Conclusie
problem solution approachtoegepast.
try and seehouding zou hebben aangenomen hier (onderdeel 2). Volgens mij zijn deze klachten tevergeefs voorgesteld.
Fulvestrant formulation.De aanvraag voor het Octrooi gepubliceerd onder nummer WO 01/51056 (‘WO 956’) werd ingediend op 8 januari 2001 met beroep op de prioriteitsdata 10 januari 2000 en 12 april 2000 op basis van een tweetal Engelse octrooiaanvragen. De verlening van het octrooi is gepubliceerd op 19 oktober 2005.
opposition division)] heeft aanvankelijk het octrooi in ongewijzigde vorm in stand gehouden [2] . Van die beslissing is beroep ingesteld. Na terugverwijzing [3] door de technische kamer van beroep naar de OD is de oppositie ingetrokken [4] . AstraZeneca heeft vervolgens haar conclusies gewijzigd [5] . De OD heeft bij beslissing van 11 februari 2015 het octrooi in die gewijzigde vorm wederom in stand gehouden. Daarbij zijn de hierna te bespreken publicaties uit de stand van de techniek (Howell en McLeskey, vgl. hierna in 1.6 en 1.7) mede in aanmerking genomen.
Fachrichtervotumvan de technische rechter aan de andere rechters, inhoudend dat zij EP 138 nietig acht. In Slovenië is een verbodsvordering als voorlopige voorziening afgewezen, in Schotland toegewezen (s.t. Sandoz onder 45). Inmiddels is ook een afgesplitst octrooi van EP 138 (EP 2 266 573 B1) in oppositie in eerste aanleg op inventiviteit gesneuveld (s.t. Sandoz onder 47-54, waartegen door AstraZeneca beroep is ingesteld, vgl. dupliek in cassatie onder 6).
Nieuwheid
formuleringvan fulvestrant geschikt was voor de behandeling van borstkanker en dit daarom geen nieuwe medische toepassing zou betreffen die aan de conclusie nieuwheid kan verschaffen, wordt verworpen, zoals volgt uit hetgeen hierna wordt overwogen.
problem solution approachhanteren, nu ook beide partijen hun standpunten daarop hebben gebaseerd. Allereerst dient daarbij te worden vastgesteld wat de meest nabije stand van de techniek is. Het standpunt van Sandoz dat McLeskey als zodanig moet worden aangemerkt verwerpt het hof. McLeskey ziet op onderzoek naar de invloed van FGF’s op oestrogeen-onafhankelijke tumorgroei in de borst en heeft geen betrekking op de therapeutische toepassing van fulvestrant bij de behandeling van borstkanker. Derhalve ziet deze publicatie niet op hetzelfde probleem of dezelfde toepassing als de uitvinding volgens het octrooi en is deze publicatie dus geen realistisch uitgangspunt te achten.
‘reasonable expectation of success’betekent volgens vaste jurisprudentie van de Technische Kamers van Beroep van het Europees Octrooibureau, die door de Nederlandse rechtspraak pleegt te worden gevolgd,
‘the ability of the skilled person to reasonably predict, on the basis of existing knowledge before starting a research project, a succesful conclusion to said project within reasonable limits’. Toegepast op onderhavig geval, heeft de gemiddelde vakman een redelijke verwachting van succes als hij redelijkerwijs kan voorspellen dat een onderzoek – naar afgifte en bereikt plasmaprofiel gedurende ten minste twee weken, alsmede verdraagbaarheid, na intramusculaire toediening – met de fulvestrant-formulering geopenbaard in McLeskey, zal uitwijzen dat die formulering geschikt is voor de effectieve behandeling van borstkanker. Daarbij dient ook de aard en omvang van het benodigde onderzoek in aanmerking te worden genomen. Naarmate het te verrichten onderzoek omvangrijker, ingewikkelder en/of tijdrovender is, zal hij hogere eisen stellen aan zijn verwachting omtrent de uitkomst voordat hij een onderzoek in gang zet, dan wanneer hij de onderzoeksresultaten eenvoudig en snel tot zijn beschikking kan hebben.
zouzijn gekomen en dat niet voldoende is dat hij tot de uitvinding had
kunnenkomen.
problem solution approachaan te leggen toets, dat een uitvinding als voor de hand liggend kan worden aangemerkt indien de gemiddelde vakman tot de uitvinding
zouzijn gekomen, vloeit voort dat in de stand van de techniek een aanwijzing (
‘pointer’) is te vinden die de gemiddelde vakman ertoe aanzet de oplossing in een bepaalde richting te zoeken. De (door Sandoz gestelde) afwezigheid van ‘vooroordelen’ of ‘ernstige obstakels’ maakt niet dat het bestaan van een (vermoeden van een)
mogelijkeoplossing die kan worden onderzocht als
pointer zou gelden dan wel dat dit – zonder pointer – voldoende zou zijn om een redelijke succesverwachting aan te nemen.
