Conclusie
(hierna: Werkneemster)
advocaat: M.J. van Basten Batenburg
(hierna: Ammeraal)
advocaten: S.F. Sagel & I.L.N. Timp
1.Inleiding en samenvatting
Xella-uitspraak van de Hoge Raad van 8 november 2019. [1]
Xella-norm ook van toepassing op (semi-) diepslapers?
Xella-uitspraak van de Hoge Raad. Mijns inziens is die klacht terecht voorgesteld.
Xella-norm voor ‘oude gevallen’. [2] In die zaak draait het echter om de vraag vanaf wanneer de
Xella-norm geldt (de temporele werking van de norm), en dan met name of die norm terugwerkt tot 1 juli 2015, het moment van invoering van de Wet werk en zekerheid (Wwz).
2.Feiten
3.Procesverloop
4.Plan van behandeling
voorwaardevoor (een veroordeling in kort geding tot nakoming van) het inroepen van de
Xella-norm, dat de werkgever in een concreet geval erop kan vertrouwen dat hij, al dan niet gedeeltelijk, voor betaling van de transitievergoeding wordt gecompenseerd op de voet van art. 7:673e BW.
Xella-uitspraak niet uitdrukkelijk een koppeling maakt tussen de reikwijdte van de norm en het daadwerkelijke recht op (gehele of gedeeltelijke) compensatie.
Xella-uitspraak van de Hoge Raad
Xella-norm?
Xella-norm ook voor diepslapers, semi-diepslapers en verlate slapers?
5.De problematiek van de slapende dienstverbanden
verplichtom het dienstverband met een langdurig arbeidsongeschikte werknemer te beëindigen. [18] Ook na de invoering van de compensatieregeling zijn er daarom nog slapende dienstverbanden.
2.1 Deze zaak gaat over het zogenoemde ‘slapende dienstverband’. Dat is een dienstverband dat een werkgever na twee jaar arbeidsongeschiktheid van een werknemer niet heeft opgezegd, hoewel hij daartoe wel bevoegd is, en waarbij hij de werknemer geen loon meer betaalt. Doordat de arbeidsovereenkomst niet is beëindigd, is de werkgever geen transitievergoeding verschuldigd.
Xella-uitspraak een specifieke norm van goed werkgeverschap (de ‘
Xella-norm): [26] als is voldaan aan de vereisten van art. 7:669 lid 1 en Pro lid 3, aanhef en onder b, BW voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschiktheid, dan geldt als uitgangspunt dat een werkgever op grond van goed werkgeverschap gehouden is om in te stemmen met een voorstel van de werknemer tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden, onder toekenning van een vergoeding aan de werknemer ter hoogte van de wettelijke transitievergoeding.
op de dag na die waarop de werkgever wegens arbeidsongeschiktheid van de werknemer de arbeidsovereenkomst zou kunnen (doen) beëindigen’. Voor de berekening van de hoogte van de
Xella-vergoeding wordt in rov. 2.7.2 dus aangesloten bij het moment waarop de werkgever bevoegd is de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Dat is hetzelfde moment waarop de
Xella-verplichting ontstaat, namelijk ‘
als is voldaan aan de vereisten van art. 7:669 lid 1 en Pro 3, aanhef en onder b, BW’ (rov. 2.7.3). Vanaf dat moment is sprake van een slapend dienstverband als bedoeld in rov. 2.1 van de
Xella-uitspraak.
nietmoet worden aangesloten bij de hoogte van het bedrag dat de werkgever ingevolge de compensatieregeling op het UWV kan verhalen (rov. 2.7.2). Hierdoor kan er een verschil bestaan tussen enerzijds de vergoeding die de werkgever op grond van de
Xella-uitspraak aan de werknemer dient te betalen, en anderzijds de compensatie die de werkgever hiervoor van het UWV ontvangt. [27]
mogelijkheidheeft om de arbeidsovereenkomst op te zeggen. Dit vindt zijn oorzaak in het feit dat het einde van de periode waarin op de werkgever een loondoorbetalingsverplichting rust en waarin het opzegverbod wegens ziekte geldt (de wachttijd), niet steeds samenvalt met het moment waarop de bevoegdheid tot opzegging ontstaat. Op grond van art. 7:669 lid 1 en Pro 3, aanhef en onder b, BW ontstaat de bevoegdheid tot opzegging wegens langdurige arbeidsongeschiktheid namelijk pas indien:
Xella-uitspraak overweegt de Hoge Raad dat op het uitgangspunt dat de werkgever moet instemmen met een beëindigingsvoorstel van de langdurig arbeidsongeschikte werkgever, een uitzondering moet worden aanvaard als de werkgever een gerechtvaardigd belang heeft bij instandhouding van de arbeidsovereenkomst. Zo’n belang kan bijvoorbeeld gelegen zijn in reële re-integratiemogelijkheden voor de werknemer, maar niet in het bijna bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, zo is overwogen. Het is aan de werkgever om daartoe omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen.
Xella-verplichting’ niet absoluut is. [32] De verplichting geldt niet als de werkgever een gerechtvaardigd belang heeft bij de instandhouding van de arbeidsovereenkomst. Van een dergelijk gerechtvaardigd belang zal niet snel sprake zijn: de uitzondering is weliswaar open, maar restrictief geformuleerd, zo schrijft Houweling. [33]
Xella-voorstel’). [34] Zonder zo’n voorstel ontstaat er geen verplichting voor de werkgever om de arbeidsovereenkomst met de langdurig arbeidsongeschikte werknemer te beëindigen, onder betaling van de transitievergoeding. Daar staat echter tegenover dat als de werkgever het dienstverband laat doorlopen, de hoogte van de transitievergoeding vaak zal oplopen, terwijl de vergoeding van het UWV gefixeerd is op het peilmoment dat geldt op grond van de compensatieregeling, namelijk het einde van de reguliere wachttijd (zie onder 6.4-6.9).
