Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
in deze zaakgeen gewichtige redenen vormen. Dat oordeel, dat wellicht iets specifieker had kunnen worden uitgewerkt, is niet onbegrijpelijk in het licht van de gedingstukken en geeft evenmin blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De door rechthebbende aangevoerde argumenten zijn door de bewindvoerder zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gemotiveerd bestreden en worden door het hof (naar ik begrijp en mijns inziens terecht) aangemerkt als strubbelingen binnen de bewindvoering. Zo stelt de rechthebbende aanvankelijk dat er geen klik is, komt daar tijdens de zitting bij de rechtbank alweer op terug, maar herhaalt dat standpunt vervolgens wel weer in hoger beroep. Dat het hof dan ook niet heeft geoordeeld dat sprake is van een dusdanige verstoring van de onderlinge verhouding waardoor aanleiding is voor het ontslag, is dan ook niet onbegrijpelijk. Ook de klachten over het niet betalen van de facturen, het nalaten van het doen van bezwaar tegen de huurverhoging, het nalaten van de aanvraag voor bijzondere bijstand, het niet goed voorlichten over de huurtoeslag en het vakantiegeld heeft de bewindvoerder weerlegd in zijn brief van 15 juni 2020 aan het hof met toelichting over de situatie destijds. Eveneens is het oordeel van het hof dat de benoeming van Stichting Zonder Zorg tot mentor dit niet anders maakt, niet onbegrijpelijk. Die benoeming, de bereidverklaring van deze Stichting om tot bewindvoerder te worden benoemd en “het beter begrepen voelen en meer vertrouwen hebben in” deze Stichting door rechthebbende, betekenen niet zonder meer dat sprake is van dringende redenen in de zin van art. 1:448 lid 2 BW Pro, ook niet in samenhang gezien met de overige gestelde feiten en omstandigheden.