Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
(pagina 4608):
(pagina 5438):
3.Beoordeling van de middelen voor het overige
4.Beslissing
18 december 2018.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor witwassen, medeplegen van hennephandel en valsheid in geschrift. Het hof stelde vast dat verdachte grote contante geldbedragen, waaronder €104.855,- aangetroffen in een kluis bij zijn moeder en twaalf bedragen van telkens €25.000,- die hij bij de SNS-bank inwisselde voor coupures van €500,-, had verworven, voorhanden had, overgedragen en omgezet, terwijl hij wist dat deze afkomstig waren uit enig misdrijf.
De verdediging voerde onder meer aan dat het enkele voorhanden hebben van geld onvoldoende is voor een bewezenverklaring van witwassen en dat de rechtspraak van de Hoge Raad over 'verwerven' en 'voorhanden hebben' niet van toepassing is op het overdragen en omzetten van geld. De Hoge Raad oordeelde echter dat de rechtspraak niet aan de kwalificatie als witwassen in de weg staat wanneer sprake is van overdragen en omzetten, zoals in deze zaak.
Het hof baseerde zijn oordeel mede op tegenstrijdigheden in de verklaringen van verdachte en getuigen, en op het feit dat verdachte geen legale verklaring had voor de omvangrijke contante geldbewegingen. De Hoge Raad vond het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk en verwierp het cassatieberoep.
Hiermee blijft de veroordeling van verdachte voor witwassen in stand, waarbij het hof het witwassen kwalificeerde als het verbergen en verhullen van de criminele herkomst van de geldbedragen door middel van overdragen en omzetten.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor witwassen door overdragen en omzetten van crimineel geld.