Xella-voorstel van de werknemer (terwijl wel aan alle voorwaarden daarvoor is voldaan), dan schendt de werkgever de norm van goed werkgeverschap (art. 7:611 BW Pro). Omstandigheden die zich nadien voordoen, kunnen daaraan niet afdoen. Zo doet het eindigen van het dienstverband als gevolg van het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van de werknemer er niet aan af dat de werkgever eerder (dus tijdens het dienstverband) in strijd met zijn verplichting uit art. 7:611 BW Pro heeft gehandeld door niet in te gaan op het
Xella-verzoek van de werknemer. In zo’n geval kan de werknemer de werkgever aanspreken tot betaling van een schadevergoeding die gelijk is aan de transitievergoeding. [35]
Secretaresse/Advocatenkantoor [36] geoordeeld dat als een werknemer een voorstel als bedoeld in de
Xella-beslissing, de werkgever niet handelt als een goed werkgever indien hij slechts bereid is het voorstel te aanvaarden op voorwaarde dat de werknemer hem finale kwijting verleent voor mogelijke andere aanspraken (rov. 3.2.3). Hieruit leid ik af dat de werkgever geen nadere voorwaarden mag stellen aan het
Xella-voorstel van de werknemer.
7.De transitievergoeding
verschuldigdheidvan de transitievergoeding (lid 1, met uitzonderingen in lid 7 en 8) maar ook de
hoogtedaarvan (lid 2, met nadere regels in lid 3-6 en in de op lid 10 gebaseerde algemene maatregel van bestuur). Hier wordt alleen het recht besproken zoals dat nu geldt en wordt geen aandacht besteed aan het overgangsrecht. Dit in verband met de veelvuldige wijzigingen van art. 7:673 BW Pro. [42]
verschuldigdheidvan de transitievergoeding is met name opgenomen in art. 7:673 lid 1 BW Pro. Heel kort samengevat bepaalt de daar opgenomen opsomming dat de werkgever die een arbeidsovereenkomst beëindigt, de transitievergoeding verschuldigd is. Dat is de hoofdregel.
hoogtevan de transitievergoeding is met name opgenomen in art. 7:673 lid 2 BW Pro. Voor elk jaar dat de arbeidsovereenkomst heeft geduurd, bedraagt de transitievergoeding 1/3e van het maandloon. Het bedrag wordt naar evenredigheid berekend.
8.De problematiek van de diepslapers, de semi-diepslapers en de verlate slapers
Xella-uitspraak heeft onder meer de vraag opgeroepen hoe moet worden omgegaan met langdurig arbeidsongeschikte werknemers bij wie de wachttijd reeds voorafgaand aan 1 juli 2015 was verstreken, maar van wie de arbeidsovereenkomst (toen) nog niet is opgezegd. [52] Geldt dan ook de
Xella-norm?
Xella-uitspraak was geen sprake van een dergelijke situatie; de betreffende werknemer raakte in januari 2016 (opnieuw) arbeidsongeschikt en de wachttijd eindigde in januari 2018, [53] dus twee en een half jaar na 1 juli 2015. Weliswaar heeft de Hoge Raad zijn overwegingen en de normstelling in algemene bewoordingen geformuleerd, maar in de
Xella-uitspraak is geen aandacht besteed aan situaties waarin de wachttijd reeds voorafgaand aan 1 juli 2015 was verstreken.
nietde bevoegdheid tot beëindiging is ontstaan, spreek ik van ‘semi-diepslapers’.
Xella-norm vallen. De opvattingen hierover hangen onder meer samen met het al dan niet bestaan van het recht op compensatie, en met het feit dat werkgevers de arbeidsovereenkomst met een diepslaper in beginsel reeds kosteloos hadden kunnen beëindigen onder het ontslagrecht zoals dat gold tot 1 juli 2015. Dat laatste geldt niet voor semi-diepslapers. Op de kwestie of de
Xella-norm ook van toepassing is op diepslapers en semi-diepslapers wordt nader ingegaan in hoofdstuk 12.
9.De Wet compensatie transitievergoeding
In welke gevallende werkgever aan de werknemer een transitievergoeding is verschuldigd, is geregeld in art. 7:673 t/m 673c BW (zie onder 7.7-7.11). De
hoogtevan de transitievergoeding is geregeld in art. 7:673 BW Pro (zie onder 7.12-7.15).
Xella-uitspraak. Inmiddels is dat gewijzigd in het Arbeidsongeschiktheidsfonds, zo volgt uit art. 115 lid 1 onder Pro k Wfsv. [58] Dit houdt ermee verband dat overheidswerkgevers niet aan het AWF bijdragen, terwijl per 1 januari 2020 op hen wel het reguliere arbeidsrecht van toepassing is als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren. [59]
b. (…)
grondslagvoor toekenning van een compensatie aan de werkgever, dus
in welke gevallenhet UWV een compensatievergoeding verstrekt.
De belangrijkste voorwaarde om aanspraak te maken op deze compensatie is dat er in verband met het beëindigen of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst een transitievergoeding verschuldigd was.”
hoogtevan de door het UWV aan de werkgever te verstrekken vergoeding. Uitgangspunt is dat de compensatie gelijk is aan de vergoeding die de werkgever aan de werknemer heeft betaald. Echter, de compensatie is gelimiteerd tot de transitievergoeding die de werkgever aan de werknemer verschuldigd zou zijn bij beëindiging op de dag na het verstrijken van 104 weken, bedoeld in art. 7:670 lid 1 onder Pro a BW (de reguliere wachttijd).
Ten slotte wordt er een beperking aangebracht in die zin dat als aan een werkgever een zogenoemde loonsanctie is opgelegd (waarbij de periode van loondoorbetaling tijdens ziekte wordt verlengd in verband met het niet naleven van re-integratieverplichtingen) die periode niet meetelt bij de berekening van de hoogte van de compensatie. In dat geval is de als gevolg hiervan hogere transitievergoeding immers aan hemzelf te wijten.”
