Conclusie
DRSPund
5-ß-OH DRSPoxidiert. Die 5-ß-OH-Funktion im Oxidationsprodukt ist labil gegenüber Säuren, Lewissäuren und basischen Bedingungen bei erhöhten Temperaturen, da in allen Fällen mit der Ausbildung des Δ-4,5-ungesättigten Ketons im Drospirenon ein thermodynamisch stabileres Produkt erhalten wird. Die Eliminierung der ß-OH-Funktion im
5-ß-OH-DRSPverläuft zum thermodynamisch stabileren Drospirenon und konnte nicht unterdruckt werden konnte.
5-ß-OHDRSPim allgemeinen als Hauptkomponente im Verhältnis von 2-3:1 vorliegt.(…)’.
ZK 92836zum
5-ß-OH-DRSP ZK 90965und die anschließende Wassereliminierung zum Drospirenon
ZK 30595in einem zweistufigen Verfahren. (...).
ZK34506in Tetrahydrofuran mit Wasserstoff an Palladium-Kohle hydriert. Die Hydrierlösung wird anschließend einem Lösungsmittelwechsel von Tetrahydrofuran auf Acetonitril unterworfen. Die Acetonitril-Lösung wird mit einer katalytischen Menge Rutheniumtrichlorid (1 mol%) und 3 Equivalenten natriumbromat bei 40°-60° C gezielt zum
5-ß-OH-DRSPoxidiert. Trotz der großen Labilität des
5-ß-OH-DRSPgegenüber Säuren, Lewissäuren wie beispielsweise der Chromverbindungen im alten Betriebsverfahren, starken Basen oder hohen Temperaturen, die in allen Fällen auf die hohe Triebkraft zur Bildung des thermodynamisch stabileren Δ-4,5-ungesättigten Ketons zurückzuführen ist, gelingt unter den gewählten Reaktionsbedingungen die selektive Synthese de
5-(3-OH-DRSP, ohne das eine Drospiroenonbildung zu beobachten ist. Das
5-ß-OH-DRSPkann durch eine (betrieblich) einfach durchzuführende Wasserfällung aus der Reaktionslösung isoliert werden.
ZK 35096überführt.
ZK 95673führt.
ßsie nur noch in einer Größenordnung von <0,2% zu beobachten sind.
ßauch keine Gefahr fuhr die Umwelt zu erwarten ist.
Werkwijze voor de bereiding van drospirenon (6β, 7β, 15β, 16β-dimethyleen-3-oxo-17α-pregn-4-een-21 ,17-carbolacton, DRSP) door afsplitsing van water uit 6β, 7β, 15β, 16β-dimethyleen-5β-hydroxy-3-oxo-17α-androstaan-21, 17-carbolacton(= 5β-OH-DRSP, A-G)
door toevoeging van p-tolueensulfonzuur (kortweg pTSA, A-G) aan 6β, 7β, 15β, 16β-dimethyleen-5β-hydroxy-3-oxo-17α-androstaan-21,17-carbolacton’(=5 β-OH-DRSP, A-G).
ßend das Propanol bei 40° C mit einem Überschuß von 3,7 Equivalenten Pyridiniumdichromat (PDC) zu einem Gemisch von DRSP und 5-ß- OH-DRSP oxidiert. Die 5-ß-OH-Funktion im Oxidationsprodukt ist labil gegenüber Säuren, Lewissäuren und basischen Bedingungen bei erhöhten Temperaturen, da in allen Fällen mit der Ausbildung des Δ-4.5-ungesättigten Ketons im Drospirenon ein thermodynamisch stabileres Produkt erhalten wird. Die Eliminierung der B-OHFunction im 5-ß-0H-DRSP verläuft zum thermodynamisch stabileren Drospirenon und konnte nicht unterdrückt werden konnte.
ßen Labilität des 5-ß-OH-DRSP gegenüber Säuren, Lewissäuren wie beispeilsweise der Chromverbindungen im alten Betriebsverfahren, starken Basen oder hohen Temperaturen, die in allen Fällen auf die hohe Triebkraft zur Bildung des thermodynamisch stabileren Δ-4,5-ungesättigten Ketons zurückzuführen ist, gelingt unter den in der Stammanmeldung gewählten Reaktionsbedingungen die selektive Synthese des 5-ß-OH-DRSP, ohne das eine Drospirenonbildung zu beobachten ist. Das 5-ß-OHDRSP kann durch eine (betrieblich) einfach durchzuführende Wasserfällung aus der Reaktionslösung isoliert werden.’
Inbreuk op EP 791?
zweistufigen Verfahren’. In de
Urteilevan het Zwitserse Bundespatentgericht van 21 maart 2013 en van het Duitse Oberlandesgericht Düsseldorf van 13 september 2013 (1-2 U-26/13) is - in het kader van EP 791 - als kern van de uitvinding juist aangemerkt de toepassing van een rutheniumzout als katalysator (zie punt 17.7, 2e alinea, van het Zwitserse
Urteil, en blz. 10, middenin, van het Duitse
Urteil).
Oxidationen unter Beteiligung von Rutheniumverbindungen (...) nicht offenbart (werden)’;
Solche Oxidationen werden beispielsweise innerhalb der WO-A-90/14344 an aliphatischen gesätitgten a-Ѡ-Diolen zu der entsprechenden Lactonen beschrieben.’;
selektiver und einfacher in der Durchführung ist’ en (b) ‘
ökologischer’ is (§ 0009 van de beschrijving).
mit einer katalytischen Menge Rutheniumtrichlorid’ (in plaats van PDC) - een ‘
selektive’ synthese van 5ß-OH-DRSP wordt verkregen, zonder dat daarbij vorming van DRSP waarneembaar is, en dat 5ß-OH-DRSP door een ‘
einfach durchzuführende’ ‘Wasserfällung’ geïsoleerd kan worden. Dit betekent dat het nadeel van de stand van de techniek, dat bij stap (ii) een mengsel van 5ß-OH-DRSP en DRSP (in de verhouding 2-3:1), en niet alleen 5ß- OH-DRSP, ontstaat is opgeheven. Hiermee is doel (a) bereikt. Dat, zoals Bayer opmerkt in onder meer punt 101 AD, het hierbij zou gaan om het voorkomen van ‘premature DRSP-vorming’ is overigens in zoverre niet juist dat blijkens § 0009 van de beschrijving, in samenhang gelezen met de zojuist weergegeven passages van § 0013 daarvan, doel (a) inhoudt dat bij stap (ii) alleen 5ß-OH-DRSP wordt verkregen, en niet een mengsel van deze stof en DRSP. Die opmerking van Bayer is in zoverre wel juist dat bij stap (ii) nog geen DRSP ontstaat; dat gebeurt pas bij stap (iii).
katalytische Mengen eines Metalls’ (waarmee wordt bedoeld: het metaal ruthenium).
Reaktionsbedingungen des neuen Verfahrens’ twee bijproducten (het epimere isolacton ZK 35096 en het ringopenings-produkt ZK 95673) nauwelijks meer worden gevormd.
die Katalyse mit Ruthenium als auch die Oxidation mit Hilfe von TEMPO im Fachgebiet bekannt (waren)’, dat ‘
am Prioritätszeitpunkt’ vele methoden ter beschikking stonden om alcoholgroepen te oxideren, en dat tot de 14 ‘
gängige Verfahren’ daarvoor onder meer behoorden:
discarded’).
gängige Verfahren’ nog verscheidene andere oxidatiewerkwijzen bekend waren waarbij geen metaal werd toegepast.
