Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerstemiddel klaagt dat ’s hofs oordeel dat de verdachte als gebruiker van de woning zich bewust is geweest van de aanwezigheid van en heeft kunnen beschikken over het vuurwapen en de munitie en dat hij die goederen derhalve voorhanden heeft gehad, niet zonder meer uit de bewijsmiddelen kan volgen althans niet zonder meer begrijpelijk is. Voorts zou de bewezenverklaring voor zover inhoudend dat de verdachte de amfetamine opzettelijk aanwezig heeft gehad, zo begrijp ik, onvoldoende met redenen zijn omkleed.
ten aanzien van het in strafzaak A onder 1 ten laste gelegde:
De bewijsmiddelen ter zake van het in strafzaak A onder 1 en 2 bewezen verklaarde:
als mededeling van verbalisant:
als mededeling van verbalisant:
mededeling van verbalisant:
NJ2020/251 m.nt. Sackers het volgende overwogen: [1]
NJ1999/537 m.nt. Schalken had het hof vastgesteld dat tijdens een doorzoeking in de woning van de verdachte in een kledingkast in de slaapkamer een vuurwapen met daarin munitie werd aangetroffen in een blauw colbert. De verdachte had op de terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij wist dat er wapens in zijn huis waren aangetroffen, onder andere in de woonkamer, in zijn slaapkamer en in de slaapkamer van zijn zoon, dat hij niet wist dat deze wapens in zijn huis lagen en dat het blauwe colbertjasje waarin ook een wapen was aangetroffen niet van hem was. Hij had voorts verklaard dat hij ook niet wist dat zijn zoon zich met wapens bezighield en dat zijn zoon een gevangenisstraf van acht jaar opgelegd had gekregen. Uw Raad oordeelde dat uitgaande van de vaststellingen van het hof en in aanmerking genomen hetgeen door en namens de verdachte was aangevoerd, het kennelijk oordeel van het hof dat sprak was geweest van een meer of mindere mate van bewustheid bij de verdachte omtrent de aanwezigheid van het vuurwapen en de munitie niet zonder meer begrijpelijk was, zodat de bewezenverklaring in zoverre niet naar de eis der wet met redenen was omkleed.
NJ2019/164 was tijdens een doorzoeking van een woning bijna 4,6 miljoen cash gevonden. Daarnaast was in een koffer in de klerenkast in de slaapkamer van het pand een automatisch wapen en munitie aangetroffen. De verdachte was de huurder van de woning. Hij had verklaard dat hij met de verhuurder had afgesproken om voor een bepaald bedrag de woning te huren onder de voorwaarde dat hij er dan alleen gebruik van kon maken, zonder dat er anderen kwamen. Het hof verklaarde ten laste van de verdachte bewezen dat hij het vuurwapen en de munitie voorhanden had gehad. Daarbij overwoog het hof dat op grond van algemene ervaringsregels kan worden aangenomen dat verdachte als huurder van de woning bekend was met de aanwezigheid van het wapen en de munitie, terwijl bovendien niet aannemelijk was geworden dat derden/de verhuurder het wapen en de munitie daar zou(den) hebben neergelegd. Het hof liet bij zijn oordeel als bijzondere omstandigheid meewegen ‘de enorme hoeveelheid opgeslagen contant geld in de woning, waar de verdachte wetenschap van had’. Daaruit leidde het hof af dat ‘er kennelijk vanuit beveiligingsoogpunt voor is gekozen in de woning ook een vuurwapen voorhanden te hebben’. Uw Raad deed het middel, waarmee onder meer werd geklaagd over de bewijsvoering inzake de aanwezigheid van een ‘meerdere of mindere mate’ van bewustheid bij de verdachte, af met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering.
tweedemiddel klaagt dat de inzendtermijn is geschonden, en dat dit tot strafverlaging dient te leiden.