Als het opzegverbod bij ziekte van de werknemer als gevolg van een loonsanctie langer geldt dan de in artikel 670, eerste lid, onderdeel a, bedoelde periode van twee jaar, wordt derhalve het bedrag aan transitievergoeding dat de werknemer over die extra periode opbouwt niet gecompenseerd.”
Werkgevers hebben er ook zelf belang bij om die slapende dienstverbanden te beëindigen, want de opbouw van de transitievergoeding loopt door tot het moment waarop het dienstverband uiteindelijk wordt beëindigd. De teller voor de compensatie stopt echter bij 104 weken, dus na deperiode van loondoorbetaling bij ziekte. Dit betekent dat de werkgever de transitievergoeding die opgebouwd wordt over de slapende periode, tussen het aflopen van de 104 weken en het daadwerkelijke ontslag, niet gecompenseerd zal krijgen. Met andere woorden, het is ook een prikkel om te ontslaan en dat is ook wenselijk. Ik roep hierbij alle werkgevers op om zo snel mogelijk een einde te maken aan die slapende dienstverbanden en ik zal natuurlijk ook een voorlichtingstraject starten om dit punt onder de aandacht te brengen, in nauwe samenwerking met UWV, omdat het gewoon een langdurend en vervelend proces is.”
Xella-vergoeding wordt echter wél onder de 50+regeling berekend, want bij de berekening van de aan de werknemer te betalen vergoeding wordt aangesloten bij het moment waarop de werkgever bevoegd is de arbeidsovereenkomst te beëindigen (zie onder 6.3). Kortom, in deze situatie hebben werkgevers er baat bij om snel te handelen. Hier heeft de minister ook op gewezen in een kamerbrief waarin onder meer op de
Xella-uitspraak wordt ingegaan. [82]
Xella-uitspraak geldt de verplichting om een vergoeding te betalen bij beëindiging van het dienstverband van een langdurig arbeidsongeschikte werknemer ook als sprake is van een beëindiging met wederzijds goedvinden (zie onder 6.2 en 6.12). De vergoeding die bij instemming met het voorstel van de werknemer wordt betaald kan in beginsel dus voor compensatie door het UWV in aanmerking komen.
10.Recht op compensatie bij einde reguliere wachttijd voorafgaand aan 1 juli 2015?
Xella-uitspraak afhankelijk wordt gesteld van het recht van de werkgever op compensatie, wordt aan dat recht in feite een extra voorwaarde gesteld. Dat is niet in lijn met het dwingendrechtelijke wettelijke systeem van de transitievergoeding (zie onder 11.5-11.7).
Xella-uitspraak) dus niet van belang of de werkgever op grond van art. 7:673e BW aanspraak kan maken op compensatie voor die vergoeding. Dat betekent dat evenmin van belang is hoe de compensatiebepaling in de bestuursrechtelijke rechtspraak wordt uitgelegd.
12. (…) Volgens verweerders uitleg van deze bepaling verstrekt hij in het geheel geen compensatie als de dag na het einde van het opzegverbod wegens ziekte lag vóór 1 juli 2015. De rechtbank volgt verweerder daarin niet, en licht dat als volgt toe. Daarbij sluit zij aan bij de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 28 juli 2021 (ECLI:NL:RBROT:2021:7054) en de rechtbank Den Haag van 6 december 2021 (ECLI:NL:RBDHA:2021:13705).
8.1 (…) Uit het feit dat voor 1 juli 2015 nog geen sprake was van verschuldigdheid van een transitievergoeding volgt echter niet dat de compensatie reeds om die reden op € 0,- dient te worden vastgesteld. Dit blijkt niet ondubbelzinnig uit de tekst van artikel 7:673e, tweede lid, van het BW en zou er in wezen op neerkomen dat in een geval als dit niet zozeer de hoogte van de compensatie wordt vastgesteld, maar dat er categorisch geen recht op compensatie bestaat. De wetgever heeft met het bieden van compensatie aan bezwaren van werkgevers tegemoet willen komen en heeft beoogd te realiseren dat slapende dienstverbanden alsnog worden beëindigd, hetzij door middel van een opzeggings- of ontbindingsprocedure, hetzij met wederzijds goedvinden. Ook uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 7:673e van het BW kan niet worden afgeleid dat de wetgever heeft beoogd om gevallen waarin het einde van het opzegverbod van twee jaar bij ziekte voor 1 juli 2015 lag en de beëindiging van het dienstverband erna, uit te sluiten van compensatie.”
hoogtevan de compensatie vast te stellen. De rechtbank Rotterdam vervolgt door onder meer te overwegen dat uitsluiting van dienstverbanden die vóór 1 juli 2015 slapend zijn geworden afbreuk zou doen aan het doel van de wetgever om slapende dienstverbanden alsnog te beëindigen (rov. 8.2) en dat de reden voor de maximering uitsluitend erin is gelegen om misbruik te voorkomen en de periode van de loonsanctie uit te sluiten van compensatie (rov. 8.3). Dit brengt mee dat de werkgever recht heeft op een vergoeding van de door haar betaalde transitievergoeding, aldus de rechtbank Rotterdam.
9. De rechtbank oordeelt dat de wettekst duidelijk is: als de periode van twee jaar voor 1 juli 2015 eindigde, dan is er geen recht op compensatie. Voor het Uwv is er geen ruimte om daarvan af te wijken. De bedoeling van de wetgever kan geen rol spelen als er geen ruimte is voor wetsuitleg. Hoewel dit werkgevers zoals eiseres benadeelt ten opzichte van andere werkgevers die later in een vergelijkbare situatie zijn gekomen, is het niet aan de bestuursrechter om daarvoor een regeling te treffen.”