Stammanmelding’ (dat is W0738/EP 791) gekozen reactieomstandigheden - dat wil zeggen: zonder PDC en bij de in rov. 4.1 genoemde stap (ii) - niet wordt omgezet in het thermodynamisch meer stabiele DRSP.
disclosed but not claimed is disclaimed’, vgl. ook BGH 10 mei 2012, X ZR 16/09 ‘
Okklusionsvorrichtung’, §§ 35-36, en HR 25 mei 2012, LJN3680 ‘
AGA/Occlutech’, rov. 4.4.2). Nu in de beschrijving van EP 840 zuren (waaronder Lewiszuren) in het algemeen zijn geopenbaard als middelen waarmee genoemd uiteenvallen kan worden bewerkstelligd, zal de gemiddelde vakman de vermelding van één specifiek zuur (pTSA) in de octrooiconclusie zelfs zo verstaan dat de aanvrager van het octrooi zijn claim bewust heeft willen beperken tot het gebruik van uitsluitend dit ene zuur, en dat bijgevolg alle andere zuren en alle andere stoffen/methoden (waaronder basen) waarmee dat doel kan worden bereikt, buiten de bescherming van EP 840 zijn gehouden (vergelijk rov. 4.5).
Verfahren zur Herstellung von (DRSP) durch Wasserabspaltung aus (5ß-OH-DRSP) durch Zugabe einer Säure oder Lewisäure’ (de oorspronkelijke conclusie 1 ), maar dit octrooi bij beroep in oppositie door de Technische Kamer van Beroep - om reden dat er geen ‘
ursprüngliche Offenbarung’ van zuren en Lewiszuren was, zodat aan artikel 123 lid 2 EOV Pro niet was voldaan - is teruggebracht tot de in rov. 1 .c weergegeven enige, en op uitsluitend pTSA betrekking hebbende conclusie (de oorspronkelijke conclusie 2). Derden konden, naar Sandoz heeft aangevoerd onder 45-46 PA, hieraan de gevolgtrekking verbinden dat afstand was gedaan van, althans geen bescherming was verleend voor alle andere middelen/methoden voor het doen uiteenvallen van 5ß- OH-DRSP, behoudens het gebruik van pTSA. Niet is in te zien waarom, zoals Bayer heeft betoogd in punt 66 AD en punt 4.18 PA, dit niet tegen haar zou kunnen werken.
Verfahren zur Herstellung von (DRSP) durch Wasserabspaltung aus (5ß-OH-DRSP) durch Zugabe einer Base oder bei hohen Tempetaturen. Hieruit blijkt immers dat Bayer zelf toevoeging van een base niet begrepen achtte onder EP 840 (de eerdere afsplitsing van EP 791), zodat de aan haar als houder van EP 840 toekomende billijke bescherming zich niet uitstrekt tot toevoeging van een base.
zweistufigen Verfahren’.
Urteilvan 13 September 2013 (1-2 U24/13) eveneens heeft geoordeeld, op vergelijkbare gronden, dat toepassing van de aangepaste IC-methode geen inbreuk op EP 840 oplevert.”
strict, literal meaning of the wording used in the claims, the description and drawings being employed only for the purpose of resolving an ambiguity found in the claims. Nor should it be taken to mean that the claims serve
only as a guidelineand that the
actual protection conferred may extend to what, from a consideration of the description and drawings by a person skilled in the art, the patent proprietor has contemplated. On the contrary, it is to be interpreted as defining a position between these extremes which combines a fair protection for the patent proprietor with a reasonable degree of legal certainty for third parties.” [7] (onderstreping A-G)
gelezen door de gemiddelde vakman (de octrooirechtelijke maatman), dus – en dit is belangijk – met medebrenging van zijn algemene vakkennis, in het licht van de beschrijving en de tekeningen, wat in jargon van lagere Nederlandse (en niet te vergeten vooral ook: hogere Engelse) rechtspraak is gaan heten: de context-gebonden uitleg van octrooien volgens art. 69 EOV Pro [9] . Daarbij moet verder zowel sprake zijn van een redelijke (“fair”, “équitable”) of passende (“angemessene”) bescherming van de octrooihouder, als een redelijke (“reasonable”, “raisonable”) of toereikende (“ausreichende”) rechtszekerheid voor derden [10] . Hoewel uitleg van Europese octrooien om tot vaststelling van de beschermingsomvang ervan te komen (nog [11] ) een aangelegenheid voor verschillende nationale rechters is, die hebben te oordelen over Europese octrooigeschillen aangekaart in hun jurisdictie, is art. 69 EOV Pro en het bijbehorende uitlegprotocol evident bedoeld om die beschermingsomvang in de verdragslanden zo veel mogelijk te harmoniseren. Het lijkt mij dat daarmee voor de Nederlandse octrooirechter (met inbegrip van de Hoge Raad [12] ) van belang is hoe zijn “peers” in andere Verdragslanden aan de hand van art. 69 EOV Pro en het uitlegprotocol komen tot vaststelling van de beschermingsomvang van Europese octrooien. Het is natuurlijk gewenst dat de rechtspraak in de verdragslanden niet te zeer uit elkaars pas lopen. In de rechtspraak van het Bundesgerichtshof [13] en van Engelse rechters op Court of Appeal-niveau [14] is de plicht aangenomen van rechters in zaken over Europese octrooien om bij afwijking van buitenlandse uitspraken in parallelle zaken te motiveren waarom dat geschiedt. Dat bevordert kenbaar gewenste harmonisatie. Een zodanige regel zou in Nederland als invloedrijk Europees octrooirechtland niet misstaan; de gespecialiseerde Haagse (feitelijke) octrooirechters passen deze al steeds meer toe.
due account shall be taken of any element which is equivalent to an element specified in the claims.” [16] (onderstreping A-G)
prosecution history estoppelgerefereerd, waarover straks meer. Tijdens de herzieningsconferentie in München hebben deze bepalingen bij gebrek aan consensus de eindstreep niet gehaald [17] . Dat geldt ook voor een voorstel om de peildatum voor inbreuk in het equivalentiebereik te harmoniseren [18] . Dit bekent dat het EOV weliswaar voorschrijft dát men zich “terdege rekenschap” moet geven van equivalenten (“due account”, “gebührend Rechnung tragen”, “il est dûment tenu compte”) bij de bepaling van de beschermingsomvang van een Europees octrooi, maar geen aanknopingspunten biedt om equivalenten te definiëren en evenmin duidelijk maakt hoé zij in aanmerking moeten worden genomen (bijvoorbeeld door een specifieke toets – bijvoorbeeld de in Nederland veel gehanteerde uit Amerika overgewaaide
function-way-resulttoets of die van de
insubstantial differences– of anderszins, zoals het meteen bij de initiële uitleg van de beschermingsomvang al in ogenschouw nemen van equivalenten, vgl. de
purposive constructionin Engeland & Wales na de
Kirin-Amgenuitspraak van de House of Lords, waarover allemaal hierna meer).
core bussinessvoor elke jurist. A-G Huydecoper heeft daar behartenswaardige woorden over geschreven in zijn conclusie voor
AGA/Occlutech [21] .Dat geldt ook voor Lord Hoffman’s
leading speechin de hierna te bespreken
Kirin-Amgenuitspraak (vgl. 2.28 hierna). Huydecoper geeft in 22 en 23 van genoemde conclusie een aantal voorbeelden van situaties waarin aanleiding kan zijn tot meer of minder ruime of strikte uitleg en concludeert dat er “geen eenvormige weg voor de uitleg van octrooien bestaat. Elk octrooi moet worden uitgelegd in het kader van de aan dat octrooi eigen omstandigheden (...)”. Volgens hem (in 24 van zijn conclusie) is de op grond van art. 69 EOV Pro tot ontwikkeling komende rechtsleer op deze gevarieerde werkelijkheid georiënteerd. Ik stem graag in met deze genuanceerde benadering.
doctrine of equivalentsis de oudste in de bekende octrooirechtlanden (eind achttiende eeuw) en is gebaseerd op het common law-rechtelijke
equity. De moderne
function-way-resultequivalentiebenadering begint bij de standaarduitspraak
Graver Tank IIuit 1950 [22] . De Supreme Court gaf aan dat de beoordeling van octrooiinbreuk tweeledig is. Eerst dient te worden vastgesteld of sprake is van
literal infringementaan de hand van de letterlijke betekenis van de tekst van de conclusie in vergelijking met de kenmerken van de variant. Pas als er geen
literal infringementis, komt men toe aan de
doctrine of equivalents. De essentie daarvan is volgens de Supreme Court:
one may not practice a fraud on a patent. De aan te leggen maatstaf is een driefactortoets waarbij beoordeeld wordt of een uitvoeringsvorm
performs substantially the same function in substantially the same way to obtain the same result. De toetsing gebeurt niet in het luchtledige, maar in de context van het octrooi, de stand van de techniek en de bijzondere omstandigheden van het geval.
