Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Twee ‘prealabele’ kwesties
De positie van de Belastingdienst in deze procedure
tegende Belastingdienst – en daarmee van de mogelijkheid om een rechtsmiddel aan te wenden tegen een beschikking tot het verlenen van zo’n machtiging, de vraag rijzen wat de positie van de Belastingdienst in de onderhavige procedure is, als wederpartij in de aan te spannen procedure. Dit is een vraag die ambtshalve valt te onderzoeken. Is de Belastingdienst in de procedure tot verlening van de machtiging partij? Of alleen een belanghebbende, die als zodanig al dan niet verplicht wordt gehoord? Of geen van beide?
4.Bespreking van het cassatiemiddel
allebeslissingen van de rechter-commissaris in het kader van zijn toezichthoudende taak in een beschikking van de Hoge Raad uit 2019 (cursivering toegevoegd):
in het kader van zijn toezichthoudende taak, zoals aan de orde in het arrest van de Hoge Raad van 17 mei 2013.” [42]
mochtafwijzen, afgezien van volle toets van het oordeel van de rechter-commissaris. Daartegen bevat het middel geen klacht. Ter discussie staat in cassatie dus slechts of de rechtbank heeft kunnen oordelen dat de rechter-commissaris binnen de grenzen van genoemde vrijheid is gebleven.