Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
5.Beslissing
8 september 2020.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de verdachte was veroordeeld wegens meervoudige oplichting en valsheid in geschrift. De verdachte exploiteerde een incassobureau in verschillende rechtsvormen, waaronder een commanditaire vennootschap, en maakte zich schuldig aan het afhandig maken van geld zonder verrichte werkzaamheden.
Het hof legde onder meer een bijkomende straf op van ontzetting uit het recht om het beroep van bestuurder of feitelijk leidinggevende van een rechtspersoon of daarmee gelijkgestelde entiteit uit te oefenen. De Hoge Raad oordeelde dat ontzetting uit het recht tot het uitoefenen van het beroep van bestuurder van een rechtspersoon gerechtvaardigd is, maar dat ontzetting uit het recht als feitelijk leidinggevende niet als een voldoende bepaald beroep kan worden aangemerkt en daarom niet kan worden opgelegd.
Daarnaast vernietigde de Hoge Raad ambtshalve het deel van het hofarrest waarin vervangende hechtenis werd toegepast bij de schadevergoedingsmaatregel, en bepaalde dat gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast conform artikel 6:4:20 Sv Pro. Het beroep werd voor het overige verworpen. De Hoge Raad deed daarmee zelf de afdoening van het geschil betreffende de bijkomende straf.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de bijkomende straf voor zover deze verder strekt dan ontzetting als bestuurder en past de regels voor vervangende hechtenis aan; het beroep wordt voor het overige verworpen.