Conclusie
,ten tijde van het opmaken van dit rapport als toxicoloog verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut (Algemeen dossier, pagina A43 e.v.).
,als arts en patholoog verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut, van 13 september 2016 (Algemeen dossier, pag A31 e.v.).
,als arts en patholoog verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg (proces verbaal terechtzitting van 22 en 23 februari 2018 en 1 maart 2018).
,opgemaakt door dr. F.R.W. van de Goot
,als arts en patholoog verbonden aan het Centrum voor Forensische Pathologie (los gevoegd).
%minder dan de oude berekening. Ik heb de stap toegevoegd waarop ik kritiek heb gehad, namelijk dat ik ben uitgegaan van plasma. En met deze nieuwe berekening kwam ik uit op zo’n 40 tot 80 milligram oxycodon. Ik kan u zeggen dat 350 nanogram per ml veel is.
:
Een onbekende derde. Onmiddellijk in aansluiting op de formulering van de maatstaf overweegt het hof: “Dat laatste [niet aannemelijk of hoogst onwaarschijnlijk; PV] geldt voor de door de verdediging geopperde mogelijkheid dat een onbekende derde aan [slachtoffer] oxycodon heeft toegediend.” De klacht bouwt voort op de stelling (2.11 van de schriftuur): “Voor zover de verdediging heeft betoogd dat het een andere
bekendepersoon kan zijn geweest, acht het hof die lezing niet aannemelijk dan wel hoogst onwaarschijnlijk.” De steller van het middel laat in het midden of de verdediging heeft betoogd dat de dader een andere
bekendepersoon was. Een vindplaats in de voor het hof voorgedragen pleitnota wordt niet genoemd. Van een stellige klacht is daarmee geen sprake. Overigens heb ik uit de pleitnota ook niet kunnen afleiden dat met zoveel woorden is gesteld dat de dader een andere
bekendepersoon dan de nog te bespreken bekende personen zou zijn. Daarmee ontbreekt ook de grondslag van de klacht. Het hof heeft gereageerd op het verweer dat een andere
onbekendepersoon de dader zou zijn gelet op de hierboven onder randnummer 5 geciteerde passage uit de pleitnota. Zoals ik eerder in de inleiding opmerkte, ontbreekt de onderbouwing van dit alternatief. De klacht faalt zowel wegens het ontbreken van de nodige stelligheid als vanwege het ontbreken van de grondslag. Er is zelfs nog een andere reden om de klacht te laten falen: de overweging van het hof laat zich ook goed zo lezen dat met onbekende derde ieder ander dan de nader te bespreken (bekende) personen wordt bedoeld. De klacht is dan vooral een woordenspel. Immers niet uitgesloten is dat een onbekende dader later alsnog een bekende van verdachte blijkt te zijn.
[betrokkene 2] (broer) of [betrokkene 5] (schoondochter slachtoffer).De stelling dat [betrokkene 2] of [betrokkene 5] mogelijk de oxycodon heeft toegediend acht het hof niet aannemelijk geworden. Het zijn volgens het hof louter theoretische mogelijkheden waarvoor een begin van onderbouwing ontbreekt. Volgens de steller van het middel (2.14) is het niet louter een theoretische mogelijkheid nu beiden bekenden zijn van het slachtoffer, over een sleutel van haar huis beschikken en [betrokkene 2] daderwetenschap heeft. Waarom het precies onbegrijpelijk is dat het kennen van het slachtoffer en de beschikking over de sleutel van het huis niet meer dan theoretisch de mogelijkheid scheppen van het toedienen van oxycodon wordt niet toegelicht. Ik vind het niet onbegrijpelijk. Of de wetenschap die [betrokkene 2] heeft ‘daderwetenschap’ is, laat het hof in het midden. Het hof acht de wetenschap van [betrokkene 2] over het slachtoffer kennelijk niet relevant, omdat deze verouderd is omdat er lange tijd geen contact was. Het hof heeft zich daarmee dus anders dan de steller van het middel meent wel uitgelaten over de bedoelde wetenschap, al dan niet daderwetenschap, van [betrokkene 2] . Dat die inmiddels oude wetenschap kennelijk volgens het hof niet relevant is, acht ik niet onbegrijpelijk. De steller van het middel merkt terecht op dat met het uitsluiten van [betrokkene 2] en [betrokkene 5] als daders nog geen daderschap van verdachte is bewezen. Dat heeft het hof niet miskend gelet op de overweging onder het kopje “Betrokkenheid van verdachten”.
[betrokkene 4] (de verzorger). Uiterst onwaarschijnlijk acht het hof dat hij oxycodon heeft toegediend als pijnstiller en nog onwaarschijnlijker dat hij dat middel heeft toegediend om het slachtoffer te doden. De steller van het middel is daardoor niet overtuigd (schriftuur van cassatie onder 2.15). Dat zal zo zijn, maar dat oordeel is van feitelijk aard en in cassatie niet aan de orde. Kennelijk anders dan de steller van het middel vind ik de argumentatie van het hof, zoals hiervoor geciteerd onder randnummer 14 niet onbegrijpelijk. Voor het overige wil ik niet in herhaling vallen.
[slachtoffer] (het slachtoffer).“Ten slotte is ook de stelling van het hof 'dat het niet [slachtoffer] zelf is geweest die de pillen heeft bemachtigd en ingenomen, maar dat die pillen haar zijn toegediend' wankel te noemen”, aldus de schriftuur van cassatie onder 2.16. De woordkeus (wankel) maakt dat de cassatieprocedure niet de juiste plaats is om dat te beoordelen. Het gaat om ontoereikendheid of onbegrijpelijkheid van de motivering van de uitsluiting van dit alternatief. Er worden verder vooral andere ook in feitelijke aanleg genoemde mogelijkheden herhaald, maar het hof heeft hier niet onbegrijpelijk anders geselecteerd en gewaardeerd.
minimaalsprake was van 40 mg oxycodon. Deze klacht hoeft geen verdere bespreking. De tweede reden wordt betwist (schriftuur 2.26) omdat het slachtoffer wel degelijk kort voor haar overlijden, te weten op 20 maart 2016, oxycodon was voorgeschreven. Het hof heeft kennelijk 20 maart 2016 niet aangemerkt als kort voor het overlijden op of omstreeks 12 juni 2016. Dat is gelet op het tijdsverloop van meer dan twee en een halve maand niet onbegrijpelijk.
31.Alle in het kader van eerste middelvoorgedragen klachten treffen geen doel.
Voorbedachte raad (middel 2)
38.De klachten in het tweede middel treffen geen doel.
derde middelis, gelet op HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914, terecht voorgesteld. De Hoge Raad kan bepalen dat in plaats van vervangende hechtenis telkens gijzeling van gelijke duur zal worden toegepast.