Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerstemiddel houdt in dat het hof de bewezenverklaring van feit 2 voor zover inhoudend ‘tezamen en in vereniging met anderen’ niet toereikend heeft gemotiveerd.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 6 februari 2018, (…) gesloten op 17 mei 2018, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven:
* 1 tablet, APPLE, IPAD;
* 2 gouden armbanden;
* 1 gouden schakelketting;
* 1 gouden aansteker;
* 1 horloge van het merk Diesel;
* 1 horloge van het merk OMEGA;
* 1 dameshorloge;
* 1 videocamera;
* contant geld 600 euro;
* 1 APPLE-TV kastje;
* 1 gouden pen;
* 1 telefoon van het merk APPLE, IPHONE 5;
* 1 zonnebril van het merk RAYBAN;
* een sleutelbos.
(het hof begrijpt: [betrokkene 4] ).Hieruit maak ik op dat verdachte [betrokkene 3] de eerder genoemde aangehouden verdachten [betrokkene 4] en [verdachte] kent. Daarnaast wordt verdachte [betrokkene 2]
(het hof begrijpt: [betrokkene 2]) ook verdacht van een poging woninginbraak op de [b-straat 1] , die hij samen met [verdachte] gepleegd zou hebben.
(het hof begrijpt: [betrokkene 2] )afgeluisterd. Uit de gevoerde gesprekken bleek dat [betrokkene 2] met meerdere personen aan het inbreken was. De gesprekken waren zogenoemde groepsgesprekken waar tegelijkertijd meerdere personen deel aan kunnen nemen. Ook het mobiele nummer [telefoonnummer 3] nam deel aan dit gesprek en dit nummer werd gekoppeld aan [betrokkene 4] . In het groepsgesprek kwam nog een derde persoon naar voren genaamd [verdachte] . Ten slotte werd ook de naam genoemd van “ [betrokkene 3] ”. Na onderzoek bleek [betrokkene 3] een contact te zijn van zowel [verdachte] als van [betrokkene 4] .
het hof begrijpt: medeverdachte [betrokkene 4] )en de rest van de jongens in de belgroep. Ze wilden vragen of jij op de uitkijk wilde staan, voor de inbraak waar uiteindelijk [betrokkene 4] voor is gepakt?
(het hof begrijpt: [betrokkene 4] )wel gedaan dan? Stond hij met jou op de uitkijk?
NJ2018/310 m.nt. Wolswijk. [5] Deze verwijzing is in die zin minder toepasselijk, het hof realiseert zich dat ook, dat het in de onderhavige zaak niet gaat om een geval dat zich ‘kenmerkt door de omstandigheid dat kort na de diefstal de verdachte met een ander of anderen wordt aangetroffen in omstandigheden die op betrokkenheid bij de diefstal duiden’ (rov. 2.3.3). De verdachte is pas later aangehouden. [6] Dat neemt evenwel niet weg dat de procesopstelling van de verdachte ook in de onderhavige, volgens het hof ‘soortgelijke’, situatie een rol kan spelen. Dat blijkt onder meer uit het andere arrest dat het hof noemt, HR 24 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:662,
NJ2018/256 m.nt. Rozemond. In laatstgenoemd arrest overwoog Uw Raad:
tweedemiddel houdt in dat uit de bewijsvoering van feit 5 niet zonder meer zou kunnen worden afgeleid dat sprake is van het aanranden van de eer en/of goede naam van [betrokkene 6] , door tenlastelegging van een bepaald feit.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 21 april 2018, (…) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven:
(het hof begrijpt: het onder 3 ten laste gelegde feit).Een kopie van deze stukken zijn door zijn advocaat opgevraagd waardoor de stukken voor hem inzichtelijk zijn geweest.
BFK: dat) aan de bovenkant van de foto stond: “Snitch van [wijk] ”. Desgevraagd hoorde aangeefster van [betrokkene 7] dat een vriendin aan [betrokkene 7] had verteld dat deze snapchat afkomstig was van het snapchat-account van [verdachte] .
