Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
11 oktober 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin verdachte werd veroordeeld voor smaad. Verdachte had posters met de tekst "[betrokkene] van Sandds B.V. is een postdief" op zijn woning gehangen, waarmee hij de goede naam van de postbezorgster aantastte.
Het hof oordeelde dat deze uiting een tenlastelegging van een bepaald feit opleverde zoals bedoeld in art. 261, eerste lid, Sr, namelijk dat de postbezorgster poststukken zou hebben gestolen tijdens haar werkzaamheden. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst op het onderscheid met eerdere jurisprudentie waarin algemene, onvoldoende geconcretiseerde gedragingen niet als bepaald feit werden aangemerkt.
Daarnaast werd een overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase vastgesteld, maar gezien de lichte straf (voorwaardelijke geldboete) en de mate van overschrijding werd hieraan geen rechtsgevolg verbonden.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee de veroordeling van verdachte wegens smaad.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor smaad met een voorwaardelijke geldboete van € 340.