Warner-Jenkinson Co. v. Hilton Davis Chemical Co. [23] werd aan de CAFC de vraag voorgelegd of er naast
function-way-resultook ruimte was voor een andere toets, die van de
insubstantial differences.De eerste test gaf met name in de (organische en bio-)chemie soms geen goede resultaten. In de
dissentingvan Judge Lourie in de CAFC uitspraak staat als voorbeeld aspirine en ibuprofen. Beide analgetica hebben dezelfde functie (pijnbestrijding), doen dat op dezelfde wijze (remming van prostaglandinesynthese) en bereiken hetzelfde resultaat (pijnstilling), maar hebben een specifieke structuur die hen van elkaar onderscheidt, waardoor zij niet elkaars equivalent zijn. Er is sprake van
substantial differences.
Warner-Jenkinson v. Hilton Daviszaak aan om de equivalentieleer op diverse punten te verhelderen; dat is nog steeds geldend recht in de VS [24] . Volgens deze uitspraak mocht de equivalentieleer niet tot een te ruime uitleg van de conclusies leiden. Daartoe moest de equivalentieleer
op elk geclaimd element afzonderlijkworden toegepast, en niet op de uitvinding als geheel. In dat laatste geval konden individuele kenmerken “weggeïnterpreteerd” worden en dat is niet de bedoeling. Ten aanzien van de aan te leggen toets oordeelde de Supreme Court dat het vaststellen van equivalentie op objectieve wijze moet gebeuren. De intentie van de vermeende inbreukmaker is daarbij irrelevant. De inhoud en grens van equivalentie worden bepaald door de vraag of de gemiddelde vakman
would have known of the interchangeability of an ingredient not contained in the patent with one that was. De peildatum is het tijdstip van de vermeende inbreuk. Hoewel de Supreme Court toegaf dat de
function-way-resulttest wellicht minder geschikt is voor niet-mechanische uitvindingen, wees hij erop dat de
insubstantial differencestest op zijn beurt ook weinig richtinggevend kan zijn. Wanneer is een verschil substantieel? Het hangt volgens de Supreme Court van de omstandigheden van het geval af welke test moet worden toegepast,
function-way-resultof
insubstantial differences.
does the accused product or process contain elements identical or equivalent to each claimed element of the patented invention?
prosecution history estoppelof
file wrapper estoppelwas aanvankelijk volgens de
Warner Jenkinsonzaak nog beperkt, maar door de uitwerking van deze uitzondering in de
Festozaak is de ruimte voor equivalentie in Amerika sterk teruggedrongen [26] . De CAFC had daarin aanvankelijk een volledige blokkade opgeworpen voor equivalentie bij wijzigingen
presumed to be related to patentability. De Supreme Court oordeelde vervolgens dat aangebrachte wijzigingen in de verleningsfase een door de octrooihouder weerlegbaar vermoeden van complete blokkering van het equivalentiebereik oplevert. Deze presumptie is weerlegbaar voor de octrooihouder in drie gevallen:
tangential) verband met de variant, of
Festode toepassing van equivalente bescherming aanzienlijk heeft teruggedrongen in Amerika.
prosecution history estoppelis er een tweede belangrijke beperking op de Amerikaanse equivalentieleer: de
public dedication ruleof
disclosure-dedication rule. Deze regel is door de Supreme Court al in 1880 geïntroduceerd in de zaak
Edward Miller & Co. v. Bridgeport Brass Co. [28] en houdt in dat indien een octrooihouder in de beschrijving een bepaald kenmerk openbaart (
disclosed) maar niet in de conclusies opneemt (
but not claimed) dit kenmerk tot het publieke domein behoort, in de zin dat dit aldus in de beschrijving geopenbaarde, maar in de conclusies niet geclaimde kenmerk niet met succes via de equivalentieleer weer binnen de beschermingsomvang kan worden gebracht (
is disclaimed). In de woorden van Justice Bradley:
dedication ruleis vereist dat de verwijzing in de beschrijving voldoende specifiek is om de gemiddelde vakman in staat te stellen het geopenbaarde maar niet geclaimde element te identificeren en te begrijpen. Dit betekent niet dat een willekeurige generieke verwijzing alle elementen die daar onder kunnen vallen aan die vakman openbaart, het moet voldoende specifiek zijn voor de vakman om dat te verstaan in vorenbedoelde zin [29] . De intentie van de octrooihouder is bij de toepassing van de
dedication ruleniet relevant [30] .
function-way-resultof
insubstantial differencesmet als correcties
prosecution history estoppelen de
disclosure-dedication rule. In recentere rechtspraak van de CAFC lijkt zich een conservatievere toepassing van de equivalentieleer af te tekenen, waarbij (nadrukkelijker) een evenwicht wordt gezocht tussen het belang van de octrooihouder en de rechtszekerheid voor derden [31] . Zo beschouwd is naar modern Amerikaans octrooirecht minder ruimte voor equivalentie dan we voorheen wel hebben gezien. Dat past in een trend die ook in Europa is waar te nemen, waar we nu aan toekomen.
glatte Äquivalente) onder de
Gegenstand der Erfindung, terwijl onder de
allgemeine Erfindungsgedanken nicht-glatte Äquivalentevielen die voor de deskundige toch zonder inventieve denkarbeid uit het octrooischrift kenbaar waren [32] . Onder invloed van het Europees Octrooiverdrag verruilde het Bundesgerichtshof deze systematiek voor een uitleg waarbij beoordeeld wordt of het voor de gemiddelde vakman ten tijde van de prioriteitsdatum mogelijk was om een variant op basis van de octrooiconclusies en de stand van de techniek onder de beschermingsomvang te brengen, danwel of naar objectieve uitleg van de conclusies daarvan bewust is afgezien [33] . De overwegingen van het BGH in zijn standaardarrest
Formstein [34] uit 1986 luiden als volgt:
Kunststoffrohrteil, Schneidmesser I, Schneidmesser II, Custodiol Ien
Custodiol II [35] . Ik citeer uit
Kunststoffrohrteil:
objektiv gleichwirkenden Mittelnlöst und (2.) seine Fachkenntnisse den Fachmann befähigen, die abgewandelten Mittel als
gleichwirkend aufzufinden. Ebenso wie die Gleichwirkung nicht ohne Orientierung am Patentanspruch festgestellt werden kann (Einzelheiten hierzu Sen.Urt. v. 28.6.2000 - X ZR 128/98, GRUR 2000, 1005, 1006 - Bratgeschirr), müssen (3.) darüber hinaus die Überlegungen, die der Fachmann anstellen muß, derart am Sinngehalt der im Patentanspruch unter Schutz gestellten technischen Lehre orientiert sein, daß der Fachmann die abweichende Ausführung mit ihren abgewandelten Mitteln als der gegenständlichen
gleichwertige Lösungin Betracht zieht.” (Onderstreping A-G)
Gleichwirkung,
Auffindbarkeit(ook wel
Naheliegengenoemd [36] ) en
Gleichwertigkeit.Bij mijn weten vindt dit in de Nederlandse praktijk nooit met open vizier toepassing (dat geldt ook voor de Engelse Protocol-vragen, die hierna aan bod komen). Ik probeer niettemin te doorgronden wat dit inhoudt.