NJ2016/478 m.nt. Keijzer eerst de inhoud van rov. 3.4 uit voorgaand arrest, en overwoog vervolgens:
NJ2010/671 m.nt. Buruma heeft Uw Raad geoordeeld dat de uitlating ‘Wat moet je nou, mafkees’, geuit tegen een politiesurveillant, in de omstandigheden van het geval beledigend was. Bij het woord ‘mierenneuker’ was de context aanvankelijk onvoldoende duidelijk gemaakt, maar na cassatie volgde wederom een veroordeling, die in cassatie wel stand hield. [16] In HR 22 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3106,
NJ2012/44 m.nt. Schalken volgde cassatie omdat de op een openbaar internetforum geplaatste tekst ‘En aan meneer de agent die dit leest je moch gister zeker niet over je wijf heen’ in het algemeen niet beledigend werd geoordeeld en de door het hof vastgestelde context onvoldoende grond bood voor zijn oordeel dat niettemin sprake was van belediging. Ook in HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3247 werd gecasseerd. De verdachte had een neutrale, van haar facebookpagina afkomstige foto van een vrouw toegevoegd aan een filmpje waarop seksuele gedragingen van een andere vrouw te zien waren. Uw Raad stelde vast dat met betrekking tot de context waarin de afbeelding was geplaatst in het bijzonder niets was vastgesteld ‘omtrent het verband dat in het filmpje wordt gelegd of gesuggereerd tussen de getoonde foto van de aangeefster en het tonen van de door een andere vrouw verrichte seksuele gedragingen’.
NJ2009/541 m.nt. Reijntjes, inhoudend dat de door art. 261 Sr Pro vereiste gedraging een ‘verwerpelijk karakter’ moet hebben. ‘Anders kan de eer of naam van het slachtoffer door de 'tenlastelegging' (beschuldiging) ervan niet worden aangetast’. Knigge meent dat het zich in diskwalificerende zin uitlaten over een gedraging waarvan gelet op de context duidelijk is dat zij als zodanig niet verwerpelijk is, niet de telastlegging van een bepaald feit oplevert. [19] Annotator Reijntjes merkt op: ‘Kort en goed kan men zeggen: het dient iets te betreffen waarover de aangesprokene zich behoort te schamen. Maatschappelijke opvattingen zijn doorslaggevend; wat beledigend is wordt door tijd, plaats en slachtoffer bepaald!’ [20]
NJ2012/462 aan dat aan het woord ‘mierenneuker’ niet per definitie een negatieve lading toekomt, zo zou het begrip bij de eindredacteur van een krant zelfs ‘in positieve zin (kunnen) worden verstaan’ (randnummer 3). Zoals bij aanduiding van iemand als een mierenneuker van belang is waar de betrokkene precies in is, speelt bij de ‘verklikker’ een rol welke informatie met wie wordt gedeeld, en welke positie de beoordelaar inneemt. Kennis van de informatie die door betrokkene gedeeld is, en met wie, is derhalve van belang bij de beslissing of het aanmerken van de betrokkene als verklikker daadwerkelijk aan een aanranding van de eer of goede naam van betrokkene bijdraagt.
NJ2009/541 m.nt. Reijntjes, rov. 3.2.3).
derdemiddel klaagt dat de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 8] ten onrechte zou zijn toegewezen voor wat betreft de vergoeding van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, althans zou ’s hofs oordeel ten aanzien van die vordering getuigen van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd zijn.
NJ2019/379 m.nt. Vellinga, overwoog Uw Raad als volgt (met weglating van voetnoten): [26]
Schade
NJ2019/468 m.nt. Vellinga aan de orde was. Daarin waren de vorderingen van drie benadeelde partijen toegewezen tot bedragen van één keer € 338,- en twee keer € 275,-, waarvan telkens € 275,- ter vergoeding van geleden immateriële schade. In een bijlage bij het schadeopgaveformulier van één van de benadeelden was bij de immateriële schade onder het kopje ‘Psychische gevolgen’ gesteld dat de woninginbraak voor ‘veel onrust (had) gezorgd bij de benadeelde en zijn gezin’, dat de wetenschap dat vreemden in hun privé vertrekken waren geweest als ‘een forse inbreuk op hun privacy (was) ervaren’, dat het opruimen van het huis ‘heel confronterend’ was en dat de ontvreemde sieraden en horloges ‘een grote emotionele waarde’ vertegenwoordigden. Dat deze sieraden als ‘tastbare schakel van het verleden naar de toekomstige generaties’ waren verdwenen, deed benadeelde ‘echt verdriet’. Benadeelde had zich voorts ‘zorgen gemaakt om zijn vrouw’, hij ‘vond het naar dat hij zich niet meer helemaal veilig kon voelen in zijn eigen woning’. ‘Gevoelens van boosheid en onbegrip’ waren dan ook nog steeds aanwezig. Bijlagen bij de schadeopgaveformulieren van beide andere benadeelden bevatten een vergelijkbare onderbouwing van de immateriële schade. De raadsman had zich blijkens de overwegingen in het bevestigde vonnis gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de immateriële schade; deze was in het door het hof bevestigde vonnis door de rechtbank ‘naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid vastgesteld op € 275,-‘. Uw Raad overwoog dat ’s hofs kennelijk oordeel dat met betrekking tot de benadeelde partijen telkens sprake was van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW onjuist althans onbegrijpelijk was: