Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
Kamerstukken II1997-1998, 25 263, nr. 14, p. 6) [7] en op het ingetrokken wetsvoorstel verkeersongevallen. Dit wetsvoorstel voorzag in invoering van art. 7:658a (werkgeversaansprakelijkheid jegens een werknemer die schade heeft opgelopen bij een ongeval als bestuurder van een motorrijtuig) met een aan de bescherming van opdrachtnemers gewijd lid 3. [8]
ter bevordering van de eenheid van ondernemen alsook ter vergroting van de naamsbekendheid van [eiser] zelf”. Volgens [eiser] voerden beide bedrijven bovendien vaak, soms ook tegelijkertijd, klussen voor dezelfde opdrachtgevers uit. Het voorgaande komt overeen met het beeld dat [betrokkene 1] schetst in zijn verklaring van 23 december 2015 (productie 22 bij de memorie van antwoord in incident in het deelgeschil). [betrokkene 1] heeft verklaard:
[eiser][hof: [eiser] ]
werkte wel nog steeds veel voor [verweerster][hof: [verweerster] ]
en wij als personeel van [verweerster] liepen ook geregeld op bouwen die [eiser] zelf had aangenomen. Voor zover ik weet werden er gewoon rekeningen hiervan over en weer gestuurd. Er was dus sprake van dat ieder zijn eigen bedrijf had. Na verloop van tijd ging het met [verweerster] ’s bedrijf wat slechter (...). Niet omdat er geen werk meer voor [verweerster] ’s bedrijf was maar omdat er grote achterstanden waren op kantoor, [verweerster] niet kort genoeg op zijn tegoeden zat. [eiser] werkte gewoon door in zijn bedrijf (...) hij hielp zijn vader[hof: [verweerster] ]
wel dag en nacht achter de schermen met de incasso wat er uiteindelijk voor zorgde dat [verweerster] gewoon doordraaide met zijn bedrijf. (...) [eiser] bleef zijn eigen bedrijf aansturen en we werkten nog steeds voor elkaar als we altijd al deden (...)”
[eiser] hielp [verweerster] iedere dag op kantoor met de incasso en loste ook vaak de enigszins moeilijkere zaken op voor zijn vader als iemand een klacht had of moeilijk deed over betalen. [verweerster] daarintegen hielp [eiser] vaak weer om “net” een klus wel dan niet af te krijgen, reed dan vaak voegzand en steigers rond en verzette voor hem steigers zodat [eiser] zijn eigen jongens onbeperkt verder konden werken. Voor zover ik het kon zien ging en liep alles op deze manier goed.”
de werkzaamheden voor [eiser] en [verweerster] , de (wijze van uitvoering van de) werkzaamheden die [eiser] op 25 januari 2009 diende te verrichten en heeft verricht, de gemaakte werkafspraken en geldende instructies, de gemaakte keuzes, alsmede de (kennis van de) niet behoorlijk verzekerde bedrijfsauto van [verweerster]”. [eiser] heeft ook nog aangeboden meer informatie te geven over de toedracht van het ongeval, bewijs te leveren in het kader van de medische aspecten van de gevolgen van het ongeval en om zijn schade nader te onderbouwen (onder 143-146 bij memorie van grieven van 24 maart 2015). Gelet op wat is overwogen in rov. 5.4 zijn die bewijsaanbiedingen niet ter zake dienend, omdat dit bewijs er niet toe kan leiden dat het hof tot een ander oordeel komt. Om die reden zal het hof de bewijsaanbiedingen van [eiser] passeren.”
Inleiding en plan van behandeling
online-aankoop, maaltijdbezorging, thuisbezorging van boodschappen en dergelijke). De bezorgers, die zich daarbij op uiteenlopende wijzen verplaatsen (te voet, per fiets,
e-bike, scooter, auto of bestelwagen bijvoorbeeld), worden natuurlijk bij uitstek blootgesteld aan het verkeersrisico. Ook zij zijn lang niet altijd werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst; vaak is dat een overeenkomst van opdracht.