objektive Gleichwirkung [37] ) houdt in dat de variant het probleem dat aan de geoctrooieerde uitvinding ten grondslag ligt met een aangepaste maar objectief gezien technisch gelijkwerkende toepassing oplost. Het behelst een vergelijking van individuele kenmerken, maar wordt ook bezien in de context van de gehele uitvinding (een afwijking van de Amerikaanse
function-way-resultleer lijkt dat op dit punt) [38] . Misschien is dit eerste vereiste te begrijpen als de vraag of de variant in essentie hetzelfde technische effect bereikt met betrekking tot het probleem dat aan de uitvinding ten grondslag ligt.
Auffindbarkeit, Naheliegen [39] ) betekent dat de variant op de prioriteitsdatum op grond van zijn vakkennis voor de hand liggend moet zijn voor de vakman. Had de gemiddelde vakman op de prioriteitsdatum op basis van zijn vakkennis zonder inventiviteit de variant kunnen vinden, die inwisselbaar is met de geoctrooieerde maatregel, is eigenlijk de vraag hier. De variant hoeft niet op de prioriteitsdatum ook daadwerkelijk beschikbaar te zijn geweest. Het gaat erom of de variant als die toen bekend zou zijn geweest, voor de vakman voor de hand zou hebben gelegen.
Gleichwertigkeit [40] , is de vraag of de gemiddelde vakman ondanks de
Gleichwirkungen het
Naheliegenvan de variant er toch van zou hebben afgezien de variant als gelijkwaardig te beschouwen op basis van de
Sinngehalt des Patentanspruchs [41] . Het abstractieniveau gaat hier in een nog hogere versnelling. Ik begrijp dat in essentie dit derde vereiste ertoe dient om zeker te stellen dat de beoordeling van de
Gleichwirkungen
Auffindbarkeitvan een variant geschieden op basis van wat de gemiddelde vakman uit het octrooi kan leren [42] . Zo zal een maatregel die aan de eerste twee vereisten voldoet op
Gleichwertigkeitstranden, wanneer de variant het voordeel van de uitvinding ten opzichte van de stand van de techniek teniet doet, het oogmerk van de uitvinding op zijn kop zet, of wanneer naar het oordeel van de gemiddelde vakman uit het octrooi blijkt dat het bewust niet is beschermd, zo begrijp ik [43] . Dat zal anders zijn indien de maatregel kan worden beschouwd als de belichaming van het in het octrooi gevonden technische oplossing. In wezen gaat het er bij de derde
Schneidmesser-vraag om of de variant een oplossing biedt van gelijke kwaliteit als geclaimd in het octrooi.
Schneidmesser-vragen niet (kenbaar) toepassen in Nederland. Ik zou dat ook bepaald niet willen bepleiten.
Formstein-regel. Daarmee wordt beoogd te voorkomen dat de octrooihouder via equivalentie wordt beloond voor niet-inventieve varianten op de stand der techniek. Hiertoe wordt getoetst of de equivalente maatregel tegen de achtergrond van de stand van de techniek octrooieerbaar was [44] .
Dijkstra/Saier [45] , ik kom daar nog op) bij dit alles niet worden gebruikt, tenzij de relevante beperking uit het octrooischrift zelf blijkt (er zijn uitzonderingen op deze regel, maar deze zijn voor de onderhavige zaak niet van belang [46] ). In de
Kunststoffrohrteil-zaak [47] heeft het BGH dit als volgt uiteengezet:
immaterial variationswerd in eerste instantie opgelost door een onderscheid te maken tussen
textual infringementvan het octrooi en de zogenoemde
pith and marrowvan de uitvinding. Van inbreuk was sprake wanneer de inbreukmakende werkwijze alle
materialof
essentialelementen van de geoctrooieerde werkwijze bevatte [49] .
Catnic v. Hill and Smith [50] . Daar ging het om uitleg van het conclusiekenmerk “vertical” van een ondersteuningselement voor een latei (
lintel); moest dat 90º zijn of viel 84º daar ook onder (dat laatste; “vertical” uitgelegd met het oog op de reden van dit kenmerk die duidelijk was voor de vakman: de draagcapaciteit optimaliseren, maakt dat “vertical” hier niet “precisely vertical” hoeft te zijn; de 6º verschil resulteerde in van 0,6% minder draagkracht van de latei in kwestie). Lord Diplock gaf de
leading speech:
Improver Corporation v. Remington Consumer Products Ltdals volgt samen:
material effectupon the way the invention works? If yes, the variant is outside the claim. If no?
obviousat the date of publication [52] of the patent to a reader skilled in the art? If no, the variant is outside the claim. If yes?
understood from the language of the claimthat the patentee intended that strict compliance with the primary meaning
was an essential requirementof the invention? If yes, the variant is outside the claim.
Schneidmesser [55] , maar er zijn verschillen. Zo wordt bij de beoordeling van de derde vraag in het Engelse recht de octrooiconclusie tot uitgangspunt genomen, terwijl in Duitsland de
Fachmanndaar niet aan gebonden is. In Engeland zijn de Protocol-vragen hulpmiddelen om technische equivalentie te achterhalen, niet de eigenlijke test, zoals de
Schneidmesser-leer in Duitsland, want de rechtsonwikkeling in Engeland & Wales is verder gegaan.
Kirin-Amgen [56] van de House of Lords heeft (inmiddels) Lord Hoffmann uitgelegd dat de Protocol-vragen slechts hulpmiddelen zijn (die in het ene geval geschikter zijn dan in het andere [57] ), omdat het bij het bepalen van beschermingsomvang draait om
purposive construction:het gaat daarbij om het perspectief van de gemiddelde vakman, ten tijde van de publicatie [58] , in het licht van het doel of de functie van de uitvinding en geplaatst in de context van beschrijving en figuren uit het octrooischrift. In de mooie formulering van Lord Hoffmann in [34] klinkt dat zo:
The question is always what the person skilled in the art would have understood the patentee to be using the language of the claim to mean. And for this purpose, the language he has chosen is usual of critical importance. The conventions of word meaning and syntax enable us to express our meanings with great accuracy and subtlety and the skilled man will ordinarily assume that the patentee has chosen his language accordingly. As a number of judges have pointed out, the specification is a unilateral document in words of the patentee’s own choosing. Furthermore, the words will usually have been chosen upon skilled advice. The specification is not a document
inter rusticosfor which broad allowances must be made. On the other hand, it must be recognised that the patentee is trying to describe something which, at any rate in his opinion, is new; which has not existed before and of which there may be no generally accepted definition. There will be occasions upon which it will be obvious tot he skilled man that the patentee must in some respect have departed from conventional use of language or included in his description of the invention some element which he did not mean to be essential. But one would not expect that to happen very often.” [59] (onderstreping A-G)
purposive contstruction [60] , op grond waarvan
a technically trivial or minor difference between an element of a claim and the corresponding element of the alleged infringement nonetheless falls within the meaning of the element when read purposively [61] . Er wordt geleerd dat hiervoor in Engeland (anders dan in de VS) bij voorkeur geen acht wordt geslagen op het verleningsdossier [62] , maar Bently en Sherman wijzen op tegenvoorbeelden uit de rechtspraak, “despite such authority” [63] doelend op Lord Hoffmann. Die dateren weliswaar van vóór
Kirin-Amgen, maar dat is niet het geval met zaak
Actavis v. Lillyuit mei 2014 van de High Court (Arnold J) [64] , waarin raadplegen van het verleningsdossier als hulpmiddel voor uitleg wordt gebruikt, met name om Angorakat-praktijken [65] tegen te gaan. Praktisch gesproken zit er met Engelse
purposive constructionmet ruimte voor file-raadpleging om misbruik tegen te gaan niet veel licht tussen een equivalentieleer met
prosecution history estoppelals je deze duidelijke passage uit
Actavis v. Lillytot je neemt:
Virgin v Premium. I accept that, for the reasons explained by Jacob J in
Brystol-Myers Squibband Lord Hoffmann in
Kirin-Amgen, courts should be cautious before relying upon prosecution history as an aid to construction. In the real world, however, anyone who is interested in ascertaining the scope of a patent and who is professionally advised will obtain a copy of the prosecution file (most, if not all, of which is generally open to public inspection) and will consider it to see if it sheds light on the matter. In some cases, perhaps not very many, the prosecution history is short, simple and shows clearly why the claims are expressed in the manner in which they are to be found in the granted patent and not in some broader manner. In such a situation, there is no good reason why the court should shut its eyes to the story told by the prosecution file. On the contrary, considering the prosecution file may assist in ensuring that patentees do not abuse the system by accepting narrow claims during prosecution and then arguing for a broad construction of those claims fort he purpose of infringement. For the reasons discussed below, I consider the present case provides a good illustration of this.”
