Uitspraak
wonende te [woonplaats],
zetelende te Den Haag,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
In een toelichtende brief heeft [eiser] vermeld medio 1996 op verzoek van zijn vader een rekening te hebben geopend bij Rabobank Luxembourg, dat hij in 1998 het saldo heeft overgemaakt naar een rekening bij de Bank of Bermuda en in 2001 naar de rekening bij de bank Crédit Agricole in Luxemburg.
De Staat heeft een bevel gevorderd om aan de Belastingdienst, op een door de Belastingdienst nader te bepalen wijze, alle gegevens en inlichtingen te verstrekken over de door [eiser] in de periode vanaf 1 januari 1998 in het buitenland aangehouden vermogensbestanddelen, op straffe van een dwangsom van € 10.000,-- per dag, ingaande 31 maart 2014. Dit is de dag waarop volgens de Staat het maximum van de in het eerste kort geding opgelegde dwangsommen is bereikt.
4.Beslissing
24 februari 2017.