Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
relaas van verbalisant [verbalisant 1]:
verklaring van getuige [betrokkene 4]:
relaas van verbalisant [verbalisant 2]:
kennisgeving van inbeslagneming(…), voor zover inhoudende:
Volgnummer 2
Goednummer : PL2000-2-14235597-1226733
Object : Munitie (Patroon)
relaas van verbalisant [verbalisant 2]:
het hof begrijpt: op 13 oktober 2014), naast dit bed werd de tas met daarin het vuurwapen aangetroffen. Verdachte [verdachte] (
het hof begrijpt: [verdachte], verdachte) vertelde mij dat hij in dit bed sliep wanneer hij niet met zijn kermisattractie op locatie stond.
foto’s(…), welke foto’s aan deze aanvulling bewijsmiddelen zijn gehecht en daarvan deel uitmaken en waarop het hof het volgende waarneemt:
weergave van het verhoor van verdachte:
A: Antwoord verdachte
V: Hoe heet hij?
weergave van het verhoor van verdachte [betrokkene 3](
het hof begrijpt: [betrokkene 3], de broer van verdachte):
A: Antwoord verdachte
relaas van verbalisant [verbalisant 5]:
Omschrijving pistool:
Omschrijving munitie:
Uit het vonnis van de politierechter blijkt welke bewijsmiddelen de politierechter heeft gebezigd voor het bewijs. Ik wil een paar dingen met u doornemen, buiten de nieuwe verklaring van uw broer [betrokkene 3]. De gemeente ambtenaar betreedt het perceel en het slaapgedeelte van het perceel in [plaats]. U woonde daar toen?
Ik stond daar ingeschreven, ik verbleef daar wel als ik niet op pad was als kermisexploitant.
Men ziet een zwart tasje op de grond liggen, in de kamer die is ingericht als slaapvertrek. Een dergelijk tasje is eerder aangetroffen bij hennepkwekerijen, toen met een vuurwapen erin. Er is een andere verbalisant bij gehaald. Het tasje is in beslag genomen. Er bleek een pistool in te zitten, nog half geladen. Die verbalisant zegt dat het tasje op de grond rechts naast het bed lag. Foto’s zijn opgenomen op pagina 128 van het politiedossier. Het pistool is onderzocht, daarvan zit een proces-verbaal in het dossier. Het betreft een Centraalvuur pistool, kaliber 9mm, een voorwerp waarmee je kan schieten. Op pagina 200 van het politiedossier is te lezen dat er proefschoten mee zijn gedaan. Het wapen functioneerde naar behoren. Het wapen verkeerde in goede staat van onderhoud. Er kan semiautomatisch mee worden geschoten. De patronen waren ook ontwikkeld daarvoor. Die mag je niet hebben. In die slaapkamer stonden meerdere bedden, maar één bed was beslapen. Daar werd het tasje aangetroffen. U, verdachte, zou tegen de verbalisant hebben gezegd dat u in dat bed sliep als u niet met de kermisattractie op locatie stond.
U bent samen met uw broer eigenaar van het pand. Uw broer is ook door de politie gehoord. Op pagina 94 van het politiedossier verklaart hij dat hij bij zijn moeder komt koffiedrinken en op het kantoortje komt, verder nergens in het pand. Op pagina 96 van het politiedossier verklaart hij: “In het slaapgedeelte is een stapelbed. Het bovenste bed is van mij.” Op de vraag wie er nog meer slaapt verklaart hij: “Ik neem aan mijn broer.”.
Hij wordt ook bevraagd over het wapen, op pagina 96 van het politiedossier, en verklaart: “Ik ken het wapen niet.”
Dan wordt uw broer gehoord op 9 juli 2019 bij de raadsheer-commissaris. Dan wordt hem de foto van het wapen op pagina 198 van het politiedossier getoond en hem gevraagd of hij het wapen kent. Daarop verklaart hij: “Ik antwoord daarop, dat ik dat wapen ken en dat het het wapen is dat mijn vader en ik hebben gekregen toen wij met de kermis in het buitenland waren. Ik denk dat wij toen in Polen waren en dat het zo’n 10 of 12 jaar geleden was. (...) Het wapen behoort niet toe aan mijn broer. U vraagt mij hoe het wapen terecht is gekomen in de ruimte waar het is gevonden, te weten de ruimte aan de achterzijde op de bovenverdieping van de loods. Ik denk dat ik het wapen een keer in mijn handen heb gehad en daar heb neergelegd. De betreffende ruimte fungeert als een soort zolderkamer, het is een soort rommelhok waar het ook altijd handig is om te overnachten als dat nodig is. In het begin vonden we het wel mooi een wapen te hebben, maar daarna is het in de vergetelheid geraakt. We hebben het wapen nooit bij ons en er is nooit mee geschoten. Het is waarschijnlijk met het wapen net zo gegaan als met de twee oude geweren die we nog hebben van de schietkraam: die liggen daar ook in die ruimte, volgens mij bovenop een kast, en we doen er niets mee. Het moet mijn broer niet aangerekend worden dat het wapen daar lag. Als iemand iets te verwijten zou zijn, zou dat aan mijn vader of mijzelf zijn.”.
