In deze cassatieprocedure stonden twee zaken centraal waarin de Staat der Nederlanden (Belastingdienst) vorderde dat een belastingplichtige, aangeduid als [verweerster], op straffe van dwangsom informatie en documenten over buitenlandse bankrekeningen bij KB-Lux en andere banken zou verstrekken. Het hof had de vordering toegewezen met de restrictie dat het verkregen materiaal uitsluitend voor belastingheffing mocht worden gebruikt en dat de inspecteur geen procesbevoegdheid had, maar de Staat als partij moest optreden.
De Hoge Raad bevestigde het onderscheid tussen wilsonafhankelijk en wilsafhankelijk materiaal zoals geformuleerd in het arrest van 12 juli 2013, waarbij wilsafhankelijk materiaal onder dwang niet zonder restricties gebruikt mag worden voor fiscale boetes of strafvervolging. Het hof had echter ten onrechte de wilsafhankelijkheid gekoppeld aan de verkrijgbaarheid zonder medewerking van de betrokkene, wat de Hoge Raad corrigeerde.
Voorts oordeelde de Hoge Raad dat de Staat als rechtspersoon procesbevoegd is en dat het arrest van 10 februari 1988 geen verbod inhoudt voor de inspecteur om onder dwang bewijs te verzamelen voor niet-lopende procedures. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof in zaak 14/02421 en verwees de zaak terug voor verdere behandeling, terwijl het beroep in zaak 14/02693 werd verworpen.