Conclusie
Nummer20/04320
Inleiding
Het tiende middel
tiende middelbehelst aldus de klacht dat de conclusiewisseling in het ongerede is geraakt, waardoor de Hoge Raad niet kan nagaan welke argumenten ter nadere onderbouwing van de getuigenverzoeken zijn gebruikt. Het niet beschikbaar zijn van deze conclusiewisseling strijdt daardoor zozeer met een behoorlijke procesorde dat dit, nu het verzuim onherstelbaar is, nietigheid van de beslissing van het hof tot afwijzing van de verzoeken en/of het onderzoek ter terechtzitting d.d. 22 april 2016 en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak meebrengt, aldus de steller van het middel.
Het eerste middel
eerste middeldat de klacht behelst dat het hof ten onrechte het verzoek van de verdediging tot het horen van een aantal zowel belastende als ontlastende getuigen heeft afgewezen.
In het kader van het onderzoek door de rechter-commissaris in eerste aanleg, is [getuige 4] op 29 juni 2011 bij de rechter-commissaris gehoord.
De rechtbank heeft de verklaring van [getuige 5] , afgelegd bij de politie, gebruikt voor het bewijs, zie pagina 33 noot 94 vonnis.
In het kader van het onderzoek door de rechter-commissaris in eerste aanleg, is [getuige 5] op 29 juni 2011 bij de rechter-commissaris gehoord. Nu de rechtbank uitgebreid gebruik maakt van de eerder genoemde verklaring, acht de verdediging het noodzakelijk dat deze getuige in de appelprocedure nogmaals wordt gehoord, in het bijzonder omtrent het opmaken van de boekhouding van [medeverdachte 4] , alsmede het daarin verwerken van contante betalingen.
De aangetroffen goederen zijn in China geleverd door [AC] aan het bedrijf [E] Ltd.
Omtrent de bestelling, levering en aflevering van de goederen, in het bijzonder de goederen met de CMR-nummers 571570, 571572, 571569, 571568 en 571571 wenst de verdediging deze getuige nadere vragen te stellen.
Voorts kan deze getuige vragen beantwoorden betreffende mogelijke vervalsing van de rekeningen van de containers met de nummers CCLU6596060, CCLU6350380, CCLU7523772, CCLU6168924 eb CCLU7001063.
Daarnaast zal ik in zijn algemeenheid iets zeggen over wat de verdediging in het hoger beroep wil, zonder aan te geven welke getuige bij welk door de verdediging te voeren verweer zou kunnen passen, om uw hof daarin enig inzicht te geven.
De verdediging ligt in hoger beroep eigenlijk voor drie belangrijke ankers.
(…)
(…)
Ten aanzien van de getuigen [getuige 5] en [getuige 4] merk ik het volgende op.
(…)
Het hof overweegt als volgt.
(…)
(…)
(…)
(ad. 19:)
(ad 22:)
Het tweede middel
tweede middelbehelst de klacht dat uit de bewijsvoering ten aanzien van het onder feit 1 subsidiair bewezenverklaarde niet kan volgen dat van opzet bij [medeverdachte 6] en/of de verdachte sprake is geweest en uit de bewijsvoering ten aanzien van het onder feiten 2 en 3 primair bewezenverklaarde niet kan volgen dat van een nauwe en bewuste samenwerking met een ander bij het binnenbrengen op het grondgebied van Nederland en het voorhanden hebben en/of gebruik maken van een valse CMR sprake is geweest.
opmerking griffiers: daar waar het hof [medeverdachte 5] noemt, dient steeds te worden gelezen [medeverdachte 5] thans [medeverdachte 5]].
