Uitspraak
2.Uitgangspunten en feiten
Voorhuwelijks vermogen en de onderneming van de man
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
17 december 2021.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
Partijen zijn in 1982 gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met uitsluiting van gemeenschap en een periodiek verrekenbeding dat tijdens het huwelijk niet is uitgevoerd. De vrouw vorderde betaling van de helft van de waarde van de onderneming van de man, stellende dat het vermogen van de onderneming te verrekenen vermogen is.
De rechtbank wees het verzoek toe, maar het hof vernietigde dit oordeel en stelde dat de vrouw onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de onderneming met te verrekenen vermogen was gefinancierd. Het hof oordeelde dat de lening van ƒ 250.000,- niet zonder meer kon worden gekoppeld aan de onderneming en dat het vermogen niet als te verrekenen vermogen kon worden aangemerkt.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof de bewijsvermoedens van art. 1:136 lid 2 BW Pro en art. 1:141 lid 3 BW Pro heeft miskend door de onzekerheid over de financiering van de onderneming voor rekening van de vrouw te laten komen. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof voor verdere behandeling en beslissing.
De overige klachten leiden niet tot cassatie omdat ze niet van belang zijn voor de rechtsontwikkeling. De beschikking is gegeven door de raadsheren Tanja-van den Broek, Wattendorff en ter Heide en in het openbaar uitgesproken door Wattendorff.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling en beslissing.