16. De rechtbank overweegt nog het volgende. Eiseres heeft het dienstverband met de werkneemster beëindigd en heeft daarbij een transitievergoeding betaald. Het is een arbeidsrechtelijke vraag of zij daartoe vanuit het oogpunt van goed werkgeverschap in dit geval ook gehouden was. Die vraag moet niet door de bestuursrechter, maar door de kantonrechter beantwoord worden. Het Xella-arrest van de Hoge Raad voorziet naar het oordeel van de rechtbank niet in een antwoord op deze vraag in dit specifieke geval, waarbij wel een transitievergoeding moet worden betaald, maar geen compensatie van het Uwv volgt. Wel is er in de arbeidsrechtspraak een lijn te zien die erop duidt dat van een werkgever in het kader van goed werkgeverschap niet verwacht hoeft te worden dat een slapend dienstverband wordt beëindigd, als de werkgever niet gecompenseerd wordt voor de te betalen transitievergoeding. [98] Die lijn volgend had eiseres er ook voor kunnen kiezen om het dienstverband met de werkneemster niet te beëindigen. Dan had zij ook geen transitievergoeding hoeven te betalen.
De rechtbank begrijpt het standpunt van eiseres dat zij met het niet-slapend houden van de arbeidsovereenkomst en de toekenning van een ontslagvergoeding aan haar ex-werknemer is tegemoetgekomen aan de wens van de wetgever om slapende dienstverbanden te voorkomen. Anders dan eiseres echter is de rechtbank van oordeel dat de beslissing van verweerder niet betekent dat eiseres dubbel wordt gestraft. De opgelegde loonsanctie houdt verband met het niet (tijdig) nakomen van re-integratieverplichtingen door eiseres. De compensatie van de transitievergoeding dient een geheel ander doel, namelijk het voorkomen van slapende dienstverbanden. Eiseres heeft inderdaad het slapende dienstverband beëindigd. Dat in haar geval, anders dan in gevallen waarin een loonsanctie is opgelegd ná 1 juli 2015 geen compensatie wordt toegekend, vloeit voort uit de geldende regelgeving en het ontbreken van overgangsrecht voor gevallen als dat van eiseres. Voor zover met het ontbreken van een nadere regeling sprake is van een omissie overweegt de rechtbank dat het aan de wetgever is om deze, indien wenselijk, te herstellen. De bestuursrechter is daarvoor niet aan zet.”
11.Recht op compensatie als voorwaarde voor toepassing van de Xella-norm?
Compensatieregeling als aanleiding om de Xella-norm te formuleren
Xella-uitspraak overweegt de Hoge Raad het volgende:
2.7.2 De wetgever beoogt met de Wet compensatieregeling transitievergoeding een einde te maken aan het verschijnsel ‘slapende dienstverbanden’. [103] De compensatieregeling en de voor invoering daarvan in de wetsgeschiedenis gegeven redenen brengen mee dat als norm van goed werkgeverschap in de zin van art. 7:611 BW Pro geldt (…)”
Xella-verplichting is dus gebaseerd op ‘
de compensatieregeling en de voor invoering daarvan in de wetsgeschiedenis gegeven redenen’. Ook in rov. 2.5, waarin een aantal inleidende opmerkingen wordt gemaakt over de prejudiciële vragen, gaat de Hoge Raad al in op de compensatieregeling en de daarvoor in de wetsgeschiedenis gegeven redenen.
het bestaanvan de compensatieregeling essentieel is geweest voor de formulering van de
Xella-norm. Dat wil zeggen: als er geen compensatieregeling in het leven zou zijn geroepen, dan is het de vraag of de Hoge Raad ruimte zou hebben gezien voor het aannemen van een algemene werkgeversverplichting tot het instemmen met een beëindigingsvoorstel van een langdurig arbeidsongeschikte werknemer onder betaling van een vergoeding.
Xella-norm alleen geldt indien de werkgever in een concreet geval daadwerkelijk recht op compensatie heeft. De Hoge Raad heeft dit niet zo beslist (eerder in tegendeel, zie onder 11.9-11.10) en die voorwaarde geldt naar mijn mening niet.
Xella-norm geeft (voor een specifiek soort gevallen) via de band van art. 7:611 BW Pro een uitwerking aan art. 7:673 BW Pro, waarin het recht van de werknemer op de transitievergoeding is neergelegd. Dit recht geldt in de verhouding van de werknemer tot zijn werkgever. Art. 7:673 BW Pro bevat de voorwaarden voor het recht op de transitievergoeding (zie hiervoor in hoofdstuk 7). Maar noch in art. 7:673 BW Pro noch in een van de daarop volgende bepalingen is als voorwaarde gesteld dat de werkgever aanspraak kan maken op compensatie van de transitievergoeding. Daarmee ontbreekt een wettelijke grondslag voor het stellen van die eis.
Xella-uitspraak niet een ‘speciaal soort vergoeding’ in het leven heeft geroepen. Woorden als de ‘
Xella-vergoeding’ of de ‘611-vergoeding’, [104] zijn in dat opzicht wat verwarrend. Weliswaar is de aanspraak op de transitievergoeding in de
Xella-uitspraak gekoppeld aan het goed werkgeverschap en daarmee aan de norm van art. 7:611 BW Pro, maar dat betekent niet dat het gaat om een eigensoortige vergoeding. Uiteindelijk gaat het gewoon om de verplichting van de werkgever om de transitievergoeding te betalen. Ook het feit dat de Hoge Raad spreekt over een ‘
vergoeding ter hoogte vande transitievergoeding’ (rov. 2.7.3) maakt dit niet anders. De reden dat die uitdrukking wordt gebruikt, is dat beoogd is om óók de vergoedingen die betaald zijn bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden onder het bereik van de
Xella-norm te brengen. Strikt genomen gaat het in dat laatste geval immers niet om betaling van de transitievergoeding, maar om een aanspraak die via de reflexwerking van het recht op de transitievergoeding bestaat (vgl. hiervoor onder 7.11). Maar materieel gaat het uiteindelijk onmiskenbaar om
de aanspraak op de transitievergoeding. Dat neemt overigens niet weg dat die vergoeding juridisch wel ‘van kleur verschiet’ indien een werkgever ten onrechte niet met een beëindigingsvoorstel heeft ingestemd en vervolgens tot betaling van schadevergoeding wordt veroordeeld.