pointerop. Als deze niet-technische informatie al binnen het kader van de
problem solution approach– waarin immers wordt onderzocht of een fictieve persoon door het leggen van technische verbanden tot een bepaalde technische oplossing zou zijn gekomen – in aanmerking genomen zou worden, dan zal de gemiddelde vakman nog niet op grond daarvan met voldoende zekerheid aannemen dat die formulering dezelfde is als die is gebruikt in het Howell-onderzoek, om van een redelijke verwachting van succes te kunnen spreken. De gemiddelde vakman is er op grond van zijn algemene vakkennis immers mee bekend dat, alvorens klinische testen zoals in het Howell-onderzoek worden uitgevoerd, daar verschillende testen, in het bijzonder ook dierproeven, aan vooraf gaan om bijvoorbeeld de stabiliteit en verdraagbaarheid (bijwerkingen) van een bepaalde formulering te onderzoeken. In het McLeskey onderzoek is de castorolie-fulvestrant-formulering niet op therapeutisch effect onderzocht, maar is deze alleen gebruikt om zeker te stellen dat in het onderzoek naar de invloed van FGF op de oestrogeen-onafhankelijke groei van borstkankercellen, de aanmaak van oestrogeen bij de onderzochte muizen volledig werd geblokkeerd. Daarom zal de gemiddelde vakman inzien dat alleen de (voldoende hoge) concentratie fulvestrant daarvoor relevant was en dat de formulering (en het effect daarvan op de verdraagzaamheid) er verder weinig toe deed. Dat blijkt ook uit de andere in McLeskey gebruikte fulvestrant-formulering waarin de fulvestrant werd opgelost in 100% ethanol, welke formulering ongeschikt is voor klinische toepassing bij mensen. De gemiddelde vakman zou er daarom rekening mee houden dat de door Zeneca geleverde formulering er een was die zij zelf eerder in pre-klinische dierproeven had gebruikt (en die juist om die reden zonder bezwaar kosteloos ter beschikking kon worden gesteld).
‘preformulated’maakt dat niet anders. Het hof is op basis van hetgeen door de diverse deskundigen over en weer is verklaard voorshands niet overtuigd dat die term door de gemiddelde vakman, in de context van het onderzoek waarover in de McLeskey publicatie is gerapporteerd, waarin diverse formuleringen door de onderzoeker(s) zelf zijn bereid, anders zou worden begrepen dan dat de castorolie-fulvestrant-formulering reeds bereid, dus klaar voor gebruik, is aangeleverd. Voor het standpunt van Sandoz dat de gemiddelde vakman uit de enkele term
‘preformulated’zou afleiden dat de formulering bedoeld was voor klinisch onderzoek (meer specifiek dat van Howell) bestaan onvoldoende aanwijzingen. Dat geldt temeer omdat de combinatie van excipiënten ongebruikelijk was en de formulering een hoog percentage alcohol bevatte, naar ook de partij-deskundige aan de zijde van Sandoz, prof. Vromans (‘Vromans’) erkent (5e verklaring, par. 23). Dat de gemiddelde vakman juist vanwege die ongebruikelijke formulering zou denken dat die uitontwikkeld was en bestemd voor klinisch onderzoek, zoals door Vromans verklaard, acht het hof ongeloofwaardig. De gemiddelde vakman zou naar voorlopig oordeel van het hof, in aanmerking genomen hetgeen hiervoor in r.o. 4.25 is overwogen, minst genomen de mogelijkheid onder ogen zien dat deze formulering – net als de overige in McLeskey gebruikte formuleringen die typisch bestemd waren voor gebruik in dierproeven – door Zeneca eerder was bereid voor gebruik in de formuleringsfase (niet noodzakelijkerwijs leidend tot goede resultaten).
onafhankelijke borstkanker. Deze publicatie geeft de gemiddelde vakman derhalve geen enkele informatie over de therapeutische werkzaamheden bij de behandeling van hormoon
afhankelijke borstkanker waarvoor de werkzame stof fulvestrant in Howell is toegepast. Ook de uterus-test verschaft hem die informatie niet. Zoals hiervoor in r.o. 4.9 reeds is overwogen kan daarmee anti-oestrogene activiteit worden aangetoond, maar heeft de uterus-test geen voorspellende waarde voor de geschiktheid voor de behandeling van borstkanker. Dat geldt hier temeer omdat de relevante data met betrekking tot de mate van anti-oestrogene activiteit (ook in relatie tot de dosis die aan mensen toegediend zou (kunnen) worden) in McLeskey niet zijn vermeld.