Ook gaf [verdachte] aan directeur van deze onderneming te zijn en alleen bevoegd te zijn. Het adres van [medeverdachte 5] , te weten [b-straat 1] , [plaats] , was volgens onderzoek van Interpol slechts een postadres en er werd geen pyrotechnisch materiaal opgeslagen in het pand waar [medeverdachte 5] was gevestigd. Door [verdachte] werd bij het handelsregister een jaarrekening 2006, gedateerd 15 februari 2008, aangeleverd betreffende [medeverdachte 5] waarbij het adres [c-straat 1] , [plaats] , Nederland, werd opgegeven. [11] Uit het pand op het adres [b-straat 1] te [plaats] kon niet worden opgemaakt dat [medeverdachte 5] daar was gevestigd. Getuige [getuige 1] verklaarde onder andere dat hij met zijn verzekeringsmaatschappij de ruimten van het pand [b-straat 1] in gebruik heeft en voor [verdachte] heeft bemiddeld in de koop van een lege [medeverdachte 5] en dat zijn dochteronderneming genaamd [getuige 1] de belangen voor [medeverdachte 5] behartigt. [verdachte] bezoekt het bureau vaak wekelijks en in aanwezigheid van zijn vader of moeder. De post wordt dan aan hem ter beschikking gesteld. [12]
- kenteken [kenteken 2] /Container nr. CCLU 710719-0 (CMR-nr. 327956) 835 Cartons UN 0336 Fireworks 1.4 G, NEQ 126,92 kg, bruto 10.835 kgs, [18] - kenteken [kenteken 3] /Container nr. CCLU 673216-6 (CMR-nr. 327950) 637 Cartons UN 0336 Fireworks 1.4 G, NEQ 96,8 kg, bruto 8.281 kgs. [19]
het hof begrijpt: [medeverdachte 1]] zou deze goederen, die op pallets stonden in een container laden. Onderweg naar Nederland werd deze staande gehouden door de IVW. Er zijn twee pallets in beslaggenomen. De gang van zaken is niet gebruikelijk en wordt betreurd.’ [23]
Hij herkent [verdachte] van foto’s als de man die bij de loods in [plaats] aanwezig was. Deze man was later aanwezig bij het lossen in [plaats] . [betrokkene 29] was ook samen met deze man en een ander in het kantoortje van het bedrijf in [plaats] . Hij hoorde dat die andere man tegen die uit [plaats] zei dat voorin zijn container twee pallets stonden met illegaal vuurwerk. Vervolgens hoorde hij dat die man uit [plaats] zei dat hij zou proberen de mensen van VROM weg te lokken met koffie, zodat de pallets uitgereden konden worden. Beide personen wisten dat de twee pallets voorin zijn, [betrokkene 29] , container niet goed waren. Ze wisten dat al voor de controle in [plaats] . Ze noemden daarbij een artikelnaam. [betrokkene 29] weet alleen niet [plaats] welke naam ze gebruikten. Ze besloten dat [betrokkene 29] als laatste gecontroleerd zou worden, zodat ze tijd hadden om die twee pallets aan de controle te proberen te onttrekken. [29] Tegenover de rechter-commissaris heeft [betrokkene 29] deze verklaring bevestigd. Hij herkent de CMR-nr. 327950 en verklaart deze te hebben geschreven voor zijn collega en getekend in hokje 23. [30] Het aantal kilo’s heeft hij niet gecontroleerd. De hoeveelheid was hem opgegeven door de man met het Brabantse accent. [31] De verklaringen van getuige [betrokkene 29] , in onderling verband bezien, houden in dat hij beide vrachtbrieven heeft ingevuld aan de hand van informatie die hem door [verdachte] werd verstrekt, derhalve ook de CMR met nummer 327956, die ziet op de container waarin de 70 dozen zaten.
- de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;
- de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf;
- de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard.
degene die ... binnen het grondgebied van Nederland bracht", welke bewoordingen zijn ontleend aan het Vuurwerkbesluit.
1. Degene die vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengt, meldt voorafgaand elektronisch het voornemen hiertoe bij Onze Minister. De melding wordt ten minste drie werkdagen voorafgaand aan het binnen of buiten Nederland brengen van het vuurwerk gedaan.(...)(...)4. Bij de melding worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:a. de naam en het adres van degene die het vuurwerk binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengt;b. de voorziene plaats waar, de datum en het verwachte tijdstip, waarop het vuurwerk binnen of buiten het grondgebied van Nederland wordt gebracht;c. of het consumenten- of professioneel vuurwerk betreft, het door de fabrikant bij de vervaardiging toegekende artikelnummer dat dient ter identificatie van het vuurwerk, het productiejaar, het type vuurwerk, de netto explosieve massa, per artikelnummer de hoeveelheid verpakt vuurwerk in kilogrammen of het gewicht per verpakkingseenheid in kilogrammen en indien van toepassing het containernummer waarin het vuurwerk zich bevindt;d. de voorziene datum waarop en de plaats waar het vuurwerk wordt gelost of overgeladen en, indien het vuurwerk aansluitend aan het binnen het grondgebied van Nederland brengen tot ontbranding wordt gebracht, de plaats van die ontbranding;e. bij binnen het grondgebied van Nederland brengen het land van productie, de naam van de onderneming die het vuurwerk geproduceerd heeft, de naam en het adres van degene bij wie het vuurwerk wordt opgeslagen, en de naam en het adres van degene voor wie het vuurwerk is bestemd;f. bij buiten het grondgebied van Nederland brengen de naam en het adres van degene voor wie het vuurwerk is bestemd, en het adres van degene bij wie het vuurwerk wordt afgeleverd in het buitenland.