neededto accept the restriction notwithstanding that he did so. In those circumstances, the light which the prosecution history sheds on the ultimate question of construction is likely to be extremely limited.
American Home Products v Novartis[2001] RPC 8 at [31]. What purpose does it serve to illustrate this point by showing that the patentee was faced with an official objection to that effect and amended his claims in the light of it? It is still open to the patentee to say that he need not have done so, and the apparent concession he made in prosecution was wrongly made. If it is not open to the patentee so to contend, then the prosecution history is indeed creating a form of estoppel.
Kirin-Amgen, zo lijkt het. Of de discussie hierover in deze Engelse zaak nog verder gaat, is nog niet zeker. Navraag bij de betrokken Engelse rechters leert dat hen op dit moment niet bekend is dat toestemming is verleend voor een gang naar de Supreme Court.
function-way-resulttoets, waarbij het middelste element niet systematisch even veel aandacht lijkt te krijgen als de elementen
fonctionen
résultat [66] . Anders dan in de VS, Duitsland en Engeland, is in Frankrijk niet relevant of de aangevallen variant voor de gemiddelde vakman voor de hand lag. De Franse equivalentietheorie is voor het eerst erkend door de
Cour de Cassationin de zaak
Duthoit v Riffié [67] . In navolging van de door Mathély gegeven definitie [68] , luidt de equivalentiemaatstaf naar vaste rechtspraak als volgt:
l’effet technique premier produit par la mise en oeuvre de ce moyen. Deze moet gedekt zijn door een geldige conclusie en niet duidelijk en expliciet van bescherming zijn uitgezonderd. Daarnaast moet de functie een essentieel element van het octrooi vormen [70] . Het industriële resultaat van een functie wordt verstaan als
l’avantage pratique engendre par l’invention,waarbij als peildatum geldt
la date de la contrefaçon alléguée [71] . Behoorde de functie op de prioriteitsdatum tot de stand van de techniek, dan wordt de equivalentieleer niet toegepast.
moyen général. Die houdt in dat indien een functie niet in de octrooiconclusies wordt genoemd, maar op de prioriteitsdatum nieuw was, alle uitvoeringsvarianten die dezelfde functie vervullen binnen het equivalentiebereik vallen, ook al beperken de conclusies zich tot een
moyen particulier [72] . Dit gaat ver, maar niet zo ver dat daaronder ook expliciet uitgesloten varianten vallen.
Philips/Tasseronuit 1930 werd het concept van “het wezen van de uitvinding” geïntroduceerd als maatstaf voor de vaststelling van de beschermingsomvang van een octrooi [75] : het komt niet aan op de letterlijke tekst van het octrooischrift, maar op datgene, waarin naar het wezen der zaak de geoctrooieerde uitvinding bestaat [76] . Deze wezensleer, verwant met, maar niet gelijk aan de ruimere oudtijdse Duitse opvatting, die uitging van de
Allgemeine Erfindungsgedanke [77] , kent een ruime beschermingsomvang. Toen art. 69 EOV Pro in werking trad, kwam dit onder druk te staan. De feitenrechtspraak ging zich oriënteren op benaderingen in de ons omringende rechtsstelsels die de octrooiconclusies tot uitgangspunt namen. In
Ciba Geigy/Oté Optics [78] is hier een eerste weerslag van te zien op Hoge Raad-niveau met een ten opzichte van de wezensleer minder ruime benadering, waarin aandacht wordt gevraagd voor het aspect van rechtszekerheid voor derden, maar wel met de achter de bewoordingen van de conclusies liggende uitvindingsgedachte
als gezichtspunt. Deze lijn is nadien voortgezet. De voorlopige uitkomst van deze ontwikkeling voor wat betreft de vaststelling van de beschermingsomvang is in het recente arrest
Medinol/Abbott [79] uiteengezet:
AGA/Occlutech [83] . Zelf zie ik het gezichtspunt van de achter de bewoordingen van de conclusie liggende uitvindingsgedachte – of: de essentie van de uitvinding – niet als één van de te vermijden uitersten die het Protocol aangeeft (zoals het arrestcitaat volgens mij leert), naast de van de context (in de vorm van beschrijving en tekeningen van het octrooischrift en met gebruikmaking van de algemene vakkennis van de gemiddelde vakman) losgezongen puur tekstuele uitleg van alleen de conclusie zelf (het andere verboden uiterste). Volgens mij is dat eerste uiterste de veel ruimere
Allgemeine Erfindungsgedankeuit het vroegere Duitse octrooirecht (en het tweede de verlaten Engelse letterlijke uitleg (die overigens gegeven de
pith and marrowleer nooit zo letterlijk is geweest, als wel wordt geleerd, zo hebben we gezien)). Dan is het helemaal zuiver, want het is
common grounddat aan die twee uitersten wordt gerefereerd in het Uitlegprotocol. Maar goed, een pure wezensleer bedoeld in
Philips/Tasseron(ook al waren daar
AGA/Occlutech-achtige beperkingen (
disclosed but not claimed is disclaimed) op mogelijk onder oud recht [84] ) is evenmin in overeenstemming met art. 69 EOV Pro en het Protocol, omdat dat onvoldoende centraal stelt dat uitgangspunt voor de beschermingsomvang de conclusies zijn, juridische tekst die op een bepaalde wijze dienen te worden uitgelegd. Als eerder aangegeven meen ik dat een context-gebonden uitleg in evenbedoelde (eigenlijk omgekeerde) zin in wezen niet goed denkbaar is zonder dat men zich afvraagt waar de uitvinding in de kern om draait en blijkt uit de
Schneidmesser-en
Protocol-vragen evenzeer dat men voor de bepaling van equivalente bescherming op zoek gaat naar die kern om te bepalen wat nog equivalent is of naar
purposive interpretationonder de beschermingsomvang van de claims valt. In twaalf jaar feitelijk-rechterlijke octrooipraktijk in Den Haag is dat voor mij dagelijkse kost geweest en in vele discussies op internationale fora over beschermingsomvang en equivalentie is de zo begrepen en door mij uitgelegde Nederlandse tussenpositie (met als gezichtspunt een zoektocht naar de achter de bewoordingen gelegen kern (als die al verschilt van de tekst) om te bezien wat de conclusietekst betekent begrepen in de context van beschrijving, tekeningen en algemene vakkennis, met stevig in de peiling of dat recht doet aan een billijke bescherming voor de octrooihouder en voldoende rechtsbescherming voor derden) ook in kritisch-deskundige Engelse en Duitse ogen eigenlijk nooit van de hand gewezen (met uitzondering van onze praktijk van raadpleging van het verleningsdossier, maar zoals we in de
Actavis v Lillyzaak eerste aanleg hebben gezien, begint de banvloek daarover inmiddels ook barsten te vertonen aan de overzijde van het Kanaal). Zoals de
Occlutechzaken in verschillende jurisdicties hebben laten zien, komen de verschillende benaderingen in Europa nogal eens op eenzelfde uitspraak uit (maar er zijn natuurlijk gruwelijke tegenvoorbeelden, zoals de Epilady-zaken onder vele meer).