Spatial distribution of oil depots monitored in human muscle using MRI, in International Journal of Pharmaceutics 505 (2016) 52-60)waarin is vermeld:
“Although in many i.m. [intramusculair – hof] oil depots for sustained drug delivery have been marketed, the rate and extent of drug release is often difficult to predict.”en waarin diverse factoren worden genoemd die de farmacokinetische eigenschappen van een geneesmiddel bepalen. De verklaring van Vromans (1e verkl. par. 64 e.v.) dat de gemiddelde vakman zou menen dat de formulering uit McLeskey dezelfde is – en dus dezelfde effecten zal hebben – als die gebruikt in de Howell studie vanwege de overeenkomende concentratie fulvestrant, acht het hof daarom voorshands onvoldoende overtuigend.
“The long acting formulation of [fulvestrant] used in this study appeared well tolerated locally at the site of injection despite the relatively large volume (5 ml) administrered”).
problem solution approach.Andermaal uitgaande van Howell als meest nabije stand van de techniek (rov. 4.3) en hetzelfde hiervoor weergegeven objectieve technische probleem als de rechtbank in de bodemzaak (rov. 4.6), overweegt het hof dat de gemiddelde vakman op McLeskey zou zijn gestuit, maar deze publicatie bevat in de ogen van het hof als bodemrechter heel kort gezegd teveel
pointers away(rov. 5.1-5.5) en ook McLeskey in combinatie met algemene vakkennis brengt die vakman niet bij de oplossing uit het octrooi (rov. 5.7-5.8), terwijl een andere bepleite “van scratch”-argumentatie niet kan worden gevolgd volgens het hof, omdat dat een andere objectief technische probleemstelling regardeert (rov. 6.1-6.2), zodat dit niet past in de juiste hier te volgen
problem solution approach.Ook de andere non-inventiviteitsargumenten zijn volgens het hof gestoeld op een weliswaar door Sandoz bepleite, maar door het hof niet overgenomen technische probleemstelling (rov. 7.1).
2.Bespreking van het cassatieberoep
Inleiding
problem (and) solution approach [15] als hulpmiddel. In drie stappen wordt in deze benadering geprobeerd te achterhalen of de uitvinding op de aanvraag- of prioriteitsdatum voor de gemiddelde vakman verassend was of niet. Een vinding kan met later verkregen kennis achteraf soms eenvoudig lijken, maar dat levert geen faire beoordeling op van de uitvindingshoogte, zodat men poogt die spreekwoordelijke wijsheid achteraf uit te bannen. Dat maakt de inventiviteitstoets er intussen niet eenvoudiger op.
pointing awaygenoemd in Engels vakjargon. Het kan overigens in bepaalde gevallen ook nodig zijn meerdere relevante documenten als meest nabije stand van de techniek te onderzoeken [17] .
problem solution approachgehanteerd bij zijn inventiviteitstoets. Daarbij staat in cassatie op grond van de onbestreden rov. 4.18 vast dat Howell moet worden aangemerkt als meest nabije stand van de techniek (de eerste stap uit de
problem solution approach).
problem solution approachter discussie.
eerste onderdeelstelt aan de orde welke elementen meegewogen kunnen worden bij het vaststellen van het objectieve technische probleem in de tweede stap uit de
problem solution approach.
tweede onderdeelbestrijdt het oordeel dat er bij de gemiddelde vakman geen sprake was van een redelijke verwachting van succes om te onderzoeken of de in McLeskey geopenbaarde castorolie-fulvestrant-formulering geschikt zou zijn voor de behandeling van borstkanker en de gemiddelde vakman hier geen
try and seehouding aan zou nemen.
problem solution approach,is in de Guidelines van het EOB het volgende te vinden [18] :
technical problemto be solved. To do this one studies the application (or the patent), the closest prior art and the difference (also called "the
distinguishing feature(s)" of the claimed invention) in terms of features (either structural or functional) between the claimed invention and the closest prior art, identifies the technical effect resulting from the distinguishing features, and then formulates the technical problem.
T 641/00). Such a situation can occur for instance if a feature only contributes to the solution of a non-technical problem, for instance a problem in a field excluded from patentability (see
G‑II, 3and sub-sections). For the treatment of claims comprising technical and non-technical features, see
G‑VII, 5.4.
objective technical problem".
ex post factoview being taken of inventive activity (see
T 229/85). Where the claim refers to an aim to be achieved in a non-technical field, however, this aim may legitimately appear in the formulation of the problem as part of the framework of the technical problem to be solved, in particular as a constraint that has to be met (see
T 641/00, T 172/03and
G‑VII, 5.4.1).
Art. 56or
83are explained in
F‑III, 12.
partial problems". This is the case where there is no technical effect achieved by all the distinguishing features taken in combination, but rather a plurality of partial problems is independently solved by different sets of distinguishing features (see
G‑VII, 6and
T 389/86).”