Xella-vergoeding in de kern de transitievergoeding betreft. Tegen die achtergrond is het mijns inziens in strijd met het wettelijke systeem om aan de verschuldigdheid een extra voorwaarde te stellen, namelijk het recht op compensatie van de werkgever.
Xella-uitspraak. De Hoge Raad heeft daarin immers onderkend dat er een verschil kan bestaan tussen de door de werkgever te betalen vergoeding en de door de werkgever te ontvangen compensatie. In de
Xella-uitspraak is daarover het volgende overwogen:
3.7.2 (…) Anders dan in de prejudiciële vraag wordt verondersteld, dient voor de hoogte van die vergoeding niet te worden aangesloten bij de hoogte van het bedrag dat de werkgever ingevolge de compensatieregeling op het UWV kan verhalen. Die door de werkgever te verkrijgen compensatie kan onder omstandigheden lager zijn dan het bedrag aan transitievergoeding waarop de werknemer recht zou hebben bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever. (…)”
de fictie van een werkelijke beëindiging’ en niet voor aansluiting bij de formulering van art. 7:673e BW. [105]
met een zeker deel van de transitievergoeding dat niet wordt gecompenseerd.’ [106]
aanspraakop de aan de werknemer te betalen vergoeding niet samenvalt met het recht van de werkgever op compensatie. Zo staat niet vast dat art. 7:673e BW ook betrekking heeft op door de werkgever aan de werknemer betaalde schadevergoeding. [110] Mogelijk ontbreekt ook een recht op compensatie bij de gevallen waarin de reguliere wachttijd is verstreken vóór 1 juli 2015, maar de arbeidsovereenkomst pas daarna wordt opgezegd (zie hoofdstuk 10). Het kan hier dus gaan om zowel de diepslapers, de semi-diepslapers als de verlate slapers (zie hoofdstuk 8). Concreet is het de vraag of voor deze slapende dienstverbanden óók de
Xella-norm geldt.
12.Geldt de Xella-norm ook bij diepslapers, semi-diepslapers en verlate slapers?
Xella-norm, bespreek ik of die norm ook van toepassing is op werknemers van wie de reguliere wachttijd voorafgaand aan 1 juli 2015 al was verstreken. Dat betreft dus de diepslapers, semi-diepslapers en verlate slapers.
Xella-vergoeding (wat mijns inziens niet juist is, zie hoofdstuk 11), zijn de meeste auteurs van mening dat in alle gevallen waarin de wachttijd is verstreken vóór 1 juli 2015, de werknemer zich niet kan beroepen op de
Xella-norm,
omdatde werkgever in zo’n geval niet gecompenseerd zal worden. Hierbij wordt overigens niet steeds onderscheid gemaakt tussen de situatie van de diepslapers, de semi-diepslapers en de verlate slapers.
Uit het feit dat de Hoge Raad in zijn beslissing expliciet naar de compensatieregeling verwijst en vervolgt dat compensatie mogelijk is voor arbeidsovereenkomsten die op of na 1 juli 2015 zijn geëindigd, kan worden geconcludeerd dat werkgevers niet verplicht zijn mee te werken aan het onder toekenning van de transitievergoeding beëindigen van dienstverbanden die voor 1 juli 2015 al slapend zijn geworden.”
Xella-vergoeding toekomt in alle gevallen waarin de wachttijd reeds vóór 1 juli 2015 is verstreken. [112] In die situaties kan de werkgever geen compensatie krijgen, terwijl de
Xella-uitspraak juist geënt is op de invoering van de compensatieregeling.
Xella-vergoeding aan te nemen voor werknemers waarvan de wachttijd reeds vóór 1 juli 2015 is verstreken, omdat de Hoge Raad de verplichting om mee te werken aan een voorstel tot beëindiging van een slapend dienstverband uit hoofde van goed werkgeverschap koppelt aan het bestaan van de wettelijke compensatieregeling waar de werkgever een beroep op kan doen. [113]
Xella-uitspraak ‘
dat de compensatieregeling een voorwaarde is voor toewijzing van het 611-verzoek’. Hij vreest dan ook dat slapers van voor 1 juli 2015 ‘
nog steeds geen aanspraak kunnen maken op hun transitievergoeding’. [114]
Xella-norm de werknemer niet aan een transitievergoeding lijkt te helpen als de wachttijd al vóór 1 juli 2015 is verstreken. [115] Volgens haar lijkt in gevallen waarin geen recht op compensatie bestaat, iedere grond voor toepassing van de
Xella-norm te ontbreken. Echter, volgens De Groot geldt de
Xella-norm wél indien een loonsanctie de reden is waarom het dienstverband niet is gaan slapen voorafgaand aan 1 juli 2015 maar juist daarna. [116] Hier gaat het dus niet om een semi-diepslaper, maar om een ‘verlate slaper’ (zie hiervoor onder 8.7).