Dreizler/Remeha [85] is de door het hof toegepaste
function-way-resulttest in stand gelaten. In
Van Bentum/Kool [86] benadrukte Uw Raad vervolgens dat een equivalentieoordeel aan de feitenrechter is voorbehouden. Reprises van deze taakverdeling zijn terug te vinden in
Impro/Liko [87] waarin een reeks motiveringsklachten tegen de door het hof toegepaste
function-way-resulttoets werd afgewezen, en
Schneider/Cordis [88] waarin een op de
function-way-resulttoets gegrond oordeel in stand werd gelaten met de afzegening dat dit geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting (zie rov. 4.2.4).
function-way-resulttest en/of de
insubstantial differencestoets. Een enkele keer wordt zonder specifiek benoemde toets equivalentie afgewezen [89] .
gezichtspuntenwat nou de kern van de uitvinding uitmaakt (de achter de bewoordingen van de conclusie liggende uitvindingsgedachte), lijkt in wezen zeer op de Engelse “purposive construction”. Ook daar wordt gekeken wat het doel (
purpose) van de uitvinding is. Ik zie dat als gezegd op een lijn met het achterhalen van de uitvindingsgedachte als gezichtspunt bij het aldus in het juiste (midden)perspectief plaatsen van de bewoordingen van de conclusies. Misschien dat daardoor in de praktijk niet vaak expliciet tot inbreuk in het equivalentiebereik wordt gekomen in Den Haag. Je komt daar (net als in Engeland) dan nauwelijks meer aan toe. A-G Huydecoper wees hier al op in zijn conclusie voor
AGA/Occlutech [90] :
technischeequivalentie. Zelf ben ik meer geporteerd van de andere benadering, waarbij meteen niet letterlijk wordt uitgelegd en met als gezichtpunt de kern van de uitvinding wordt bepaald wat de beschermingsomvang van de uit te leggen conclusietekst is. Dat is er eigenlijk alleen maar in uitzonderlijke gevallen nog plaats voor equivalentenbescherming.
Schneidmesser-criteria. Zo bezien zouden dan de Engelse, Duitse en Nederlandse benaderingen enigszins naar elkaar toegroeien en dat valt alleen maar toe te juichen.
Medinol/Abbott [92] uitgemaakt. Voor het bepalen van de beschermingsomvang van een octrooi is de visie van de gemiddelde vakman en zijn algemene vakkennis op de prioriteits- (of aanvraag-)datum bepalend:
mede(dus niet uitsluitend)
vakmankennis ten tijde van de gestelde inbreukworden meegenomen. Maar als voorzienbare equivalenten al bij de vaststelling van de beschermingsomvang zijn meegnomen, is er voor additionele equivalentiebescherming maar weinig ruimte.
Medinol/Abbottis op deze wijze inmiddels ook toegepast door de Haagse rechtbank in Rb. Den Haag 18 juni 2014, BIE 2014/41, p. 173 (
MBI/Shimano) en in de bodemzaak die is gevolgd op de onderhavige kwestie, Rb. Den Haag 23 juli 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:9417, BIE 2014/42 (
Bayer/Sandoz)
.
function-way-resulten
insubstantial differences, die zijn komen overwaaien uit de Amerikaanse equivalentieleer, volgens mij vereisen dat je je afvraagt bij de bepaling van de beschermingsomvang (als gezichtspunt) wat nu de kern of het wezen van de uitvinding is, waarvoor octrooi is verleend neergelegd in de conclusies, maar ingebed in de beschrijving en de figuren en begrepen door de gemiddelde vakman met medebrenging van zijn algemene vakkennis [93] . Daarzonder zie ik niet in, hoe je zou kunnen bepalen of een variant
in wezendezelfde functie heeft langs
in wezendezelfde weg/op
in wezendezelfde manier en leidend tot
in wezenhetzelfde resultaat. De andere grote Europese octrooilanden Duitsland en Engeland hanteren Protocol-hulpvragen daarvoor, die net zo goed aanknopen bij wat nou de kern van de uitvinding is en dat geldt ook voor de (op het eerste gezicht wat mij betreft te ruimhartige) hulptest
fonction-résultatuit Frankrijk. Het zijn allemaal uitleghulpmiddelen. Dat in onze zaak de
function-way-resulttest wordt toegepast, is als zodanig in cassatie niet bestreden, als ik het goed zie.
estoppelals het helderst aangegeven door Uw Raad in
Dijkstra/Saier [94] . Kern daarvan is dat het een derde zonder beperkingen is toegestaan met een beroep op de openbare gegevens uit het verleningsdossier een bepaalde uitleg van het octrooi te bepleiten. Vaste rechtspraak, vgl.
AGA/Occlutech [95] .Dat komt neer op een anti-misbruik maatregel. Het principaal cassatieberoep wil dit stelsel openbreken, zoals we hierna zullen zien.
3.Bespreking van het principaal cassatieberoep
disclosed but not claimed is disclaimed, 2) het belang van art. 123 lid 2 EOV Pro bij bepaling van de beschermingsomvang en 3) de kwestie van de afgesplitste aanvrage bij die bepaling.
subonderdeel 1.1.1had het hof niet moeten onderzoeken of er sprake is van een bewuste keuze voor een kenmerk (rov. 4.5), maar veeleer of er goede grond bestaat om aan te nemen dat de octrooihouder afstand van de bescherming van een variant heeft gedaan.
subonderdeel 1.1.2geen sprake zijn enkel op grond van de door het hof genoemde omstandigheid dat de beschrijving van het octrooi geheel op het door conclusie 1 genoemde gebruik van rutheniumzout is toegespitst (rov. 4.7) en anders zou ’s hofs oordeel niet toereikend zijn gemotiveerd nu voor equivalenten juist kenmerkend is dat ze niet als uitvoeringsvorm in aanmerking zijn genomen.
subonderdeel 1.1.3voor de door het hof in rov. 4.20 genoemde omstandigheid dat de vakman er niet van uitging dat een andere uitvoering dezelfde of vergelijkbare voordelen kon behalen. Een “bewuste keuze” althans “afstand” zou hier niet uit mogen worden afgeleid; anders zou het oordeel onvoldoende zijn gemotiveerd, omdat juist als de vakman de voordelen van TEMPO (nog) niet doorhad, niet valt in te zien hoe de vakman een bewuste keuze voor rutheniumzout bóven of tegen TEMPO zou hebben gemaakt.
function-way-resulttoets (als hulpmiddel) niet verboden, maar daarmee nog geen principiële keuze gemaakt voor een bepaalde equivalentiebenadering. In dat stelsel is een benadering toegestaan, die de feitenrechter in staat stelt om van geval tot geval te bezien welke toets gelet op het relevante kenmerk het meest geëigend is. Waar het uiteindelijk om gaat, is dat de rechter op begrijpelijke en toereikend gemotiveerde wijze equivalentie beoordeelt, daarbij recht doend aan de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de maatregelen en van de betrokken stoffen.