Boards of Appealklinkt dat zo: “the technical problem has to be determined on the basis of objectively established facts, since for the determination of the objective technical problem, only the effect actually achieved vis-a-vis the closest prior art should be taken into account” [22] . Het geformuleerde objectieve technische probleem moet niet te abstract zijn, maar wel alle elementen vermijden die bij de oplossing horen of daarop wijzen.
problem solution approachis dat enige vorm van
hind sight biashaast niet te vermijden is [23] . Je hebt nu eenmaal de in het octrooi geclaimde uitvinding in het vizier. Het is ook maar een hulpmiddel bij de benadering van de inventiviteitsvraag.
problem solution approachniet toelaat dat in het te formuleren objectieve technisch probleem elementen worden meegenomen waarvoor de (meest nabije) stand van de techniek reeds een oplossing bood. Deze elementen vormen immers geen onderdeel van de (objectieve) verschillen tussen de geclaimde uitvinding en de meest nabije stand van de techniek, waaronder in het onderhavige geval de positieve onderzoeksresultaten uit Howell; althans
problem solution approachniet is toegestaan in het objectieve technische probleem elementen te lezen waar het octrooi zelf niets (extra’s) over leert, althans geen nadere technische toevoeging openbaart (in de Engelse EOB-terminologie:
no further/additional technical contribution/effect). Door in het onderhavige geval de positieve onderzoeksresultaten uit Howell, waaromtrent het octrooi zelf niets (extra’s) leert [24] , althans geen nadere technische toevoeging openbaart, in te lezen, althans mee te wegen in het objectieve technische probleem, beoordeelt het hof ten onrechte of de vakman tot de oplossing van een probleem zou zijn gekomen waarvoor het octrooi zélf niet (daadwerkelijk, althans niet kenbaar) een oplossing biedt. Met andere woorden, het hof voegt op deze manier ten onrechte materie toe aan het octrooi (of elementen aan het beweerdelijk op te lossen probleem) en toetst vervolgens ten onrechte (mede) of de vakman tot deze door het hof zelf toegevoegde materie zou zijn gekomen.
problem solution approachniet toelaat dat in het te formuleren objectieve technische probleem elementen worden opgenomen waarvan in de stand van de techniek al oplossingen voorhanden zijn. Het hof stelt in rov. 2.6 vast (die overweging is hiervoor in deze conclusie integraal weergegeven in 1.6) dat het als meest nabije stand van de techniek te nemen Howell een fulvestrant-formulering openbaart in castorolie die door middel van maandelijkse intramusculaire injecties van 5 ml in de bil actief is tegen borstkankertumoren en bij langdurige behandeling goed wordt verdragen. Als we terug gaan naar het vonnis in eerste aanleg, dan zien we dat de voorzieningenrechter in rov. 6.9 constateert dat partijen het erover eens zijn dat een formulering van uitsluitend fulvestrant in castorlie zoals geopenbaard in Howell niet kan worden toegepast en dat de door Howell gebruikte formulering nog andere excipiënten (hulpstoffen) moet bevatten. Dàt is in hoger beroep niet bestreden. Rov. 6.9 in eerste aanleg besluit dan met: “Uitgaande van Howell en gezien de verschillen met de materie van conclusie 1 van het octrooi, kan het door Sandoz geformuleerde technische probleem worden gevolgd.” Dat door Sandoz geformuleerde objectieve technische probleem gaf de voorzieningenrechter weer in rov. 4.2.7: “het verschaffen van een formulering voor fulvestrant voor de (intramusculaire) behandeling van een benigne of maligne ziekte van de borst of voortplantingstractus.” Exact deze zelfde formulering van het objectieve technische probleem geeft het hof vervolgens in rov. 4.20, eerste gedeelte, hiervoor weergegeven in 1.15. Daar voegt het hof aan toe: “Ook Sandoz en AstraZeneca gaan daarvan uit.” Daar richt zich de klacht van het hier besproken onderdeel niet tegen [26] - en dit verbaast ook niet gelet op de geschetste oorsprong: het komt uit de koker van Sandoz zelf.
feitelijkeuitleg die het hof hier geeft aan het element “geschikt voor” langs de lijnen van wat AstraZeneca heeft bepleit als invulling van de tweede stap uit de
problem solution approachover te laten doen of te herevalueren. Ik denk niet dat daar ruimte voor moet zijn in cassatie. Het volgen van de lijn van AstraZeneca hier is geen kwestie van rechtens goed of fout, maar van evaluatie van de feitelijke merites van de zaak die naar Nederlands octrooirecht is voorbehouden aan de (in octrooizaken gespecialiseerde) Haagse feitelijke rechters.
the technical problem which can be seen to have been actually solved in the light of the closest prior art” [29] ).
