Uitspraak
Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof te 's-Gravenhagevan 12 april 1984 betreffende de aan belanghebbende, de vennootschap naar Zwitsers recht
[Z], Zwitserland
Hoge Raad
Belanghebbende, een Zwitserse vennootschap, kocht in Nederland onroerend goed en deed aangifte vennootschapsbelasting over 1977 met een negatief belastbaar bedrag. De Inspecteur stelde een aanslag vast en weigerde investeringsaftrek toe te kennen, stellende dat het onroerend goed niet als ondernemingsvermogen kon worden aangemerkt en dat belanghebbende niet voldeed aan de inlichtingenplicht onder artikel 47 AWR Pro door het niet overleggen van jaarstukken.
Het Hof oordeelde dat belanghebbende niet verplicht was de volledige jaarstukken te overleggen omdat deze niet van belang waren voor de belastingheffing van de vaste inrichting in Nederland. Tevens achtte het Hof het onroerend goed bedrijfsmatig geëxploiteerd en gaf het belanghebbende investeringsaftrek toe. De Inspecteur stelde beroep in cassatie in tegen dit oordeel.
De Hoge Raad stelde vast dat het Hof een onjuiste rechtsopvatting had gehanteerd door te eisen dat de Inspecteur zonder de gevraagde stukken niet tot de juiste feitenvaststelling kon komen. Volgens de Hoge Raad is voldoende dat de gevraagde gegevens op zichzelf van belang kunnen zijn voor de belastingheffing. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest en verwees de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling met inachtneming van dit arrest.
De zaak betreft belangrijke vragen over de reikwijdte van de inlichtingenplicht van buitenlandse belastingplichtigen met vaste inrichting in Nederland, de toepassing van de sanctie van artikel 29 AWR Pro bij niet-naleving, en de beoordeling van investeringsaftrek bij bedrijfsmatig gebruik van onroerend goed.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling met inachtneming van het arrest.