Formsteinen de
Catnic/Improver-test, in het bijzonder de derde
Protocol-vraag
.De aandacht voor het beoogde resultaat (oxidatie met selectiviteit en terugdringing van bepaalde bijproducten), de door de stoffen vervulde functie en de wijze waarop zij dat doen, doen denken aan de
function-way-resulttest. In de overwegingen met betrekking tot de uiteenlopende moleculaire structuur van de stoffen, de verschillend verlopende oxidatiereacties en de mate waarin zij bijdragen aan het door het octrooi beoogde doel, weerklinkt de
insubstantial differencestoets. Je kunt het ook heel goed opvatten als een zoektocht naar de achter de bewoordingen van de conclusietekst liggende kern van de uitvinding, waarbij het Protocolaire midden wordt gepoogd te vinden om te bereiken dat sprake is van een redelijke bescherming voor Bayer, maar ook voldoende rechtszekerheid voor derden als Sandoz. Dit is allemaal het domein van de feitenrechter. Deze oordeelsvorming getuigt naar ik meen niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Het hof heeft volgens mij op een begrijpelijke en toereikend gemotiveerde wijze met equivalenten rekening gehouden binnen de hiervoor aangegeven kaders. Alle klachten van subonderdeel 1.1 stuiten hierop af. Globaler beschouwd lijken de klachten er materieel op neer te komen dat Bayer een zodanig ruime bescherming voorstaat, dat die aansluit bij de verlaten wezensleer. Dat verdient niet langer honorering in het stelsel van Protocolaire uitleg als aangegeven.
Meyn/Stork [98] en mogelijk nog in
Van Bentum/Kool [99] ; bescherming naar het wezen kon alleen worden beperkt als daar afstand van was gedaan, maar dat is niet langer geldend recht.
function-way-resultbenadering is bij TEMPO sprake van een wezenlijk andere wijze (vgl. rov. 4.13, 4.17 en 4.21). Bayer heeft dus geen belang bij deze klacht.
Medinol/Abbottover de beschermingsomvangbepaling is op juiste manier gevolgd. Daarmee komen we bij de volgende aangekaarte kwestie uit onderdeel 1.
Abbott/Medinol,hiervoor weergegeven in 2.38. Peildatum voor de beschermingsomvang is de prioriteitsdatum, omdat het daarbij gaat om wat het octrooi toevoegt aan de stand van de techniek. In het kader van de daarop volgende inbreukvraag
kan medebetekenis toekomen aan kennis op de peildatum inbreuk, in het bijzonder bij equivalentietoetsing (maar als die al is “meegenomen” bij de vaststelling van de beschermingsomvang door Protocolaire uitleg van de conclusies, natuurlijk niet, want daarvoor is de peildatum de prioriteits- of aanvraagdatum). De Haagse rechtbank heeft dit zo opgevat in de bodemzaak
Bayer/Sandozen ook in
MBI/Shimano, zo zagen we in 2.38. Ook annotatoren De Lange (overigens als advocaat betrokken in de onderhavige zaak zijdens Sandoz) en Iserief/Verschuur zien dat zo [100] . De veronderstelling van het subonderdeel dat de prioriteitsdatum volgens Uw Raad alleen “richtinggevend” en dus níet “doorslaggevend” is, vindt volgens mij geen steun in
Medinol/Abbott. Uit de gekozen bewoordingen (“kan” en “mede”) wil mij voorkomen dat de feitenrechter hier discretionaire bevoegdheid heeft om ook naar de inbreukdatum te kijken bij de inbreuktoets en na vaststelling van de beschermingsomvang met als peildatum de kennis op de prioriteits- of aanvraagdatum. Van de mogelijkheid om ook de inbreukdatum te hanteren bij de inbreukvraag heeft het hof kennelijk geen gebruik gemaakt. Daarover kan gelet op dit discretionaire stelsel uit
Abbott/Medinolen de uitvoerige motivering van het oordeel van het hof volgens mij in cassatie in dit kort geding niet met succes worden geklaagd. In wezen komt dit doordat in de Protocolaire uitleg van het hof niet veel ruimte meer bestaat voor equivalentie. Subonderdeel 1.2 moet dan ook falen.
disclosed but not claimed is disclaimed.Dan brengt volgens het hof de rechtszekerheid een restrictieve uitleg mee: daar valt alleen pTSA onder en
in elk geval niethet gebruik van een base als pyridine (rov. 5.6). Voor deze uitleg zag het hof (verdere) steun in het feit dat de conclusies volgens het verleningsdossier in oppositie zijn teruggebracht tot één overgebleven claim met alleen pTSA (rov. 5.7, waaruit derden konden afleiden dat afstand was gedaan/geen bescherming was verleend voor andere waterafsplitsingsmethoden) en het gegeven dat Bayer in een afgesplitste aanvrage het gebruik van een base claimt voor waterafsplitsing (rov. 5.8). In rov. 5.9 overweegt het hof dat het oordeel van de examiner dat EP 840/WO 738 geen basis biedt voor een conclusie met een basische waterafsplitsing in het kader van een art. 123(2) EOV kwestie (een door Bayer opgeworpen argument) er niet aan af doet dat gebruik van basen in het algemeen zodanig duidelijk is geopenbaard in de beschrijving van EP 940, dat de hier in het kader van art. 69 EOV Pro te maken afweging in het nadeel van Bayer uitvalt. Dus ook de aangepaste werkwijze van Sandoz’ toeleverancier maakt geen inbreuk op dit punt (rov. 5.10) en het Oberlandesgericht Düsseldorf zag dat ook zo, memoreert het hof in rov. 5.11. Dit lijkt mij een keurige redenering, die overigens vanwege de hoge mate van feitelijkheid hoofdzakelijk aan het hof is voorbehouden.
disclosed but not claimed is disclaimedonjuist heeft toegepast. Van “openbaring” (
disclosure) kan alleen sprake zijn als die basis kan zijn voor een conclusie (in dit geval dus: van een basische waterafsplitsing).
subonderdeel 2.1.2, is sprake van onbegrijpelijkheid van het impliciete oordeel dat gebruik van basen als beschreven in EP 840 wel basis kan zijn voor een conclusie voor basische waterafsplitsing.
subonderdeel 2.1.3geldt wat in onderdelen 2.1.1 en 2.1.2 is betoogd
mutatis mutandisook voor rov. 5.5 (slot) dat nu in de beschrijving in het algemeen zure waterafsplitsing wordt geopenbaard, maar alleen een specifiek zuur wordt geclaimd, de gemiddelde vakman het octrooi zo zal verstaan dat de aanvrager zich bewust tot dat specifieke zuur heeft willen beperken.
subonderdeel 2.1.4het hof over het hoofd te hebben gezien dat “de kern van de uitvinding van EP 840” watereliminatie als zelfstandige stap is met 5β-OH-DRSP als uitgangsstof, zonder dat technische betekenis toekomt aan de specifieke stof waarmee die watereliminatie plaatsvindt en de aard van het octrooi met een “centraal geformuleerde conclusie” (die makkelijker te omzeilen zou zijn) en had het hof op deze gezichtspunten moeten reflecteren. Althans is volgens de klacht onbegrijpelijk dat de gemiddelde vakman zal aannemen dat alleen bescherming voor pTSA is gezocht, omdat basen en/of zuren in de beschrijving, maar niet in de conclusie voorkomen.