geschiktheidvan de formulering voor de behandeling van borstkanker rekening moet worden gehouden bij de vaststelling van het objectieve technische probleem, zulks in afwijking van bijvoorbeeld de OD (in EP 573, vgl. 2.14) en het Zwitserse
Bundespatentgericht. Waar Sandoz aanvankelijk stelde dat die geschiktheid (therapeutische werkzaamheid, verdraagbaarheid en vertraagde afgifte) buiten de probleemstelling moet worden gehouden, poneren beide partijen bij pleidooi als probleem: “
het verschaffen van een fulvestrant-formulering (in castorolie) die geschikt is voor het behandelen van borstkanker”.
verschilkenmerkenin zin van de PSA vormen. Anders gezegd, uitgaande van Howell, is de bijdrage aan de stand van de techniek van EP 138 niet de werking, de verdraagbaarheid of de vertraagde afgifte, maar de specifieke samenstelling van de formulering. Wanneer uitsluitend met dat technische effect van de formuleringsverschillen rekening wordt gehouden, zou het objectieve technische probleem luiden: “
het vinden van een formulering waarbij 250 mg fulvestrant kan worden opgelost in 5 ml castorolie”, zoals de OD (in EP 573) tot uitgangspunt heeft genomen. Echter, niet in geschil is dat het in dat geval goed mogelijk is om een formulering te vinden die een oplossing vormt van deze korte probleemstelling, terwijl die formulering niet de in het octrooi geclaimde (en reeds in Howell geopenbaarde) effecten heeft en, kort gezegd, niet werkt. Met andere woorden, een formulering kan een geschikte oplossing van voornoemde probleemstelling vormen, terwijl deze niet voldoet aan alle relevante deelkenmerken van conclusie 30. Naar het oordeel van de rechtbank moet de als oplossing te vinden formulering dan ook niet alleen als technisch effect hebben dat 250 mg fulvestrant in 5 ml castorolie oplosbaar is, maar voldoet als juiste oplossing alleen een formulering die geschikt is voor de behandeling van borstkanker, omdat alleen die daadwerkelijk een oplossing vormt van het verschil tussen Howell en EP 138. Dit brengt mee dat met de technische effecten van de geschiktheid, rekening moet worden gehouden bij de formulering van het objectieve technische probleem.”
divisionalvan EP 138, als volgt overwogen [33] :
tolerability/safetyand
therapeutically effective extended drug release,it has already been explained in paragraph 5.1.5 above that the castor oil-based fulvestrant formulation used in D4 has both good tolerability and therapeutic effectiveness over an extended period of time for the treatment of women with advanced breast cancer.
in vivoexperimental data regarding the fulvestrant plasma profile over five days following intramuscular administration of the castor oil-based fulvestrant formulation according to the invention in rabbits (paragraph 49 and Figure 1 of the patent specification).
in vivo.
beidepartijen, zo hebben we gezien) dat deze elementen wel moeten worden betrokken in het objectieve technische probleem. In de bodemprocedure parallel aan onze zaak hebben rechtbank en hof bij het vaststellen van het objectieve technische probleem de positieve onderzoeksresultaten uit Howelll meegewogen, bestaat daarover in de bodemzaak geen geschil en is die bodemprocedure ook in een zodanig vergevorderd stadium dat daar geen verandering meer in kan komen. Daarmee is duidelijk dat bij een eventuele procedure na cassatie en verwijzing in kort geding zonder meer een beslissing van de bodemrechter voor zal liggen waarin de positieve onderzoeksresultaten uit Howell zijn meegewogen en mij lijkt dat het verwijzingshof dan in kort geding daarop zal moeten afstemmen en geen ruimte meer heeft om tot het oordeel te komen dat die positieve onderzoeksresultaten niet mogen worden meegewogen, zodat het mij voorkomt dat bij de cassatieklacht op dit punt in onze zaak nu (inmiddels) geen belang meer bestaat. Bij strikt vasthouden aan de regel dat de afstemmingsregel niet (en nooit) geldt in cassatie, krijg je de ongerijmde situatie dat in het vervolg van het kort gedingtraject na cassatie moet worden voortgegaan op een lijn die in de bodemzaak is achterhaald – en dat raakt precies de ratio van de afstemmingsregel. Dat kan dan (in een andere zaak dan de onze) namelijk ook zo uitpakken, dat in kort geding na verwijzing en cassatie een verbod wordt opgelegd langs een in de bodemzaak achterhaalde lijn, die vervolgens in de bodemzaak niet langer opgeld doet, zodat een verbod in de bodemzaak wordt afgewezen. Het kan niet zo zijn dat dan het kort gedingverbod zou blijven gelden. Dat is het stelsel op zijn kop.
extra’szou leren. In zoverre mist de klacht feitelijke grondslag (evenzo s.t. AstraZeneca onder 11). Dat EP 138 wel iets leert over de positieve onderzoeksresultaten uit Howell heb ik hiervoor bij de bespreking van onderdeel 1.8 toegelicht.
