Conclusie
4.Bewezenverklaring en bewijsvoering
B3);
B4)
B5);
B6);
B7);
C2en
C3)
de combinatievan een ernstig ziekelijk voorbelast hart, een hoog alcoholpromillage
ende aanwezigheid van minoxidil in het bloed. Het hof leidt tevens uit de hiervoor weergegeven conclusies en bevindingen af dat het (laten) innemen van de Minoxidil een onmiskenbare schakel kan hebben gevormd in hetgeen tot het overlijden van [slachtoffer] heeft geleid, alsmede dat ook aannemelijk is dat het overlijden van [slachtoffer] met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door het innemen van Minoxidil is veroorzaakt. Dat het zwakke hart en het hoge alcoholpromillage op zichzelf reeds tot de dood van [slachtoffer] hebben geleid, acht het hof gelet op de hiervoor weergegeven bevindingen van de deskundigen hoogst onwaarschijnlijk.
A3, D2 en D3)
D2 en D3)
D2en
D4)
D4 en D5)
B1en
D5)
B1)
A1en
A2)
A2,
C1 en C7)
E3)
C1en
C3)
C1, C2 en C8)
D1, D5 en D6)
C1, C4, C5, C6 en C8)
C1, C2, C8 en D1)
C1, C4, C7)
nietdoor [slachtoffer] werd gebruikt. [slachtoffer] zou zich dan ook hierin moeten hebben vergist, terwijl uit de bewijsmiddelen blijkt dat hij vlak voor zijn overlijden ook zijn gebruikelijke medicatie heeft geslikt.
5.Enkele algemene opmerkingen vooraf
6.Middel 2 en de klachten c1, c2 en c3 van middel 3
tweede middelheeft betrekking op de volgende passage uit bewijsoverweging E3.1:
het derde middel onder c2 en c3meen ik mede gelet op het voorgaande kort te kunnen zijn. De klacht onder c2 houdt in dat het Hof niet heeft gerespondeerd op het verweer dat er wereldwijd onvoldoende gevallen van vergiftiging door minoxidil bekend zijn om te kunnen zeggen wat een letale dosis minoxidil is. Voor het eerst in cassatie wordt daarbij een beroep gedaan op de rapportage van de toxicoloog Best van 23 maart 2011. Dat rapport, dat zich bij de gedingstukken bevindt, heeft betrekking op de vraag wat in het algemeen een letale dosis kan worden genoemd. Daarin wordt dus geabstraheerd van de “omstandigheden van het geval”. Het Hof heeft zich terecht wel op het concrete geval gericht en geoordeeld dat waarschijnlijk is dat de minoxidil in combinatie met de conditie van het hart en het alcoholpromillage letaal is geweest. Het gevoerde verweer deed derhalve niet ter zake. Reeds daarom kan van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt niet worden gesproken. De klacht onder c3 houdt in dat het Hof niet heeft gerespondeerd op het verweer dat niet “met de voor een strafrechtelijke veroordeling vereiste zekerheid” kan worden vastgesteld dat de dood is veroorzaakt door minoxidil. Voor zover het middel en het verweer mochten berusten op de opvatting dat niet voldoende is dat aannemelijk is dat de dood met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door de minoxidil is veroorzaakt, geldt dat die opvatting voor onjuist moet worden gehouden. Voor zover de te hanteren maatstaf niet wordt miskend, geldt dat het verweer zijn weerlegging vindt in het gemotiveerde oordeel van het Hof, dat ik niet onbegrijpelijk acht.
