Conclusie
Inleiding
Bewijsvoering
het hof begrijpt: gemeente [plaats]). Toen we vanaf de boerderij van ‘ [A] ’ richting de andere boerderij liepen op de openbare weg, verscheen er al vloekend en tierend een man, deze man kwam van links op ons afgelopen. De man riep "Sodemieter op, donder op, kom niet weer, ik wil jullie niet meer zien".
feit 1 tenlastegelegdeantwoordt de verdachte:
U houdt mij de korte inhoud van de door aangeefster [aangeefster] en getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] afgelegde verklaringen voor. Dat ik er ‘vol gas achteraan ging’ kan niet, want ik rijd nooit harder dan 10 of 12 kilometer per uur. Mijn zoon reed op datzelfde moment trouwens ook op een tractor. Hij moest wachten tot die groep voorbij was en maakte daarna een slinger om achterwaarts te gaan. Hij kan ook degene zijn geweest waarover die aangever en getuigen hebben verklaard. Nogmaals: ik kan me voorstellen dat zij een tractor die lawaai maakt indrukwekkend vinden, maar ik deed gewoon mijn werk en ik zal waarschijnlijk alleen gas hebben gegeven om de lading te verhogen, niet om mijn snelheid te verhogen. Ik herken me echt niet in het beeld dat geschetst wordt, dat ik die groep met opzet bang zou hebben gemaakt.
U houdt mij voor dal getuige [betrokkene 1] heeft verklaard dat de tractor met een noodgang in hun richting reed. Ik kan geen 40 kilometer per uur rijden op mijn erf. U vraagt mij of ik degene was die met de tractor tussen de groepjes wandelaars reed. Nee, ik was degene die voorop reed. Ik reed voor die groep uit. Mijn zoon reed er met de voerwagen tussen, hij moest wachten totdat hij er langs kon.
U houdt mij voor dat ik de enige hen die over twee tractoren verklaart: alle door de politie gehoorde getuigen hebben het over slechts één tractor. Dat is raar, want er waren er gewoon twee.
U vraagt mij of ik, zoals meerdere getuigen hebben verklaard, vloekend en tierend op de groep ben afgelopen. Ik ben mijn tractor niet uit geweest. Hoewel, het is inmiddels al even geleden, misschien kan ik me niet alles meer even goed voor de geest halen.
U vraagt mij of ik iets tegen de groep heb gezegd. Op het moment dat ik daar reed en achteruit moest heb ik volgens mij gezegd dat ze moesten wachten of moesten opletten. Ik heb misschien ook wel een keer gevloekt, maar u moet weten dat ik ook het nodige over me heen heb gekregen. Als ik daar reed werd ik voortdurend uitgemaakt voor milieuvervuiler en strontboer.
U houdt mij voor dat aangeefster [aangeefster] heeft verklaard dat een man vloekend en tierend op hen afliep en dat deze man later op de groep dames afreed. Op mijn bedrijf werken zes werknemers en die dragen allemaal dezelfde overall. Ik heb zes tractoren, die zijn allemaal groen. Mijn eigen vrouw kan van een afstand al niet zien of ik op de tractor zit of iemand anders.
U merkt op dat de voorbijgangers dachten dat zij op een openbare weg lopen en vraagt mij waarom ik tegen hen begon te vloeken. Omdat die mensen ineens stijf naast je tractor staan.
U vraagt mij of dat op 26 november 2019 ook het geval was. Ja, bij die [aangeefster] was dat ook het geval. Heel veel wandelaars en fietsers blijven niet gewoon op de weg, maar lopen of fietsen over het bedrijventerrein.
U houdt mij voor dat deze groep dames gewoon over de weg liep. U vraagt mij of ik heb gezegd dat zij moesten opdonderen en/of hen ‘domme dozen’ heb genoemd. Ik zal best iets hebben geroepen wat niet netjes was, maar dat was niet bedreigend bedoeld. Als zij dat hebben gehoord, dan hebben ze dat gehoord. Ik kan er niet zo veel mee. Ik weet niet meer wat ik twee jaar geleden precies tegen wie heb gezegd.
onder feit 2 tenlastegelegdeantwoordt de verdachte:
U houdt mij voor dat aangever [aangever 2] en getuige [betrokkene 3] niet hebben verklaard dat zij bij de schuur stonden te wachten. Volgens [betrokkene 3] liepen zij, zagen zij een tractor rijden, liepen zij door en reed de tractor rakelings langs [aangever 2] , liep zij weg omdat zij bang was en reed de tractor achteruit op hen af. Dat achteruit rijden is hooguit één of anderhalve meter geweest, en dat deed ik om de bocht te kunnen maken. Er liepen toen geen mensen. Ik heb heel goed zicht vanaf de tractor. [aangever 2] liep er wel zes meter achter.
U houdt mij voor dat u wel wil aannemen dat ik vanaf de tractor alles goed kan zien, maar dat andere mensen dat mogelijk niet weten en daarom schrikken als ik plotseling achteruit rijd. Ik kan me niet voorstellen dat zij daarvan schrikken, want dat gaat niet hard.
U houdt mij voor dat [aangever 2] heeft verklaard dat ik de woorden "ik rijd je plat " tegen hem heb gezegd. Nee, dat heb ik niet gezegd. Ik heb alleen gezegd wat ik net al aangaf.
Het derde middel en de bespreking daarvan
Het eerste middel en de bespreking daarvan
Het tweede en het vierde middel en de bespreking daarvan
V: Heeft de boer de intentie gehad om jullie aan te rijden?
A: Nou, dan moet je wel heel gek zijn. Hij was dreigend, ik vond dat angstig.”
VI.Het vijfde middel en de bespreking daarvan
Oplegging van straf en/of maatregel
afwegingis aan hem voorbehouden en zijn oordeel
daaroverbehoeft geen motivering, aldus Van Dorst & Borgers (
a.w., p. 360) onder verwijzing naar onder meer HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7805 en HR 15 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:46,
NJ2019/60. Wel dienen de factoren ter sprake te zijn gekomen op de terechtzitting, aldus de Hoge Raad in laatstgenoemd arrest.
inrijdenop een persoon als bedoeld in de LOVS-oriëntatiepunten, zulks terwijl het in het onderhavige geval gaat om het
toerijdenop een persoon;
Slotsom