Om het toezicht te vergemakkelijken, is bepaald dat de importeur van vuurwerk - ongeacht de vraag of dat vuurwerk bestemd is voor de Nederlandse of voor de buitenlandse markt - de invoer van tevoren meldt bij de Minister van VROM. (...) [41]
invoer en uitvoer.
Voor de definitie van dat begrip is in de Nota van Toelichting opgenomen [42] :
Onder in- en uitvoeren wordt in dit besluit verstaan het binnen respectievelijk buiten Nederlands grondgebied brengen, overeenkomstig het gedefinieerde in de Wet milieugevaarlijke stoffen.
1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, indien een redelijk vermoeden is gerezen dat door handelingen met stoffen of preparaten ongewenste effecten zullen ontstaan voor mens of milieu, regelen worden gesteld met betrekking tot het vervaardigen, in Nederland invoeren, toepassen, voorhanden hebben, aan een ander ter beschikking stellen, vervoeren, uitvoeren en zich ontdoen van deze stoffen of preparaten.2. Hiertoe kunnen behoren regelen, inhoudende:i. een verplichting een of [plaats] van de in het eerste lid genoemde handelingen met betrekking tot bij de maatregel aangewezen stoffen of preparaten of daarbij aangewezen categorieën van produkten waarin die stoffen of preparaten voorkomen, te melden op een daarbij aangegeven wijze aan een daarbij aangewezen bestuursorgaan onder overlegging van daarbij aangegeven gegevens;
Indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht en derhalve eerder zien op het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf, rust op de rechter de taak om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering - dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging - dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Voor de vraag of sprake is van de vereiste nauwe en bewuste samenwerking kan in dat geval onder [plaats] rekening worden gehouden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij verdient opmerking dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt, nu het erom gaat dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict.
Indien de verdachte hoofdzakelijk gedragingen na de uitvoering van het strafbare feit heeft. verricht, is in uitzonderlijke gevallen medeplegen denkbaar. Maar een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal dan wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding, terwijl in de bewijsvoering in zulke uitzonderlijke gevallen ook bijzondere aandacht dient te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen.
Het beslissingskader zoals dat in het hier voorgaande is weergegeven kan, met begrippen die niet steeds precies van elkaar af te grenzen zijn, niet anders dan globaal zijn. Dat hangt enerzijds samen met de variëteit van concrete omstandigheden in afzonderlijke gevallen, waarbij ook de aard van het delict een rol kan spelen. Anderzijds is van belang de variëteit in de mate waarin die concrete omstandigheden kunnen worden vastgesteld, in welk verband de procesopstelling van de verdachte een rol kan spelen (vgl. in dezen: HR 02 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474; HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411).
in ieder gevalgeen enkele betrokkenheid gehad bij het invullen van de
classificatieop de CMR, dan wel het afgeven van de CMR tijdens de controle van de containers. En de tenlastegelegde valsheid bestaat nu juist uit de vermelding van de onjuiste classificatie (!): ‘en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat op die CMR stond vermeld “1.4G Vuurwerk” terwijl (een deel van) het ingevoerde en getransporteerde vuurwerk geen 1,4G vuurwerk was’. [44]
'Classification recognised by the Authorities of Germany' uit eigener beweging heeft genoteerd en dat de overige informatie van de leidinggevende man afkomstig was.”
Het derde middel
derde middelbehelst de klacht dat uit de bewijsvoering ten aanzien van de bewezenverklaring van de feiten 5 en 6 subsidiair niet kan volgen dat van opzet bij [medeverdachte 4] en/of de verdachte en/of de medeverdachte(n) als opdracht- dan wel feitelijk leidinggevers sprake is.