geschikt isvoor de behandeling van borstkanker en dit laatste impliceert in de redenering van het hof naar mag worden aangenomen ook hier dat de positieve onderzoeksresultaten uit Howell worden behouden, vgl. rov. 4.20, waarmee een therapeutisch significante bloedplasmaconcentratie aan fulvestrant gedurende ten minste twee weken wordt bereikt (zie nader rov. 4.13-4.16). De klacht hiertegen houdt niet meer in dan “dat niet valt in te zien” waarom EP 138 dit plausibel maakt. Nog daargelaten dat deze klacht niet onderbouwt waarom hier sprake is van een motiveringsgebrek, lees ik hierin (anders dan AstraZeneca lijkt te doen, vgl. s.t. onder 14, maar mogelijk is hier het woordje “niet” weggevallen, omdat bij s.t. onder 3 staat dat geen cassatieklacht is gericht tegen rov. 4.12) geen klacht tegen het zelfstandig dragende plausibiliteitsoordeel uit rov. 4.12, zodat ook belang bij dit deel van de klacht ontbreekt. Waarom de vaststelling dat EP 138 ten aanzien van de geclaimde fulvestrant-formulering de positieve onderzoeksresultaten uit Howell openbaart of claimt onbegrijpelijk zou zijn in het licht van rov. 4.12 en 4.29, zie ik niet en is niet nader toegelicht - ook bij s.t. Op dit een en ander strandt dit onderdeel.
problem solution approach: is aannemelijk dat de gemiddelde vakman tot de geclaimde oplossing
zouzijn gekomen (“would”). Niet relevant is of de vakman tot die oplossing had
kunnenkomen (“could”). Dit wordt ook aangeduid met de
could-would approach [36] .
try and seehouding aanneemt, zonder verwachtingen. Dat komt volgens het hof in strijd met de
could-would approach.Dat de gemiddelde vakman op grond van McLeskey deze bij vertrek vanuit Howell dus zo maar zou zijn gaan testen, is volgens het hof niet aan de orde, daar moet een
pointer(een aanwijzing in de stand van de techniek) voor zijn die de vakman aanzet een oplossing in een bepaalde richting te zoeken. Enkele afwezigheid van vooroordelen of van ernstige obstakels geeft nog niet zo’n aanwijzing volgens het hof in rov. 4.24. Er is dan geen redelijke succesverwachting, zo vult het hof dit in. Dat wordt vervolgens uitvoerig beargumenteerd nader uitgewerkt door het hof in de vorm van het minutieus nalopen van de door Sandoz opgebrachte argumenten in 4.25 (herkomst fulvestrant-formulering McLeskey-onderzoek van voorgangster AstraZeneca is geen
pointer) dat McLesley de van Zeneca betrokken formulerein “preformulated” noemt maakt dit niet anders (rov. 4.26), de formulering uit McLeskey is in dat onderzoek alleen gebruikt als oestrogeen-blokker bij hormoon
onafhankelijke borstkanker, zodat de vakman daaruit niets leert over therapeutische werkzaamheid bij hormoon
afhankelijke borstkanker waarvoor de fulvestrantformulering in Howell is gebruikt (rov. 4.27), McLeskey bevat geen informatie over de farmacokinetische eigenschappen van de in dat onderzoek gebruikte formulering en de vakman zou geen redelijke verwachting van succes hebben dat een wekelijks subcutaan aan muizen toegediende castorolie-formulering uit Mc Leskey dezelfde farmacokinetische eigenschappen zou hebben als de in Howell eens per vier weken intramusculair aan mensen toegediende formulering, waarbij het hof een andersluidende partijdeskundigenverklaring van Sandoz gemotiveerd verwerpt (rov. 4.28), terwijl ten slotte McLeskey de gemiddelde vakman niets leert over de verdraagzaamheid van de daar gebruikte formulering, maar waarbij het hoge alcoholpercentage in de formulering de vakman meteen al beducht zou maken en waarbij ook bedacht moet worden dat irritatie/necrose ter plaatse van de injectie een serieus probleem is voor de vakman, die in Howell leest dat irritatie op de injectieplaats achterwege blijft (rov. 4.29). Dat brengt het hof in rov. 4.30 tot de conclusie dat de gemiddelde vakman geen redelijke verwachting van succes had om de McLeskey formulering te gaan testen: de serieuze mogelijkheid dat McLeskey een dierenformulering was die onvoldoende verdraagbaar zou zijn vanwege het hoge alcoholpercentage in combinatie met de slechte oplosbaarheid van fulvestrant en het gebrek aan indicatie van therapeutische werkzaamheid, zou de vakman volgens het hof hebben weerhouden van een lang en kostbaar onderzoekstraject met in-vivo klinische testen op dieren en mensen. Om deze redenen ziet het hof voorshands geen serieuze, niet te verwaarlozen kans dat EP 138 in de bodemprocedure zou sneven (rov. 4.31).