kwalificatie: gaat het inderdaad om een overeenkomst van opdracht of is toch sprake van een arbeidsovereenkomst? In het laatste geval geniet de werkende allerlei vormen van bescherming (ontslagbescherming, zorgplicht van de werkgever voor een veilige werkomgeving et cetera), bij een opdracht mist hij daarvan het nodige. Het heeft er alle schijn van dat opdrachtgevers daar soms bewust op aansturen en dat opdrachtnemers dat in een aantal gevallen laten gebeuren (omdat ze zich de consequenties niet realiseren of bijvoorbeeld denken, en dat niet zonder reden, dat verzet toch geen zin heeft). Niet voor niets wordt de vraag gesteld of in de huidige werkelijkheid niet sneller een arbeidsovereenkomst zou moeten worden aangenomen in het belang van degenen die de werkzaamheden verrichten. [11] Een andere benadering is ook mogelijk: het verkleinen van de verschillen tussen werken op basis van een arbeidsovereenkomst en het werken op basis van het statuut van een zelfstandige. [12]
niet uitgesloten” is dat de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid in de rechtsverhouding tussen een opdrachtgever en een opdrachtnemer die niet in een arbeidsrechtelijke verhouding staat tot die opdrachtgever onder omstandigheden meebrengt dat op de opdrachtgever een verzekeringsplicht rust die vergelijkbaar is met de verzekeringsplicht die die opdrachtgever op grond van art. 7:611 BW Pro jegens zijn werknemers heeft. Volgens Vivat miskent het hof hiermee dat het juist uitgesloten is dat op de opdrachtgever jegens de zelfstandig ondernemer een verzekeringsplicht rust die vergelijkbaar is met de verzekeringsplicht jegens een werknemer. Dat geldt volgens haar ook als de zelfstandig ondernemer zich in een vergelijkbare positie bevindt als een werknemer die werkzaam is in het bedrijf van de opdrachtgever.
[…] /Allspan, ga ik vervolgens in op de verruiming van het bereik van art. 7:658 BW Pro, die de wetgever met invoering van een vierde lid per 1 januari 1999 heeft gerealiseerd. Daarmee werd in ieder geval beoogd de in de rechtspraak ontwikkelde bescherming van bij derden tewerkgestelde en aan derden uitgeleende personen vast te leggen. De betekenis van art. 7:658 lid 4 BW Pro is echter, zo blijkt reeds uit de wetsgeschiedenis, niet beperkt tot die situaties. Zij kan zich ook uitstrekken over gevallen waarin er weliswaar geen arbeidsovereenkomst is, maar wel een andere overeenkomst. In de rechtspraak van Uw Raad, en dan in het bijzonder het arrest
[…] /Allspan, [18] is op dit punt meer duidelijkheid verschaft. In dit deel (randnummers 4.30-4.54) blijkt weliswaar dat ook zelfstandig ondernemers van de bescherming van art. 7:658 lid 4 BW Pro kunnen profiteren, maar dat dit uiteindelijk sterk van de omstandigheden van het geval afhankelijk is. Van een structurele bescherming is geen sprake.
4.Werkgeversaansprakelijkheid voor ongevallen
behoorlijke verzekering”. [27] Achtergrond van deze aanvullende bescherming is, kort gezegd, dat art. 7:658 BW Pro hier slechts beperkte betekenis heeft. De werkgever kan bij verkeersongevallen vanwege het ontbreken van zeggenschap immers zelden een schending van zijn zorgplicht worden verweten, [28] terwijl de werknemer in het verkeer wel reële risico’s loopt. Risico’s die, volgens Uw Raad, “
goed verzekerbaar zijn tegen betaalbare premies”. [29]
TNT/ […]en
Rooyse Wissel/ […]. In deze arresten van 11 november 2011 heeft Uw Raad paal en perk gesteld aan verdere uitbreiding van het bereik van de verzekeringsplicht ex art. 7:611 BW Pro. [39]
TNT/ […]-arrest ziet op de vraag of de verzekeringsplicht van de werkgever ook heeft te gelden voor gevallen waarin een werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden als voetganger op de openbare weg bij een eenzijdig ongeval schade oploopt. Uw Raad heeft deze vraag ontkennend beantwoord.
Rooyse Wissel/ […]-arrest, waarin het ging om een sociotherapeut die in een tbs-kliniek door een tbs’er was mishandeld, tot verkeersongevallen beperkt is gebleven. Anders dan het hof in die zaak, was Uw Raad van oordeel dat de verzekeringsplicht zich niet uitstrekt over andere arbeidsgerelateerde ongevallen. [42] Daarbij heeft Uw Raad aansluiting gezocht bij de toelichting die in
TNT/ […]is gegeven.