[e-mailadres 8]en het Duitse telefoonnummer [0006 ] vermeld. [58]
De Koning regelt in het belang van de openbare veiligheid en kan aan vergunning onderwerpen het fabriceren, opslaan, te koop aanbieden, verkopen, afstaan, vervoeren, gebruiken onder zich hebben, en dragen van ontplofbare of voor deflagratie vatbare stoffen en mengsels en van daarmede geladen tuigen.De overheid die bevoegd is tot het afgeven van de vergunning kan ze te allen tijde intrekken. [69]
doen de chauffeurs zelfals zij in Duitsland zijn.”
Er moeten dan ook verplichtingen worden nageleefd in Nederland. U vraagt mij of het mogelijk is dat het transport alleen in België en Duitsland plaatsvindt en niet via Nederland. Dat is een mogelijkheid. Als de vervoerder die weg kiest of de klant dat vraagt dan kan dat.”
Het is aan de transporteur om te bepalen hoe hij precies rijdt. En op die wijze wordt het dan aangevraagd.”
Allereerst is het door de omstandigheid dat het mogelijk én aantrekkelijker is om Nedérland te vermijden maar zeer de vraag of de kans dat de vrachtwagens toch over Nederlands grondgebied zouden rijden wel aanmerkelijk is te achten. De verdediging meent dan ook dat onvoldoende vaststaat dat sprake is van zo een aanmerkelijke kans. Het feit dat de route via Nederland korter is, is daarvoor in ieder geval onvoldoende.
Het vierde middel
vierde middelricht zich met een aantal deelklachten tegen de bewezenverklaring van het aan de verdachte onder feit 12 tenlastegelegde en bewezenverklaarde.
Ter zake feit 12 (zaak 7):Het hof baseert zijn oordeel op de hiervoor bij feit 10 genoemde bewijsmiddelen en de volgende bewijsmiddelen.
€ 73.000,00 +
€ 100.000,00 +
€ 200.000,00 +
Er is sprake van ongebruikelijk grote, contante bedragen. Deze worden niet op de plek van ontvangst contant gestort - en zo nodig overgeboekt naar een bankrekening elders - maar door een of twee natuurlijke personen (bijna) drie uur gaans en twee landsgrenzen overgebracht voor storting op rekeningen in Luxemburg van [medeverdachte 4] , waarvan het bestuur bestond uit twee [AA] -vennootschappen.
Het hof merkt ook [medeverdachte 3] aan als medepleger, mede gezien haar grote rol bij het opmaken van de valse bedrijfsadministratie van [medeverdachte 4] . Ook zij heeft bijgedragen aan verhullende handelingen, door tegenover getuige [getuige 4] te verklaren dat de facturen juist waren, wetende dat deze vals waren. [medeverdachte 4] kan ten slotte als medepleger worden beschouwd omdat de gedragingen - toerekenbaar want verricht binnen de sfeer van deze rechtspersoon - feitelijk zijn uitgevoerd in een bewuste en nauwe samenwerking door haar, de bestuurders van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] .
Het hof, met de rechtbank, is ten slotte van oordeel dat betrokkenheid van [medeverdachte 6] - die overigens niet expliciet is tenlastegelegd - niet is bewezen.
rechtstreeks verbandof dat het onvoldoende bewijs aanwezig acht voor een
bepaaldmisdrijf.
NJ2019/298, m.nt. Rozemond – het beoordelingskader uiteengezet ten aanzien van het bestanddeel “afkomstig is uit enig misdrijf”. Dit door de Hoge Raad geformuleerde kader houdt het volgende in. Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf” kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden. Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Het vijfde middel
vijfde middelbehelst de klacht dat de wetgeving met betrekking tot het onder feit 2 bewezenverklaarde is gewijzigd na het tijdstip waarop het feit zou zijn begaan en het hof heeft verzuimd de voor de verdachte meest gunstige bepaling toe te passen.
NJ2012/78, m.nt. Keijzer geoordeeld dat noch in de toelichting bij de invoering van de RACT, noch uit enig ander gegeven blijkt van een gewijzigd inzicht van de wetgever wat betreft de strafwaardigheid. Hiermee heeft het hof volgens de steller van het middel verzuimd de voor de verdachte gunstigste bepaling toe te passen.
