld [127] .
subonderdeel 2.I [129] klaagt [verweerster] dat het hof in rov. 6.37 buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden omdat [verweerster] niet heeft gesteld dat figuur 12 van US 309 de meest nabije stand van de techniek is, maar alleen US 309
als geheel [130] . Door ten onrechte van figuur 12 als meest nabije stand van de techniek uit te gaan heeft het hof een te eng kader heeft toegepast bij de beoordeling van inventiviteit in het licht van US 309, aldus het subonderdeel.
niet alleengaat om figuur 12 van US 309 (zie plta HB 3.10), maar heeft zij zich dus opnieuw
ookberoepen op figuur 12.
subonderdeel 2.IIgeeft rov. 6.38 blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is hier sprake van ontoereikende motivering. Ten onrechte is daarin het effect meegewogen dat de ballonnen stevig om de buizen blijven zitten tijdens het vullen, omdat conclusie 1 geen concreet hierop gericht kenmerk omvat en conclusie 1 dus niet hiertoe is beperkt. Daarmee is miskend dat het inventiviteitsoordeel alleen betrekking kan hebben op hetgeen is geclaimd. Effecten die weliswaar bereikt zouden kunnen worden, maar waartoe een conclusie niet beperkt is, mogen bij het inventiviteitsoordeel geen rol spelen. Het hof heeft ten onrechte niet (voldoende kenbaar) getoetst of conclusie 1 claimt dat de ballonnen stevig om de buizen blijven zitten tijdens het vullen, althans of conclusie 1 hiertoe beperkt is. Het motiveringsgebrek klemt te meer in het licht van het andersluidende oordeel van de rechtbank. Het hof is tevens voorbijgegaan aan essentiële stellingen van [verweerster] , die kort gezegd inhouden dat conclusie 1 niet beperkt is tot dit door het hof in aanmerking genomen effect [133] .
mogelijk kan wordenbereikt [136] . Het oordeel van het hof houdt echter in dat het effect wel degelijk wordt bereikt en niet ‘mogelijk kan worden bereikt’ (met andere woorden: het effect doet zich voor bij het octrooi, het is niet zo dat het slechts een mogelijkheid is). Het mist zo bezien al feitelijke grondslag. Het subonderdeel voert verder ook geen argumenten en/of bronnen aan voor dit standpunt, behalve mijn hiervoor al aangehaalde conclusie in
Sandoz/AstraZenecaonder 2.4 in voetnoot 5, maar daar valt een dergelijk standpunt niet in te lezen [137] .
subonderdeel 2.IIIklaagt [verweerster] dat het hof in ieder geval in rov. 6.38 buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden dan wel de devolutieve werking van het appel heeft miskend. Tinnus c.s. hebben niet (voldoende kenbaar) gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank dat conclusie 1 het tweede door het hof in aanmerking genomen effect niet claimt. Deze vaststelling van de rechtbank viel daarmee buiten de rechtsstrijd in appel.
technisch effectvan het verschilkenmerk van de elastische ringen zoals gedefinieerd in kenmerken 1.5 en 1.7 van EP 948. Het hof heeft in rov. 6.38 namelijk geoordeeld dat het effect van genoemd verschilkenmerk is ‘dat één gebruiker gemakkelijk en snel in één keer een meervoud aan opblaasbare containers kan vullen’. Het hof heeft in rov. 6.39 dus geen ander verschilkenmerk geformuleerd, maar heeft juist een (technisch) effect uit het eerder in rov. 6.37 vastgestelde verschilkenmerk van de elastische ringen van kenmerken 1.5 en 1.7 afgeleid. Van tegenstrijdigheid tussen rov. 6.37 en 6.39 is dan ook geen sprake; die oordelen liggen juist in elkaars verlengde.