TNT/ […]en
Rooyse Wissel/ […]is, ook al is het resultaat (de in deze arresten gekozen beperking), zoals Uw Raad zelf ook aangeeft, tot op zekere hoogte arbitrair, [43] helder: ‘tot hier en niet verder’. [44] Verdere uitbreiding van de bescherming van werknemers, al dan niet via uitbreiding van het bereik van de verzekeringsplicht, valt buiten de rechtsvormende taak van Uw Raad en laat Uw Raad aan de wetgever over. [45]
Onderlinge/NN, waaruit kan worden afgeleid dat eventuele aansprakelijkheid van de werkgever wegens schending van de verzekeringsplicht ex art. 7:611 BW Pro in principe onder de dekking valt van de door de werkgever afgesloten aansprakelijkheidsverzekering (de AVB-polis). [46]
mogelijk dat tussen degene die de arbeid verricht en degene voor wie hij de arbeid verricht wel een overeenkomst is gesloten, zij het geen arbeidsovereenkomst. Men denke bijvoorbeeld aan bepaalde stageovereenkomsten. Vgl. Hof Arnhem 7 mei 1996, JAR 1996, 127.” [50] [cursivering van mij, A-G]
het hier moet gaan om werkzaamheden die de derde in het kader van de uitoefening van zijn beroep of bedrijf ook door eigen werknemers had kunnen laten verrichten. In het door de VVD-fractie genoemde geval is hiervan geen sprake.” [53] [cursivering van mij, AG]
[…] /Allspanvan 30 maart 2012 heeft Uw Raad de nodige duidelijkheid verschaft over de reikwijdte van lid 4. [58]
de persoondie het werk verricht. Bepalend is steeds of de opdrachtgever zeggenschap heeft over
diens veiligheid. [60]
[…] /Allspanopnieuw duidelijk aansluiting gezocht bij de parlementaire geschiedenis van art. 7:658 lid 4 BW Pro (randnummers 4.34-4.35). Bepalend is of, beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, het werk ook door eigen werknemers had kunnen worden verricht. Het gaat daarbij, gelet op het beschermingskarakter van het vierde lid, niet alleen om het werk dat tot de
core businessvan de opdrachtgever behoort:
[…] /Allspanis veel geschreven. [64] Het is in principe, zeker waar het de mogelijke bescherming van kleine zelfstandigen betreft, positief ontvangen. Wel wordt erop gewezen dat de zelfstandige ondernemer verschillende hobbels heeft te nemen, wil hij een succesvol beroep kunnen doen op art. 7:658 lid 4 BW Pro. [65] Daarbij gaat het niet alleen om de vraag of aan de twee in
[…] /Allspanuitgewerkte vereisten (de ‘instapvoorwaarden’) is voldaan. [66] In de literatuur wordt gesuggereerd dat ook als aan die vereisten is voldaan, de specifieke kennis van de ingehuurde zelfstandig ondernemer, eerder dan bij een werknemer, kan leiden tot de conclusie dat de opdrachtgever zijn zorgplicht ex art. 7:658 lid 1 BW Pro niet heeft geschonden. [67] In zo’n geval krijgt de zelfstandige alsnog nul op het rekest.
[…] /Allspanrichtinggevend. [72]
[…] /Allspanis bepalend. Of dat kader voor de zelfstandig ondernemer daadwerkelijk bescherming op basis van art. 7:658 BW Pro oplevert, is daarmee sterk van de omstandigheden van het geval afhankelijk. De omstandigheden van het geval zijn immers niet alleen beslissend voor het antwoord op de vraag of de opdrachtnemer voor de zorg voor zijn veiligheid (mede) afhankelijk is van de opdrachtgever (en dus in een vergelijkbare positie verkeert als werknemers), maar ook voor het antwoord op de vraag of hij zijn werkzaamheden heeft verricht in de uitoefening van het beroep of bedrijf van de opdrachtgever. Van een structurele bescherming van kleine zelfstandigen is dus geen sprake, maar dat kan Uw Raad moeilijk worden verweten. Deze onzekerheid over de vraag of de kleine zelfstandige in een concreet geval daadwerkelijk bescherming geniet, werkt naar mijn idee wel door bij het antwoord op de centrale vraag in de onderhavige zaak.
[…] /Allspan, levert bovendien geen structurele bescherming op, maar bescherming die sterk van de omstandigheden van het geval afhankelijk is, hetgeen nog meer klemt bij een door de opdrachtgever in acht te nemen verzekeringsplicht dan bij een zorgplicht voor de veiligheid. [82] Als Uw Raad die afhankelijkheid van de bescherming van de omstandigheden in de betrokken casus zou willen voorkomen, zou het pad van de rechtsvorming juist nog verder moeten worden bewandeld met alle risico’s (het openen van een nieuwe doos van Pandora bijvoorbeeld) van dien.