'iedere grond voor toepassing van de Xella-norm lijkt te ontbreken’. [117]
Door het hanteren van een andere peildatum is de op het goed werkgeverschap gebaseerde vergoeding (hierna ook: ‘611-vergoeding’) hoger dan de vergoeding die de werkgever aan de compensatieregeling kan ontlenen ingeval het UWV de loondoorbetaling van de werkgever met maximaal een jaar heeft verlengd (art. 7:629 lid 11 BW Pro). (…) Verder kunnen werkgevers als gevolg van het andere peilmoment zelfs tot het betalen van een 611-vergoeding gehouden zijn, terwijl zij geen beroep kunnen doen op de compensatieregeling. Dit is bijvoorbeeld aan de orde indien de werknemer ten tijde van de introductie van de wettelijke transitievergoeding — 1 januari 2015 — reeds langer dan twee jaren arbeidsongeschikt was. De werkgever komt bij een beëindiging van het dienstverband van deze ‘langslapers’ niet in aanmerking voor compensatie. Art. 7:673e lid 2 BW zoekt immers aansluiting bij het einde van de termijn genoemd in art. 7:629 lid 1 en Pro 2 BW. (…) Omdat het voor de 611-vergoeding gaat om de dag na die waarop de werkgever de arbeidsovereenkomst wegens arbeidsongeschiktheid van de werknemer de arbeidsovereenkomst zou kunnen (doen) beëindigen, moet daarvoor tevens aannemelijk zijn dat binnen 26 weken geen herstel zal plaatsvinden dan wel de bedongen arbeid in aangepaste vorm zal kunnen worden verricht, alsmede dat op dat moment herplaatsing in een andere, passende functie binnen een redelijke termijn al dan niet met behulp van scholing, niet mogelijk is of niet in de rede ligt (zie art. 7:669 lid 1 en Pro lid 3 aanhef en sub b BW; vgl. art. 5:2 van Pro het tot 1 januari 2015 vigerende Ontslagbesluit).Een 611-vergoeding zal, gelet op het vorenstaande, ook verschuldigd zijn wanneer de werkgever op 1 januari 2015 niet meer gehouden was tot loondoorbetaling, maar de re-integratiemogelijkheden van de werknemer op dat moment nog niet waren uitgeput. Dat de werkgever in deze situatie geen aanspraak heeft op compensatie, doet daar niet aan af(vgl. Ktr. Alkmaar 23 december 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:10491 en Ktr. Leeuwarden 21 februari 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:912).”
Xella-norm voor
alleslapende dienstverbanden geldt. Ook schrijft hij: [119]
Ik zou het ook erg onrechtvaardig vinden als het verkrijgen van compensatie van de transitievergoeding als voorwaarde wordt gezien voor het beëindigen van slapende dienstverbanden. Dat de wetgever heeft besloten dat de werkgever in een specifieke situatie géén recht heeft op compensatie (waar anderen dat wel hebben), zou dan worden tegengeworpen aan de werknemer. Als het ware wordt het gevolg van deze beslissing over een recht van de werkgever afgewenteld op de werknemer en komt de redenering van de werkgever dan populair gezegd op het volgende neer: ‘Omdat de wetgever het in mijn geval niet nodig of rechtvaardig vond om mij te compenseren, ben ik niet verplicht om jou een transitievergoeding te betalen’. Dat klinkt in mijn oren als een behoorlijk vreemde redenering.”
Xella-vergoeding.
Xella-norm. Zo overweegt het hof Amsterdam in een uitspraak van 16 februari 2021, die betrekking heeft op een diepslaper, het volgende: [121]
In het geval van [werknemer] is de loondoorbetalingsplicht geëindigd op 8 april 2013, ruim voor inwerkingtreding van de Wwz. [Werknemer] heeft derhalve uit hoofde van de Wwz geen recht op een transitievergoeding, reden waarom [werkgever] geen recht heeft op compensatie. Omdat uit de Xella-beschikking blijkt dat toepasselijkheid van de compensatieregeling een voorwaarde is voor toewijzing van de artikel 7:611 BW Pro-vordering kan [werknemer] uit dien hoofde geen aanspraak maken op de transitievergoeding.”
6.5 (…)
[dient] te worden aangesloten bij de hoogte van het bedrag dat de werkgever ingevolge de compensatieregeling op het UWV kan verhalen” leidt, anders dan de kantonrechter oordeelde en [verweerder] meent, niet tot de verplichting van Pax om ook mee te werken aan beëindiging van het dienstverband als zij geen compensatie ontvangt.
Uit het vervolg van die overweging (hiervoor weergegeven onder rov. 2.3) blijkt dat de strekking ervan is dat als een werkgever op basis van de wettelijke regeling een hogere transitievergoeding
zou moeten betalen dan hij via de compensatieregeling vergoed krijgt, hij zich daar niet op kan
beroepen ter beperking van zijn betalingsverplichting. Die overweging gaat er dus echter wel van uit dàt aanspraak bestaat op compensatie.
Xella-norm. [123] Het hof laat daarbij overigens in het midden of sprake is van een diepslaper of van een semi-diepslaper.
Xella-voorstel. Te noemen is de uitspraak van de kantonrechter Alkmaar van 23 december 2019 in de nu voorliggende zaak, [124] waarin de kantonrechter overwoog dat niet reeds voor 1 juli 2015 beëindigd had kunnen worden en waarin Werkneemster dus als een semi-diepslaper werd beschouwd.
Xella-voorstel van werknemer, als zij in aanmerking zou zijn gekomen voor de compensatieregeling (zie hiervoor onder 12.16).
Xella-norm, houdt mijns inziens geen stand.
Xella-norm heeft geformuleerd. Zij doet bovendien het meeste recht aan de wens van de wetgever, dat slapende dienstverbanden zoveel mogelijk moeten worden beëindigd. [127]
Xella-norm, moet er naar mijn mening toch van worden uitgegaan dat diepslapers jegens hun werkgever
geenaanspraak kunnen maken op betaling van de transitievergoeding of een daarmee gelijk te stellen vergoeding.
Xella-norm voor hen niet zou gelden, maar wel dat geen sprake is van een verplichting van de werkgever om een vergoeding te betalen. Uit de
Xella-norm volgt namelijk dat de aan de werknemer te betalen vergoeding niet hoger hoeft te zijn dan wat er aan transitievergoeding verschuldigd zou zijn bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst op de dag na die waarop de werkgever wegens arbeidsongeschiktheid van de werknemer de arbeidsovereenkomst zou kunnen (doen) beëindigen. Zie rov. 2.7.3 van de
Xella-uitspraak:
Daarbij geldt dat die vergoeding niet meer behoeft te bedragen dan hetgeen aan transitievergoeding verschuldigd zou zijn bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst op de dag na die waarop de werkgever wegens arbeidsongeschiktheid van de werknemer de arbeidsovereenkomst zou kunnen (doen) beëindigen.”