disclosure-leerstuk (over de toepassing als zodanig van dit leerstuk klaagt het middel niet). Daarvoor is niet vereist een basis in de zin van art. 123(2) EOV, zoals het subonderdeel aandraagt. Ook uit
AGA/Occlutechen haar Duitse evenknie [102] , waar het subonderdeel naar verwijst, volgt dit niet [103] . Wat volstaat is, dat de vakman voldoende concreet geleerd wordt dat er andere waterafsplitsingsmethoden zijn, die vervolgens niet worden geclaimd. Dat het hof dit voldoende concreet vindt en de gemiddelde vakman het octrooi zo zal begrijpen, dat Bayer haar claim bewust heeft willen beperken tot pTSA, is feitelijk en op zich niet onbegrijpelijk, want volgens mij deugdelijk gemotiveerd (daarop stranden subonderdelen 2.1.2 (dat overigens voortbouwt op de onjuiste, want te beperkte visie op het
disclosure-leerstuk dat zoëven werd verworpen) en het voortbouwende 2.1.3; deze klachten verliezen uit het oog dat Bayer zelf een afgesplitste aanvrage heeft of had lopen voor basische waterafsplitsing, wat het hof in rov. 5.8 fijntjes memoreert ter nadere bevestiging van zijn gegeven uitleg). Waar de kernklachten uit 2.1.1 en 2.1.4 eigenlijk op neerkomen, is dat het kenmerk pTSA wordt weggeïnterpreteerd, althans tot een verruiming leidt van “elk middel geschikt voor waterafsplitsing in een tweestapsproces”. Dat lijkt mij niet kunnen, dat is te ruim en levert geen redelijke (want te ruime) bescherming op van de octrooihouder en schendt aan de andere kant de rechtszekerheid van derden, die niet bedacht hoefden te zijn bij deze conclusie op een beschermingsomvang van om het even welke waterafsplitsingswijze binnen dat tweestapsproces. Het lijkt een beetje op een toevlucht van Bayer tot de oude leer van het wezen uit
Philips/Tasseronen we hebben gezien dat dat op deze manier niet meer thuishoort in het moderne Europese octrooirecht [104] . Het hof maakt in deze kwestie een volgens mij een passabele Protocolaire afweging ten detrimente van Bayer. De zaak hangt wat dit betreft op het feitelijke oordeel van het hof dat “op niet mis te verstane wijze wordt geopenbaard”.
zweistufiges Verfahrendan ook en dat gaat als gezegd niet.
subonderdeel 2.2.1heeft het hof miskend dat uit een beperking wegens art. 123 lid 2 EOV Pro niet kan worden afgeleid dat de aanvrager afstand doet of althans geen bescherming wenst te verkrijgen voor (alle) andere middelen/methoden dan die genoemd in het beperkte octrooi. Althans dat het oordeel onvoldoende is gemotiveerd, nu anders niet valt in te zien hoe derden kunnen menen dat afstand is gedaan althans geen bescherming is gezocht voor een base als pyridine.
estoppel-leerterug te komen.
Festo-achtige weerlegbare presumptie kunnen opleveren die wel eens zou kunnen slagen in een andere zaak. Ik laat dit verder rusten, omdat in dit geval de klacht toch niet tot cassatie kan leiden vanwege de voorafgaande tevergeefs bestreden rov. 5.1-5.6, die zelfstandig dragen.
Ciba Geigy [106] en
Dijkstra/Saier [107] is de Nederlandse variant van
prosecution history estoppelneergelegd. Voor ons is belangrijk rov. 3.5.3 uit het laatste arrest:
estoppel-regel (vaste rechtspraak, vgl. nadien nog
AGA/Occlutechen
Abbot/Medinol) komt erop neer dat een derde (zoals Sandoz) die wegens octrooi-inbreuk wordt aangesproken zich voor een bepaalde uitleg van het octrooi altijd op het openbare deel van het verleningsdossier mag beroepen. Het voorkomt dat men alsnog via equivalentie kan claimen wat in de verleningsfase op geldigheidsbezwaren is afgeketst; anti-angorakat. Duitsland wil er niet aan, zo hebben we gezien en Engeland eigenlijk ook niet, maar daar begint het beeld te wankelen sinds
Actavis v Lilly, ook al lijkt dat voorlopig in hoger beroep weer te zijn teruggedraaid.
estoppelterugkomt. Ik zie geen goede redenen om deze anti-misbruik bepaling weg te nemen. Het voornaamste argument van de tegenstanders is dat de
fileniet genoemd wordt in art. 69 EOV Pro of het Protocol en dat het marktpartijen zou dwingen in elke octrooizaak de verleningsgeschiedenis te raadplegen. Dat overtuigt absoluut niet [108] . Dat het niet in art. 69 EOV Pro of het Protocol staat, betekent niet
a contrariodat het verleningsdossier geen rol mag spelen bij de vaststelling van de beschermingsomvang, net zo min als het ontbreken van een verwijzing naar een specifieke equivalentiemaatstaf in art. 69 en Pro het Protocol betekent dat het hanteren van zo’n maatstaf onjuist zou zijn [109] . Om dezelfde reden zie ik, anders dan het BGH in de aangehaalde beslissing
Kunststoffrohrteil, het sneuvelen van het ontwerp voor art. 3 Protocol Pro in 2000 niet als een overtuigend argument tegen het gebruik van het verleningsdossier. Het argument van het moeten raadplegen van het dossier in elke zaak en de daarmee gemoeide kosten, komt niet oprecht voor, omdat dat in de
real worldal lang standaard praktijk is. Waarom zou je dat ook niet doen, het is met een paar muisklikken vrij toegankelijk. Dat is dus ook geen steekhoudend argument. Het vormt een eenvoudige stok achter de deur tegen angorakat-praktijken en kan kostbare getuigensessies of andere bewijsgaring voorkomen. Uw Raad zou hier beslist niet van af moeten. Bovendien is deze rechtspraak met instemming aangehaald door verschillende (hoogste) rechters in het buitenland [110] .
subonderdeel 2.3.1).
subonderdeel 2.2.2), althans die afgesplitste aanvrage niet tot het verleningsdossier van het uit te leggen octrooi hoort (althans niet tot het deel van het verleningsdossier van het uit te leggen octrooi dat kan worden betrokken het bepalen van de beschermingsomvang van het octrooi).
divisional, die namelijk kan wijzigen, zoals ook is gebeurd.
subonderdeel 2.3.4, is het oordeel onvoldoende gemotiveerd, omdat het enkele feit dat voor de base een afgesplitste aanvrage is ingediend nog niet betekent dat Bayer geen base begrepen achtte onder EP 840; het is immers volgens Bayer gebruikelijk meerdere aan elkaar gerelateerde octrooien aan te vragen, zodat het claimen van een equivalente werkwijze in een
divisionalnog niet wil zeggen dat men die werkwijze niet onder de beschermingsomvang van het eerdere octrooi begrepen acht.
divisionalsvan dezelfde moederaanvrage, zodat sprake is van een gedeelde verleningsgeschiedenis (zoals al eens uitgemaakt door de Haagse voorzieningenrechter in
Mundipharma/Mylan [111] ). Daarop lopen subonderdelen 2.3.1 en 2.3.2 op stuk. De rechtsklacht van subonderdeel 2.3.3 dat derden geen zekerheid aan een aanhangige aanvrage kunnen ontlenen, zie ik ook niet opgaan; het gaat hier niet om zekerheid, maar dat betekent volgens mij niet dat daarmee dat gegeven betekenisloos wordt, met name niet voor de kwestie waar het hier om gaat. Gegeven het
obiterkarakter van rov. 5.8, is in dit kort geding evenmin sprake van een motiveringsgebrek, zoals subonderdeel 2.3.4 ten slotte aanvoert.