Boards of Appealde maatstaf van een redelijke verwachting van succes
(reasonable expectation of success) geïntroduceerd. Dit houdt in dat een uitvinding niet alleen voor de hand ligt wanneer – uitgaand van de stand van de techniek en geconfronteerd met het objectieve technische probleem – de resultaten van het handelen nodig om te komen tot de uitvinding volstrekt voorspelbaar of zeker zijn, maar ook wanneer er een redelijke verwachting van succes bestaat voor zo’n uitkomst als geclaimd [37] . De gedachte hierachter is dat in deze gevallen de gemiddelde vakman op basis van de stand van de techniek en zijn algemene vakkennis in staat is om een theoretisch voor de hand liggende oplossing voor het probleem te bedenken, maar dat hij tegen technische problemen aanloopt bij de praktische realisatie daarvan of bij het uitvoeren van de nodige testen. Onder dergelijke omstandigheden, aldus de
Boards of Appeal, zal de gemiddelde vakman afzien van het realiseren van de praktische realisatie (en is dus sprake van inventiviteit), tenzij hij een redelijke verwachting van succes heeft (in welk geval inventiviteit ontbreekt) [38] .
obvious to try) betekent verder niet noodzakelijk dat die vakman bij het doen van die test ook een redelijke verwachting van succes heeft [41] . Verder geldt dat hoe minder complex het op te lossen probleem is, hoe sneller er een redelijke verwachting van succes zal bestaan [42] . In T 1545/08 is dit stelsel als volgt samengevat:
try and seehouding aanneemt en dat kan dan inventiviteit ontnemen aan een geclaimde vinding. Dat doet zich niet vaak voor (“in a few cases” aldus Case Law 2016, I.D.7.2 met verdere verwijzingen naar 23tal zaken van de
Boards), bijvoorbeeld als er al een duidelijke groep stoffen of een stof in het vizier is en met routinetesten kan worden uitgemaakt of het gewenste effect optreedt. Het gaat er daarbij om dat de vakman geen gegronde reden zou hebben voor een sceptische houding over het resultaat van een onderzoekslijn. Noodzakelijke testen op mensen leidt niet snel tot een
try and seehouding (Case Law 2016, I.D.7.2 p. 187 laatste alinea/p. 188 eerste alinea, waar dit gekenschetst wordt als vaste rechtspraak van de
Boards), maar helemaal uitgesloten is dat ook weer niet (hangt van de omstandigheden af) [45] .
try and seehouding kan niet gelijk worden gesteld met het niet aanwezig zijn van een redelijke verwachting van succes [46] . Als wordt geoordeeld dat de gemiddelde vakman een
try and seehouding zou aannemen, kan dat aan inventiviteit in de weg staan.
try and seehouding heeft. Het hof miskent hiermee dat in dergelijke gevallen wel degelijk van een redelijke verwachting van succes sprake kan zijn.
try and seehouding heeft (zonder verwachtingen), althans (in ieder geval) indien:
try and seehouding aanneemt, is een
reasonable expectation of successniet afwezig, althans ingeval zich een (relevante) combinatie van de hiervoor onder (i) en (ii) genoemde omstandigheden voordoet.
try and seehouding aanneemt.
zouzijn gekomen en dat niet voldoende is dat hij tot de uitvinding had
kunnenkomen.”
of(ii) indien de gemiddelde vakman een neutrale
try and seehouding aanneemt, zonder verwachtingen. Dat het hof hiermee een onjuiste of onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven aan de stellingen van Sandoz, stelt het onderdeel niet.
try and seesituatie en vindt onvoldoende aanwijzingen (
pointers) dat de vakman hier McLeskey zou gaan testen, omdat deze in de ogen van het hof geen redelijke verwachting van succes zou opleveren, zodat het octrooi naar voorlopig oordeel inventief wordt geacht. Die aan het hof voorbehouden feitelijke beoordeling is niet met rechtsklachten succesvol aan te vallen in cassatie. Daarmee is al het nodige gezegd hierover. Maar zetten wij ons niettemin aan een inhoudelijk beoordeling van de onderdelen.
kanstellen of een bepaalde formulering een bepaald resultaat heeft. Zoals in de inleiding op onderdeel 2 is uitgewerkt, betekent het feit dat het doen van een bepaalde test voor de gemiddelde vakman voor de hand ligt (lees: een standaardtest is) niet noodzakelijkerwijs dat de vakman bij het doen van die test een redelijke verwachting van succes heeft (hiervoor in 2.26). De hiertegen geformuleerde klachten ketsen hierop af.