Scoppola t. Italië [92] aanleiding gezien zijn rechtspraak aan te scherpen wat betreft veranderingen in het sanctierecht. [93] Bij dergelijke veranderingen geldt dat een sinds het plegen van het delict opgetreden verandering door de rechter met onmiddellijke ingang moet worden toegepast, voor zover die verandering ten gunste van de verdachte werkt. Dit ligt evenwel anders ten aanzien van veranderingen die zien op delictsomschrijvingen, zoals veranderingen in bestanddelen en het vervallen van strafbaarstellingen. De Hoge Raad heeft in de rechtspraak van het EHRM geen aanleiding gezien voor een verandering in de geldende nationale rechtspraak ten aanzien van deze gevallen.
Het zesde middel
zesde middelbehelst de klacht dat van het deelnemen van de verdachte aan een samenwerkingsverband van hem als natuurlijk persoon en [medeverdachte 5] (thans en hierna: [medeverdachte 5] ) [96] als rechtspersoon geen sprake kan zijn.
Ter zake feit 13 (zaak 7):Juridisch kaderHet hof stelt het volgende voorop.
sprake is van een organisatie. Onder een organisatie moet worden verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één ander persoon. Dit samenwerkingsverband kan daarbij bijvoorbeeld ook bestaan uit een natuurlijk persoon en een rechtspersoon (vgl. HR 26 oktober 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD 1974 en HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:378). Het moet in ieder geval gaan om een duurzaam, min of meer gestructureerd samenwerkingsverband, dat als eenheid kan opereren (vgl. HR 26 juni 1984, NJ 1985, 92 en HR 26 november 1985, NJ 1986, 389). Er is reeds sprake van een dergelijke organisatie wanneer één persoon en minimaal één of meer anderen voor een door hen gesteld doel samenwerken. Het optreden als eenheid is geen absolute voorwaarde, terwijl de juridische status van het samenwerkingsverband niet relevant is. Ook hoeft er geen sprake te zijn van formeel afgebakende taken, maar het samenwerkingsverband moet wel meer dan een incidenteel karakter hebben (vgl. HR 16 oktober 1990, NJ 1991, 442 en HR 10 juli 2001, NJ 2001, 687). Van een duurzaam, min of meer gestructureerd samenwerkingsverband kan al blijken als er gedurende een vaste periode door bepaalde personen volgens een vast patroon wordt samengewerkt. Niet noodzakelijk is daarbij dat het enkel steeds dezelfde personen betreft, wel dient er sprake te zijn van een vaste kern (vgl. HR 29 januari 1991, NJB 1991, 50). Ook is in dezen niet vereist dat al de personen van de organisatie onderling met elkaar samengewerkt hebben of bekend waren met de andere deelnemers aan de organisatie en hun bezigheden voor die organisatie (vgl. HR 9 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8470 en HR 22 januari 2008, NJ 2008, 72). Ten slotte hebben duurzaamheid en gestructureerdheid betrekking op het bestanddeel 'organisatie' en niet op 'deelneming', zodat ook een relatief korte bijdrage aan een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband strafbaar kan zijn.
deelneming aan de organisatie. Van deelneming is in objectieve zin sprake indien een persoon behoort tot de organisatie en een aandeel heeft in gedragingen, dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie (vgl. HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:ZD0858/NJ 1998, 225; HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:BW5161 en HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:413). Beide vereisten zijn te beschouwen als nevengeschikt, maar zijn tevens onderling nadrukkelijk samenhangend.
Uit de bewijsmiddelen moet derhalve duidelijk worden dat de verdachte behoort tot de organisatie en dus niet enkel is te beschouwen als een sympathisant. Daarnaast moet sprake zijn van enige, naar buiten gerichte activiteit die in nauw verband staat met de misdrijven die de organisatie nastreeft. Deze activiteit kan bestaan uit het (mede)plegen van de misdrijven, maar kan ook bestaan uit het feitelijk verrichten van hand- en spandiensten en (dus) het verrichten van handelingen die op zichzelf niet zo zeer zijn te kwalificeren als een strafbare vorm van daderschap, maar wel zijn aan te merken als bovenbedoeld een aandeel hebben in of ondersteuning van gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Niet is vereist derhalve dat de verdachte aan enig concreet misdrijf van de organisatie heeft deelgenomen.