5.Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
nietuitgesloten heeft geacht dat een met de art. 7:611 BW Pro-verzekeringsplicht vergelijkbare verzekeringsplicht op de opdrachtgever rust (rov. 5.2), heeft kunnen oordelen dat in de zaak van [eiser] geen sprake was van zo’n verzekeringsplicht, omdat hij niet in een met de werknemers van zijn opdrachtgever vergelijkbare positie verkeerde.
6.Bespreking van het principaal cassatieberoep
[…] /Allspanheeft ontwikkeld ter invulling/afbakening van het eerste vereiste uit art. 7:658 lid 4 BW Pro (het moet gaan om een ‘persoon’ in de zin van lid 4). Daarmee heeft het hof duidelijk aansluiting gezocht bij
[…] /Allspan.Dat ligt ook voor de hand, omdat daar de opening ligt voor uitbreiding van het toepassingsbereik van regels die zijn ontwikkeld voor de verhouding werkgever-werknemer naar de verhouding tussen opdrachtgever-opdrachtnemer. Het verbaast daarom niet dat juist ook [eiser] , net als het hof, een beroep doet op het toetsingskader uit
[…] /Allspan. [90]
[…] /Allspan(randnummer 4.42). In dit regime is bepalend of de opdrachtgever zeggenschap heeft over de veiligheid van de opdrachtnemer. Of dat het geval is, hangt sterk af van de concrete omstandigheden van het geval (randnummers 4.42-4.43 hiervoor).
[…] /Allspan) niet is voldaan. Uit de motivering in rov. 5.4 blijkt dat het hof daarbij gewicht heeft toegekend aan de volgende omstandigheden:
[…] /Allspanheeft Uw Raad ter beoordeling van de vraag of de opdrachtnemer voor zijn veiligheid (mede) afhankelijk is van de opdrachtnemer enkele gezichtspunten genoemd, maar deze opsomming is niet limitatief bedoeld (randnummers 4.41 en 4.43 hiervoor). De feitenrechtspraak kan dus ook andere factoren bij de oordeelsvorming betrekken. Bij de weging van de verschillende relevante factoren in het gegeven geval heeft zij ook de ruimte; het is niet zo dat bepaalde factoren per definitie zwaarder wegen dan andere.
[…] /Allspangenoemde gezichtspunten, in het bijzonder bij de feitelijke verhouding tussen partijen en de mate waarin de opdrachtgever invloed heeft op de werkomstandigheden en veiligheid van de opdrachtnemer. Uit die omstandigheden kan moeilijk iets anders worden afgeleid dan dat het hof in feite heeft gemeend dat [verweerster] met betrekking tot [eiser] geen zeggenschap had, noch over zijn persoon noch over zijn veiligheid. Partijen wisselden over en weer werk uit en het uitvoeren van het werk geschiedde op basis van een gelijkwaardige relatie. Daarmee blijft voor [eiser] de poort van art. 7:658 lid 4 BW Pro gesloten. Dit oordeel van het hof spoort met het toetsingskader uit
[…] /Allspan.
moestgebruiken, althans dat hij daarover een uitdrukkelijke instructie had. Nu het hof de gelijkwaardige relatie tussen partijen en daarmee het ontbreken van zeggenschap bij [verweerster] , in iedere vorm, duidelijk centraal heeft gesteld, was het hof niet gehouden om nader op voornoemde stelling van [eiser] in te gaan. Het hof mocht op de door hem aangenomen grond het beroep op art. 7:658 lid 4 BW Pro afwijzen. Tot een nadere motivering was het hof niet verplicht.
[…] /Allspan, de omstandigheid dat de werkzaamheden van de opdrachtnemer ook door de werknemers van de opdrachtgever (hadden) kunnen worden uitgevoerd. In de zaak van [eiser] is het hof evenwel aan dit aspect niet toegekomen, omdat voor hem het doek al bij het eerste art. 7:658 lid 4 BW Pro-vereiste is gevallen: [eiser] is niet te vergelijken met de werknemers van [verweerster] , zodat hij als zelfstandige voor zijn eigen veiligheid en eventuele verzekeringsdekking had moeten zorgdragen.