Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
3.Beoordeling van de namens de verdachte voorgestelde middelen
4.Slotsom
5.Beslissing
16 februari 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft het beroep in cassatie van een verdachte die werd veroordeeld voor doodslag op 12 maart 2011 in haar woning te Amsterdam. Het hof had bewezen verklaard dat de verdachte het slachtoffer met een scherp en zwaar voorwerp meerdere malen op het hoofd had geslagen, wat tot overlijden leidde. De bewijsvoering bestond uit verklaringen, camerabeelden, forensisch onderzoek, en onder meer een bloedspoor van het slachtoffer op de slipper van de verdachte.
De verdachte gaf wisselende en onwaarschijnlijke verklaringen over de toedracht, waarbij zij stelde dat een derde persoon het geweld had gepleegd en zij zelf de woning had verlaten uit angst. Het hof achtte het aannemelijk dat de verdachte tussen 14:35 en 15:57 uur het dodelijk letsel had toegebracht. De verdediging voerde onder meer aan dat de verdachte mogelijk eerder de woning had verlaten en dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het daderschap aan de verdachte kon worden toegerekend.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het daderschap aan de verdachte moest worden toegerekend, mede omdat het hof aannam dat een derde persoon de woning had verlaten terwijl de verdediging juist stelde dat deze persoon mogelijk nog aanwezig was. Ook was het hof uitgegaan van een tijdstip van verlaten van de woning dat niet zonder meer uit de bewijsmiddelen volgde. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest en verwees de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag voor hernieuwde behandeling en beslissing.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag voor hernieuwde behandeling.