Xella-norm ook nihil is. [129]
Xella-norm van toepassing op alle slapende dienstverbanden en dus ook op diepslapers, maar in die specifieke gevallen hoeft geen beëindigingsvergoeding te worden betaald.
Xella-norm mijns inziens op alle slapende dienstverbanden van toepassing is, geldt dat ook voor de semi-diepslapers (bij wie de wachttijd al vóór 1 juli 2015 was verstreken, maar de bevoegdheid tot opzegging pas na die datum ontstond) en voor de verlate slapers (bij wie de wachttijd tot na 1 juli 2015 is verlengd).
Xella-norm er wél toe dat de werkgever gehouden is om in te stemmen met een voorstel tot beëindiging waarbij ook een vergoeding verschuldigd is.
Xella-uitspraak).
4.10. Het hof oordeelt dat de vraag of het dienstverband vóór of na 1 juli 2015 slapend is geworden, geen beantwoording behoeft omdat ook in het geval aangenomen moet worden dat de bevoegdheid tot opzegging aan de zijde van Ammeraal – en daarmee het slapend worden van het dienstverband – pas is ontstaan na 1 juli 2015, Ammeraal niet gehouden was het dienstverband met [geïntimeerde] op te zeggen onder toekenning van een transitievergoeding,omdatAmmeraal in het onderhavige geval, waarin het einde van de wachttijd is gelegen voor 1 juli 2015, geen aanspraak zou hebben kunnen maken op compensatie van (de gehele of een deel van) de transitievergoeding die zij in dat geval had moeten betalen. (…)”
Xella-uitspraak.
Xella-norm weliswaar niet afhankelijk is van het recht op compensatie van de werkgever, maar dat via de uitzondering die in de
Xella-uitspraak is aangenomen voor ‘een gerechtvaardigd belang van de werkgever bij instandhouding van de arbeidsovereenkomst’, toch tot het resultaat zou kunnen worden gekomen dat de werkgever zonder recht op compensatie, geen vergoeding hoeft te betalen.
Xella-uitspraak heeft overwogen:
Op dit uitgangspunt moet een uitzondering worden aanvaard als – op grond van door de werkgever te stellen en zo nodig te bewijzen omstandigheden – de werkgever een gerechtvaardigd belang heeft bij instandhouding van de arbeidsovereenkomst. Zo’n belang kan bijvoorbeeld gelegen zijn in reële re-integratiemogelijkheden voor de werknemer. Zo’n belang kan niet gelegen zijn in de omstandigheid dat de werknemer op het moment dat hij zijn beëindigingsvoorstel doet, de pensioengerechtigde leeftijd bijna heeft bereikt.”
Xella-uitspraak. Daarin stond het volgende: [132]
- i) het bestaan van reële re-integratiemogelijkheden voor de werknemer, waardoor de werkgever een belang heeft bij het in diensthouden van de werknemer;
- ii) (…)
- iii) het niet (geheel of gedeeltelijk) gecompenseerd zullen krijgen van de transitievergoeding.
- Hierbij zou een onderscheid kunnen worden gemaakt tussen omstandigheden (die debet zijn aan het niet of niet volledig gecompenseerd krijgen van de transitievergoeding) die in de risicosfeer van de werkgever liggen, en omstandigheden die in de risicosfeer van de werknemer liggen.
- iv) mogelijke andere belangen van de werkgever bij het in dienst houden van de werknemer, anders dan de enkele wens om de transitievergoeding niet te hoeven betalen.”
Xella-uitspraak deze conclusie getrokken. [134]
zo’n belangkanbijvoorbeeld gelegen zijn in (…)’.
Xella-uitspraak schreef ik ter toelichting op uitzondering (iii), dat een onderscheid zou kunnen worden gemaakt tussen omstandigheden (die debet zijn aan het niet of niet volledig gecompenseerd krijgen van de transitievergoeding) die in de risicosfeer van de werkgever liggen, en omstandigheden die in de risicosfeer van de werknemer liggen
.
niette hoeven instemmen met een
Xella-voorstel, ook niet indien veronderstellenderwijs zou worden aangenomen dat geen recht op compensatie bestaat (wat geenszins zeker is, zie onder 10.14).
Xella-uitspraak op nihil uitkomt (zie onder 12.26-12.28).
13.Slotsom
Xella-norm van toepassing op alle slapende dienstverbanden. Daarbij is niet relevant of in een concreet geval de werkgever recht heeft op compensatie door het UWV op de voet van art. 7:673e BW.
Xella-uitspraak echter niet ertoe dat de werkgever gehouden is om een vergoeding te betalen (zie onder 12.32).
Xella-verplichting ten volle (zie onder 12.33). Op grond van het goed werkgeverschap zijn hun werkgevers verplicht in te stemmen met een voorstel tot beëindiging onder betaling van een vergoeding die gelijk is aan de transitievergoeding die verschuldigd zou zijn bij beëindiging op de dag nadat de werkgever de arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschiktheid had kunnen beëindigen.
Xella-uitspraak aanvaardde uitzondering, indien de werkgever een gerechtvaardigd belang heeft bij instandhouding van de arbeidsovereenkomst, is niet categorisch van toepassing op gevallen waarin geen recht op compensatie bestaat (zie onder 12.49-12.51). Ook bij semi-diepslapers en verlate slapers valt het risico op het niet gecompenseerd krijgen van de transitievergoeding niet redelijkerwijs bij de werknemer te leggen.
Xella-norm. Althans, dat is
mogelijkhet geval. We weten immers niet of er inderdaad geen aanspraak op compensatie bestaat voor semi-diepslapers en voor verlate slapers (zie hoofdstuk 10).