try and see) geldt dat, voor zover het hof heeft bedoeld deze stelling
categorischte verwerpen, dat oordeel inderdaad blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Zoals in de inleiding op onderdeel 2 is uitgewerkt, kan een
try and seehouding niet gelijk worden gesteld met het niet aanwezig zijn van een redelijke verwachting van succes en kan er bij aanname van een
try and seepositie sprake zijn van non-inventiviteit (hiervoor in 2.27). De motivering van het hof is dat een andersluidend oordeel er op neer zou komen dat de
could-would appraochgeweld wordt aangedaan, maar dat lijkt mij niet het geval. Als wordt aangenomen dat de gemiddelde vakman een
try and seehouding aanneemt, is de redenering dat de vakman – kennisnemend van de stand van de techniek en geconfronteerd met het objectieve technische probleem – tot een bepaalde theoretische oplossing
zouzijn gekomen en vervolgens vanuit die
try and seehouding ook
zougaan testen om na te gaan of die theoretische oplossing werkt (andermaal zie hiervoor in 2.27). Het is dus niet zo dat voldoende is dat de vakman tot een bepaalde theoretische oplossing had
kunnenkomen en vervolgens zonder technische obstakels standaardtesten
had kunnenuitvoeren om na te gaan of die theoretische oplossing werkt. Een gemiddelde vakman met een
try and seehouding gaat dan ook niet willekeurig standaardtesten uitvoeren in de hoop om zo – min of meer toevallig – tot de uitvinding te komen. De juridische constructie is dat hij op grond van die hem door zijn vakkennis ingegeven houding zal gaan testen (en daarmee op de geclaimde uitvinding zou komen, zodat inventiviteit ontbreekt). Dat is de redenering bij
try and seeen dat komt volgens mij niet in strijd met de
could-would approach.
en mensendeel van uit maken (rov. 4.30). Hiermee heeft het hof (impliciet) geoordeeld dat het voor de gemiddelde vakman niet voor de hand zou liggen dat de fulvestrant-formulering uit McLeskey voor de behandeling van borstkanker geschikt zou zijn en dat, zou dit al wel het geval zijn, die fulvestrant-formulering moest worden getest door middel van testen die technische moeilijkheden met zich brengen, zodat naar het (impliciete) oordeel van het hof de gemiddelde vakman geen
try and seehouding zou hebben aangenomen hier. Daarmee valt alsnog het doek voor de klachten van onderdelen 2.4 en 2.5.
try and seehouding tot de oplossing van het technische probleem zou zijn gekomen. Dit geldt in het bijzonder in het licht van wat Sandoz in verband met de (on)geldigheid van EP 138 heeft aangevoerd – en waaromtrent in het arrest niet anders wordt geoordeeld – te weten dat:
try and seehouding (plta HB Sandoz p. 23) en
try and seehouding zou aannemen hier. In de gegeven motivering ligt verwerping van de aangedragen positieve
pointersbesloten [47] . Daarover is afwijzend geoordeeld in rov. 4.24, 4.25 en 4.30. Voor een herafweging is in cassatie verder geen plaats.
derde onderdeelbevat alleen de voortbouwende klacht dat op grond van de eerder klachten rov. 4.24-4.31, 6.1 en het dictum niet in stand kunnen blijven en deze klacht deelt het lot van die eerdere onderdelen.
problem solution approach(alleen maar) als hulpmiddel wordt gebruikt. Zo’n hulpmiddel is, zo al gesproken kan worden van recht in de zin van art. 79 Wet Pro RO [48] , hoogstens
soft law. Het hof is er klaarblijkelijk van overtuigd dat de vakman om velerlei redenen zo weinig muziek zou zien in McLeskey dat het – zo al
obvious to try– in ieder geval geen redelijke verwachting van succes mee zou brengen dat onderzoek met McLeskey hier iets op zou leveren en dat de vakman hierbij al helemaal geen
try and seehouding zou aannemen. McLeskey, zo al in beeld, bevatte gegeven de stand van de techniek en het op te lossen technische formuleringsprobleem te veel haken en ogen om zo maar te gaan testen en ook al zou de vakman dat overwegen, dan zou hij geen redelijke verwachting van succes hebben gehad, zodat hij dat niet gedaan zou hebben. Ook al zou daarbij niet exact de jurisprudentiële lijnen van de
Boardszijn gevolgd door het hof (wat denk ik met uitzondering van de besproken
try and seeverschrijving in rov. 4.23 wel het geval is overigens), dan blijft onder de streep nog altijd deze uitvoerig gemotiveerde grondgedachte overeind: er is hier ondanks de misschien wat “dunne” formuleringsuitvinding wel degelijk sprake van de voor octrooiering vereiste uitvinderswerkzaamheid bij het vinden van de eerste therapeutische fulversantformulering voor de behandeling van borstkanker. Dat is per slot de uiteindelijke constitutionele toets. Dat maakt ook dat de cassatiepoging in dit kort geding volgens mij niet kan slagen.