Conclusie
eerste middelklaagt dat het hof bij de verwerping van het verweer dat strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de strafvervolging, een verkeerde maatstaf heeft toegepast door het verweer te toetsen aan de hand van de maatstaven die gelden voor een verweer in de zin van art. 359a Sv, terwijl de maatstaf uit het Karman-arrest had moeten worden toegepast. Aangevoerd wordt dat het oordeel van het hof blijk geeft van een “onjuiste rechtsopvatting […] ten aanzien van de zelfstandige betekenis van de ‘Karman-doctrine’ als grond voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie – naast de ernstige vormverzuimen die zich in het voorbereidend onderzoek kunnen voordoen” als bedoeld in art. 359a Sv.
tweede middelklaagt over de verwerping door het hof van het verweer dat strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de strafvervolging. Aangevoerd wordt dat “er veel meer mis was met het handelen van politie en justitie in de opsporingsfase dan het enkele feit dat het verhoor van de getuige [betrokkene 1] ten onrechte niet is opgenomen. Dat de verzuimen veel ernstiger waren, mag worden afgeleid uit het feit dat de officier van justitie werd berispt voor haar tekortschieten. Zou het alleen zijn gegaan om een niet-opgenomen verhoor, dan was er nooit een berisping uitgesproken.”
derde middelklaagt over de bewijsvoering van het bewezenverklaarde opzet op het van het leven beroven van [slachtoffer] . Aangevoerd wordt dat de verdachte en zijn medeverdachten “niet naar Gees waren gekomen om de bewoner van het leven te beroven.” Hieraan wordt toegevoegd dat de dood “niet een (beoogd) gevolg van het handelen” was en het opzet van het handelen daar niet op was gericht. In plaats van gekwalificeerde doodslag, was er (hooguit) sprake van gekwalificeerde diefstal, als bedoeld in art. 312, derde lid, Sr, of van gekwalificeerde afpersing, als bedoeld in art. 317, eerste en derde lid Sr jo. art. 312, derde lid, Sr.
primair:
Bewijsoverwegingen
[verdachte] is mij toen op komen halen, samen met [medeverdachte 1] en toen zijn we richting Gees gereden. Een paar dagen voor de overval werd ik door [verdachte] benaderd om een ‘tori’ (
vierde middelklaagt over de bewijsvoering van het voor gekwalificeerde doodslag vereiste oogmerk. Uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen zou “geen enkele intentie” blijken “waar het betreft het gebruik van geweld/de doodslag”. Afgaande op de bewijsmiddelen lijkt het bij de dood van [slachtoffer] te gaan om “volstrekt zinloos geweld”, zo wordt aangevoerd, wat “niet (zonder meer) op een specifieke intentie” duidt. Daarnaast wordt een drietal mogelijke verklaringen gegeven voor de manier waarop het hof het voor het bewijs van gekwalificeerde doodslag vereiste oogmerk zou hebben uitgelegd. Ten eerste zou het hof mogelijk van oordeel zijn dat aan het bewijs van oogmerk geen eisen worden gesteld, ten tweede zou het voor het hof voldoende kunnen zijn geweest dat doodslag bewezen wordt verklaard, en ten derde zou een “specifieke motivering” die is “toegespitst op het doel waarmee werd gehandeld” door het hof niet zijn vereist of besloten liggen “in de omschrijving van de veronderstelde doelen waarmee zou zijn gehandeld.” In al deze drie gevallen geeft het oordeel van het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting en/of is het onbegrijpelijk.
Het oogmerk van begunstiging dan wel vergemakkelijking van de diefstal
vijfde middelstelt de vraag aan de orde of aan een van de voorwaarden is voldaan die in art. 37a Sr worden gesteld aan het opleggen van, kort gezegd, de TBS-maatregel. Aangevoerd wordt dat het oordeel van het hof, dat “bij verzoeker sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en dat deze ook aanwezig was ten tijde van het bewezenverklaarde feit” en “dat deze gebrekkige ontwikkeling de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde feit heeft beïnvloed”, blijk geeft van een verkeerde rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk is.
- 1°.het door hem begane feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld dan wel behoort tot een der misdrijven omschreven in de artikelen 132, 285, eerste lid, 285b, en 395 van het Wetboek van Strafrecht, 175, tweede lid, onderdeel b, of derde lid in verbinding met het eerste lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994, en 11, tweede lid, van de Opiumwet, en
- 2°.de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eist.
Strafbaarheid van de verdachte
zesde middelklaagt over de door het hof gegeven last dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en het bevel dat hij van overheidswege zal worden verpleegd, kortheidshalve aangeduid als de maatregel van TBS met verpleging van overheidswege (hierna: de TBS-maatregel). Het opleggen van de maatregel zou in strijd zijn met het in art. 6, eerste lid, EVRM gegarandeerde recht op een eerlijk proces en het daarin besloten recht op hoor en wederhoor. Aangevoerd wordt dat de maatregel is opgelegd terwijl, ik citeer:
Oplegging van TBS-maatregel
PBC
De advocaat-generaalvoert in aanvulling op zijn schriftelijke reactie aan: […]
advocaat-generaalreageert dat het voor de hand had gelegen om dit voornemen in zijn brief van 4 oktober jl. te vermelden, maar dat hij op een later moment tot het inzicht is gekomen om deze vordering te doen.”
wijst af de vordering van de advocaat-generaalom verdachte voor een
hernieuwde observatiete doen overbrengen naar het Pieter Baan Centrum teneinde aldaar onderzoek te laten verrichten naar de geestvermogens van verdachte. De verdediging heeft per mail van 24 oktober 2018 laten weten dat verdachte wederom niet zal meewerken aan een dergelijk gedragskundig onderzoek. Uit verkregen informatie van het Pieter Baan Centrum bij email van de in deze zaak eerder gerapporteerd hebbende klinisch psycholoog [betrokkene 7] , blijkt dat onder deze omstandigheden in deze zaak een hernieuwde opname geen meerwaarde heeft. Wegens dit gemis aan toegevoegde waarde acht het hof een hernieuwde observatie niet noodzakelijk.”
voorzitterdeelt mee de ingekomen stukken die na 25 oktober 2018 bij het hof zijn binnengekomen, waaronder: […] - een e-mail van het PBC, inhoudende dat een nieuwe opname van [de verdachte] geen toegevoegde waarde heeft.”
Persoonlijke omstandigheden [van de verdachte]
voorzitterbespreekt de persoonlijke omstandigheden van [de verdachte], waaronder een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 16 mei 2019, een reclasseringsrapport van 24 september 2018, 8 december 2016, het trajectconsult van het NIFP van 1 november 2016 en de rapportage Pro Justitia van het Pieter Baan Centrum van 12 september 2017.
advocaat-generaalen
mr. Van der Werfde gelegenheid om [de verdachte] vragen over zijn persoonlijke omstandigheden te stellen. Zij geven aan van deze gelegenheid geen gebruik te maken.”
€ 27.727,48 (zevenentwintigduizend zevenhonderdzevenentwintig euro en achtenveertig cent) bestaande uit € 2.727,48 (tweeduizend zevenhonderdzevenentwintig euro en achtenveertig cent) materiële schade en € 25.000,- (vijfentwintigduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededaders) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
De vordering