Xella-uitspraak en mogelijkheden voor de werknemer die uit die uitspraak voortvloeien. [136] In die uitspraak overweegt de Hoge Raad dat de werkgever ‘
gehouden is in te stemmen met een voorstel’ enis niets overwogen over een informatieplicht. De
Xella-uitspraak geeft daarover dus geen uitsluitsel. Deze vraag laat ik hier onbesproken.
14.Bespreking van het cassatiemiddel
onjuiste toepassing artikel 7:673e lid 2 BW’ en richt zich met rechts- en motiveringsklachten tegen rov. 4.10-4.13. Allereerst wordt geklaagd dat het hof ten onrechte in het midden heeft gelaten of het dienstverband vóór of na 1 juli 2015 slapend is geworden. [137] Verder wordt geklaagd dat het hof heeft miskend dat art. 7:673e lid 2 BW slechts ziet op de
hoogtevan de compensatie en niet op het
rechtop compensatie. [138] Ook wordt geklaagd dat het hof deze bepaling onjuist en onbegrijpelijk heeft toegepast, omdat art. 7:673e lid 2 BW ‘
zich – tekstueel – niet richt tot werkgever en werknemer, maar enkel strekt tot het regelen van een vergoeding van de betaling van een transitievergoeding door een werkgever bij een beëindiging van een slapend dienstverband, en de bepaling daarom niet aan [Werkneemster] als werknemer kan worden tegengeworpen.’ [139]
onjuiste ambtshalve toepassing 7:673e lid 2 BW’ en bevat een aantal rechtsklachten. Volgens Werkneemster hebben partijen in hoger beroep geen beroep gedaan op art. 7:673e lid 2 BW ten faveure van Ammeraal en heeft het hof die bepaling in rov. 4.10-4.13 ambtshalve toegepast. Het hof heeft het beginsel van hoor en wederhoor geschonden, althans het beginsel van een goede procesorde, nu partijen zich in het bijzonder niet hebben kunnen uitlaten over de feitelijke vraag of de transitievergoeding nihil zou bedragen als het dienstverband eerst na 1 juli 2015 is gaan slapen, aldus de steller van het middel. Voor zover de rechtsgronden op de voet van art. 25 Rv Pro zijn aangevuld, heeft het hof miskend dat Ammeraal geen feitelijke grondslag heeft gesteld voor de conclusie van het hof dat de transitievergoeding nihil zou bedragen in geval het dienstverband na 1 juli 2015 is gaan slapen. Het hof heeft zijn oordeel gebaseerd op feiten en/of stellingen die geen deel uitmaken van het partijdebat en de (vernauwde) rechtsstrijd in hoger beroep, aldus Werkneemster in cassatie.
motiveringsklachten’. Dit onderdeel bevat de motiveringsklacht dat het hof onvoldoende inzichtelijk maakt dat de transitievergoeding die Werkneemster zou toekomen als haar dienstverband op verzoek van Ammeraal zou zijn beëindigd, nihil zou bedragen. Voor die stelling is ontoereikend dat het hof op de strekking van art. 7:673e lid 2 BW wijst, aangezien het hof in rov. 4.10 stilzwijgend tot uitgangspunt heeft willen nemen dat het dienstverband eerst als slapend moet worden aangemerkt na 1 juli 2015, en derhalve op grond van de wet bij opzegging van rechtswege recht bestaat op een transitievergoeding (art. 7:673 lid 1 sub a onder Pro 1 BW), terwijl in de grieven dat uitgangspunt niet is bestreden, aldus de klacht. Ook wordt geklaagd dat het hof niet zonder nadere motivering voorbij had mogen gaan aan het feit dat de arbeidsovereenkomst met Werkneemster na de uitspraak in eerste aanleg daadwerkelijk door Ammeraal is opgezegd.
feitelijkis opgezegd (waardoor er op grond van art. 7:673 lid 1 sub a onder Pro 1 BW aanspraak bestaat op de transitievergoeding), levert geen motiveringsgebrek op. Het hof heeft deze opzegging onder ogen gezien (rov. 4.3), maar heeft kennelijk geoordeeld dat deze omstandigheid door Werkneemster niet ten grondslag is gelegd aan haar vorderingen. Werkneemster verwijst in de procesinleiding in cassatie niet naar stellingen waaruit zou volgen dat dit deze uitleg van het hof onbegrijpelijk is. De klacht slaagt dus niet.
96. Indien uw Hof zou oordelen dat op grond van 7:611 BW en het Xella arrest geen beëindigingsplicht bestond voor Ammeraal (hoewel aan de vereisten van art. 7:669 lid 1 en Pro 3, aanhef en onder b, BW was voldaan) en uw Hof daarom zou oordelen dat Ammeraal niet verplicht kon worden om de arbeidsovereenkomst op te zeggen en de transitievergoeding te betalen aan [Werkneemster] en Ammeraal de arbeidsovereenkomst daarom heeft opgezegd onder invloed van een wilsgebrek als gevolg waarvan de opzegging vernietigbaar is, alsdan zal [Werkneemster] meewerken aan het intrekken van de opzegging. Er is dus geen reden om een dwangsom op te leggen, zoals door Ammeraal gevorderd.
97. Ammeraal heeft de transitievergoeding nog niet betaald (partijen hebben onderling afgesproken dat Ammeraal deze pas zal betalen indien uw Hof de uitspraak in eerste aanleg bekrachtigt) dus [Werkneemsters] hoeft deze niet terug te betalen indien uw Hof de uitspraak in eerste aanleg zou vernietigen. Ook kan dus geen sprake zijn van ongerechtvaardigde verrijking, zoals Ammeraal stelt in het petitum.”
alsnogniet anders zou kunnen oordelen dan dat de betaling die de werkgever aan de werknemer heeft gedaan toch terecht is gedaan, omdat de werkgever nu eenmaal de arbeidsovereenkomst hééft opgezegd zodat er in het wettelijke systeem recht op de vergoeding bestaat.