NJ1999/537 en HR 5 februari 1980, ECLI:NL:HR:1980:AB742,
NJ1980/342, in welke zaken volgens de steller van het middel in wezen dezelfde (belastende) aanwijzingen bestonden tegen een medebewoner als tegen de verdachte zelf. Voorts voert de steller van het middel aan dat het enkele feit dat het tasje waarin het wapen is aangetroffen binnen handbereik lag van de persoon die het beslapen bed gebruikte, onvoldoende is om vast te kunnen stellen dat die persoon zich ook bewust was van de aanwezigheid van het wapen. De omstandigheid dat het tasje met daarin het wapen in de gedeelde slaapkamer aanwezig was, zou even incriminerend voor de gebruiker van het beslapen bed zijn als voor de gebruiker van het andere bed in de kamer. Het hof zou in ‘deze Meer- en Vaart-achtige situatie’ onvoldoende onderzoek hebben gedaan naar de werkelijke gang van zaken met betrekking tot het tasje met daarin het wapen.
NJ2020/251 m.nt. Sackers het volgende overwogen: [1]
NJ1999/537 m.nt. Schalken had het hof vastgesteld dat tijdens een doorzoeking in de woning van de verdachte in een kledingkast in de slaapkamer een vuurwapen met daarin munitie in een blauw colbert was aangetroffen. De verdachte had op de terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij wist dat er wapens in zijn huis waren aangetroffen, onder andere in de woonkamer, in zijn slaapkamer en in de slaapkamer van zijn zoon, dat hij niet wist dat deze wapens in zijn huis lagen en dat het blauwe colbertjasje, waarin ook een wapen was aangetroffen, niet van hem was. Hij had voorts verklaard dat hij ook niet wist dat zijn zoon zich met wapens bezighield. En dat zijn zoon een gevangenisstraf van acht jaar opgelegd had gekregen. Uw Raad overwoog dat uitgaande van ‘s hofs vaststellingen en in aanmerking genomen hetgeen door en namens de verdachte was aangevoerd, het kennelijk oordeel van het hof dat sprak was geweest van een meer of mindere mate van bewustheid bij de verdachte omtrent de aanwezigheid van het vuurwapen en de munitie niet zonder meer begrijpelijk was, zodat de bewezenverklaring in zoverre niet naar de eis der wet met redenen was omkleed.
NJ1980/342 was de verdachte veroordeeld wegens het opzettelijk aanwezig hebben van heroïne. De heroïne was in de dakgoot gevonden die enkel bereikbaar was via de zolderkamer die door de verdachte werd bewoond. De verdachte gebruikte de dakgoot, zo had hij verklaard, ook als bewaarplaats. De heroïne was verpakt in WC-papier, terwijl soortgelijk WC-papier op de zolderkamer van de verdachte was aangetroffen. In cassatie werd onder meer aangevoerd dat het hof voorbij was gegaan aan het verweer dat de verdachte de kamer bewoonde samen met Lorette W. en dat zij evenzeer als verdachte had kunnen worden aangemerkt. Beiden gebruikten zij – aldus het verweer - heroïne of handelden daarin, beiden gebruikten zij de dakgoot als bewaarplaats, beiden hadden zij een sleutel van de kamer en beiden konden zij over het roze toiletpapier beschikken waarin de heroïne was verpakt. Uw Raad oordeelde dat het hof de juistheid van dit met de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen niet strijdige verweer in het midden had gelaten en dat daardoor de met de bewezenverklaring onverenigbare mogelijkheid open was gebleven ‘dat de daarin bedoelde hoeveelheid heroïne door verdachtes kamergenote in de dakgoot van de door de verdachte bewoonde kamer is gelegd en het bewezen verklaarde opzet bij de verdachte heeft ontbroken’. [3]
NJ1999/152 waren de aanwijzingen in de richting van een andere persoon minder sterk. In de woning van de verdachte waren twee stroomstootwapens aangetroffen. De verdachte had ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat in zijn woning een huiszoeking was gedaan toen hij in voorarrest zat. En dat er toen van alles was gevonden, onder meer stroomstootwapens, maar dat die spullen er niet lagen toen hij op 1 oktober 1995 was weggegaan. Zijn raadsman had aangevoerd dat een zeker Brian deze stroomstootwapens waarschijnlijk had achtergelaten; ‘Brian kwam immers wel vaker en de achterdeur was open’. Die gestelde toedracht had het hof volgens Uw Raad ‘kennelijk hoogst onwaarschijnlijk geacht. Dat oordeel is, nu het aangevoerde niet meer inhoudt dan de enkele, niet nader gespecificeerde bewering dat de stroomstootwapens waarschijnlijk door een zekere Brian in de woning van de verdachte zijn achtergelaten, ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk’.