het derde middel onder c1vergt iets meer aandacht. Die klacht houdt in dat het Hof niet heeft gerespondeerd op het verweer dat niet mag worden uitgegaan van een bekende concentratie minoxidil in het lichaam van het slachtoffer. Deze klacht heeft goed beschouwd betrekking op twee te onderscheiden verweren. Het in de toelichting op de klacht als eerste genoemde verweer heeft betrekking op de beïnvloeding van het meetresultaat door postmortale processen. De aan het proces-verbaal van de zitting van 18 februari 2014 [10] gehechte pleitnota houdt daarover op p. 13 het volgende in:
postmortale processende Minoxidil gemeten. Het bloed dient immers zo spoedig mogelijk na overlijden te worden afgenomen, om herverdeling in het lichaam te voorkomen (pag. 5 rapportage Best d.d. 28 maart 2011). Het lichaam van [slachtoffer] is eerst geschouwd op bed (omgedraaid), naar Middelburg vervoerd en daarna naar Rijswijk; de obductie vond 1,5 dag later plaats. Niet ondenkbeeldig is dat door het verplaatsen en door het vervoer (trillingen) en door het tijdsverloop een bepaalde mate van herverdeling, ook naar het femoraal bloed (dit wordt immers niet uitgesloten door Best), plaats heeft gevonden. Dr Kubat schrijft hierover (d.d. 21-6-2011) dat zij niet kan aangeven in hoeverre diffusie van stoffen (en specifiek Minoxidil) vanuit de maag en/of darmen naar het bloed in het bekkenvaten optreedt (proces van redistributie). We moeten dus rekening houden met het proces van postmortale herverdeling en dus met de
reële mogelijkheid dat de waardes ten tijde van de sectie niet overeenkomen met het moment van overlijden.”
bekendeconcentratie (een waarde) Minoxidil in het femoraal bloed. Als er twijfels zijn, mogen we niet een gemiddelde nemen, of de hoogste, of de laagste, als enige juiste.”
7.Middel 1 en klacht c4 van middel 3
inde fles Rua Vieja heeft gezeten (rapportage NFI van der Hulst d.d. 25-10-201, pag. 772) wordt uitdrukkelijk weersproken. Door de methode van het op de kop houden om vloeistof op te vangen en weer neerzetten, wordt de inhoud gecontamineerd met de vloeistof aan de schenkrand/dop (rapportage ing. Bottema). Het NFI erkent dit uiteindelijk ook (e-mail Klaas Lusthof d.d. 28-3-2011). De rapportage heeft dus geen bewijswaarde (en bovendien is contra-onderzoek niet meer mogelijk!). Ik verzoek u deze rapportage uit te sluiten als bewijsmiddel.
microgram per milliliter! Dat zijn slechts sporen. Uit algemene informatie over de toegepaste LC-MS/MS-methode volgt zelfs dat de gevoeligheid kan liggen bij slechts enkele moleculen! Het enige wat het NFI rapporteert is ‘
aangetoond’. Echter verder zegt dit niets, geen concentratie en het kan niet gekoppeld worden aan enig handelen, laat staan van [verdachte].
het derde middel onder c4houdt in dat aldus een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen waarop het Hof had moeten reageren. Inderdaad doet de globale argumentatie waarmee het Hof het zelfmoord-scenario heeft verworpen, geen recht aan hetgeen daaraan door de verdediging ten grondslag is gelegd. Dat in het dossier “geen enkele aanwijzing” is te vinden voor dat scenario, is in het licht van hetgeen is aangevoerd niet direct begrijpelijk. Datzelfde geldt om andere reden voor de vaststelling dat zich in het dossier “geen enkele actuele informatie” bevindt waaruit blijkt dat het slachtoffer “op het moment van overlijden” depressief was. Het zou verbazingwekkend zijn als zich dergelijke informatie over de psychische gesteldheid van het slachtoffer op het moment waarop hij overleed, wel in het dossier aanwezig was. Waarom het gaat is, hoe groot de kans moet worden geacht dat het slachtoffer gezien zijn voorgeschiedenis en gezien de enorme hoeveelheid alcohol die hij had genuttigd, in een “vlaag van verstandsverbijstering” heeft besloten zich het leven te benemen. Dat hij volgens de dochter in Spanje vrolijk en in goede doen was, en volgens de zoon op de middag van zijn overlijden ook nog vrolijk en enthousiast was, zegt over die kans wel iets, maar, anders dan het Hof lijkt te menen, niet alles. De ervaring leert immers dat suïcide niet zelden voor de omstanders als een complete verrassing komt. Dat de zoon die middag niets gemerkt had aan het gedrag van zijn vader – hoewel die toen al behoorlijk ver heen moet zijn geweest – zou dan ook anders geduid kunnen worden. Bovendien is de vraag of al die eerdere vrolijkheid in de week daarvoor niet ook aan de alcohol moet worden toegeschreven. Objectief gezien lijkt er, als juist is wat de raadsman aanvoerde, voor het slachtoffer weinig reden tot vrolijkheid te zijn geweest.