Naast deze objectieve vereisten dient de verdachte in subjectieve zin in zijn algemeenheid te weten dat de organisatie als oogmerk heeft het plegen van een of meer misdrijven. Wetenschap bij de verdachte in de vorm van voorwaardelijk opzet is op dit punt niet voldoende (vgl. HR 18 november 1997, LJN:ZD0858/NJ 1998, 225; HR 8 oktober 2002, 2002:AE5651/NJ 2003, 64 en HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:B09814). Niet is vereist derhalve dat de verdachte enige vorm van opzet heeft gehad op een door de organisatie beoogd concreet misdrijf.
[medeverdachte 1] en [verdachte] lieten vijf containers in de haven van Antwerpen aankomen op naam van [E] Ltd. Twee van die containers werden in beslag genomen en bleken deels categorie 1.1 G-vuurwerk te bevatten en deels vuurwerk (Chinese rollen) waarvan de explosieve lading zodanig was dat het niet classificeerbaar was volgens de Defaultlijst. [99] Dit terwijl op de dozen en op de CMR’s stond vermeld dat het 1.4.Gvuurwerk betrof, vuurwerk dat een veel minder explosieve kracht heeft. Van de lading van de overige drie containers werd een deel aangetroffen in bunkers in [plaats] (Duitsland). Het ging daarbij om Chinese rollen met de naam ‘Celebration Cracker T 809’ die ook volgens de Duitse wetgeving niet verhandelbaar waren. [100] De container die op 16 december 2008 in Nederland vlak bij de grensovergang Hazeldonk werd gecontroleerd en waarvan [medeverdachte 4] de afzender was, bevatte vuurwerk dat niet voldeed aan de RNEV2004. [101] [medeverdachte 3] was betrokken bij de interne boekhouding van [medeverdachte 4] en bij het witwassen en heeft daarmee een aandeel gehad in het verhullen en veilig stellen van de opbrengsten van de criminele organisatie. Een belangrijke taak, die veronderstelt dat de andere leden van de organisatie een groot vertrouwen in haar stelden.
[medeverdachte 7] had tot taak om de expediteurs te bezoeken voor het afgeven van documenten en het doen van contante betalingen. Hij was betrokken bij het inklaren en transporteren van vijf containers met vuurwerk in mei en juni 2008 (zaak 3). Daartoe bezocht hij drie keer de expediteur [G] en was hij aanwezig bij het lossen van de eerste drie containers in [plaats] . Daarbij heeft hij meerdere malen gebruik gemaakt van valse invoices en een valse naam. Daarmee wist [medeverdachte 7] dat de familie [verdachte] zich bezighield met het door middel van valse invoices importeren van vuurwerk waarbij de regels omtrent de vuurwerkwetgeving niet werd nageleefd. Wanneer hef immers om legale handel ging, was er geen enkele aanleiding geweest om [medeverdachte 7] onder een valse naam ‘ertussen te schuiven’ en niet zelf de handelingen te verrichten. Later, in december 2008, was hij betrokken bij het inklaren en transporteren van drie containers (zaak 4), waarvan de invoer in Nederland niet werd gemeld. De bijdrage van [medeverdachte 7] was weliswaar van een kortere duur dan de bijdrage van de andere leden van de criminele organisatie, maar zijn bijdrage was van dusdanig gewicht, dat hij naar het oordeel van het hof heeft deelgenomen aan de criminele organisatie.
Het zevende middel
zevende middelricht zich tegen het aan de verdachte als bijkomende straf opgelegde ‘beroepsverbod’.
Het achtste middel
achtste middelricht zich tegen het oordeel van het hof dat de overschrijding van de redelijke termijn is beperkt tot een termijn van achttien maanden en behelst de klacht dat de strafoplegging onvoldoende met redenen is omkleed.
Het negende middel
negende middelbehelst de klacht dat ’s hofs motivering van de oplegging van een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf onbegrijpelijk is en/of onvoldoende met redenen is omkleed, nu uit ’s hofs overwegingen blijkt dat het bij de bepaling van de (hoogte van die) straf een niet ten laste gelegd vermoeden van een strafbaar feit heeft betrokken, terwijl uit het verhandelde ter terechtzitting noch overigens kan volgen dat sprake is van een strafbaar feit en/of de verdachte daarbij betrokken is geweest.
Feit 4: de valsheid in geschrift ter zake vijf containers, gepleegd in mei/juni 2008;
Feit 10 en 11: het valselijk opmaken van een bedrijfsadministratie;
Feit 12: gewoontewitwassen;
Feit 13: deelname aan een criminele organisatie.