Conclusie
eerstemiddel klaagt dat het hof voor alle bewezenverklaarde feiten heeft volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, terwijl de (bekennende) verklaringen van de verdachte niet alle onderdelen van het bewezenverklaarde zouden betreffen, in het bijzonder niet het bewezenverklaarde oogmerk (feit 1) en opzet (feiten 3 en 4). Een en ander maakt de bewezenverklaring onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd, aldus het middel.
Het hof volstaat met een opsomming van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359 lid Pro 3, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte de onder 1, 3 en 4 tenlastegelegde feiten heeft bekend en zijn raadsman geen vrijspraak heeft bepleit:
NJ2006/542 dat in het licht van de wetsgeschiedenis van art. 359, derde lid, Sv ‘slechts kan worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen indien de verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend (…). De beantwoording van de vraag of de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend in de zin van genoemde bepaling, is mede afhankelijk van de – in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid te toetsen – uitleg door de feitenrechter van de door de verdachte afgelegde verklaring’. De verdachte was in deze zaak onder meer veroordeeld voor het medeplegen van moord. Zijn verklaring was als een bekennende verklaring aangemerkt, al had hij (onder meer) ook verklaard: ‘Ik wilde eigenlijk niet dat [slachtoffer] vermoord zou worden’; ‘Ik was geschokt door wat er gebeurd was’; ‘Ik was niet echt overtuigd dat [mededader 1] het zou doen toen ik in de auto stapte’. ’s Hofs kennelijke oordeel dat de verdachte het bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig had bekend, gaf volgens Uw Raad gelet op de door de verdachte in hoger beroep afgelegde verklaring ‘in haar geheel bezien’ geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en was evenmin onbegrijpelijk. Meer in het bijzonder was niet onbegrijpelijk ’s hofs oordeel dat (onder meer) de voorgaande, in het middel aangehaalde passages geen betwisting van het opzet op de levensberoving inhielden. Ook in andere zaken was het volgens Uw Raad niet onbegrijpelijk dat het hof de verklaring van de verdachte als een bekennende verklaring had aangemerkt. [11]
NJ2007/581. De verdachte die door het hof werd veroordeeld ter zake van verkrachting, meermalen gepleegd, had verklaard: ‘Ik beken dat ik de seksuele handelingen, zoals die zijn tenlastegelegd, met [slachtoffer] heb gepleegd. Die handelingen zijn verkeerd, dat heb ik zelf al aangegeven, maar zij vonden mijns inziens plaats in de relationele sfeer. Er was volgens mij geen sprake van onwil bij [slachtoffer].’ Uw Raad oordeelde dat de verklaring van de verdachte ‘niet alle onderdelen van het bewezenverklaarde betreft – zij houdt immers niet in dat de verdachte erkent dat zijn opzet ten tijde van het plegen van de feiten was gericht op het door een of meer feitelijkheden veroorzaken dat het slachtoffer tegen haar wil de seksuele handelingen heeft ondergaan – (…)’. Om die reden werd gecasseerd. Ook in andere zaken kwam Uw Raad tot het oordeel dat het hof de afgelegde verklaring niet als een bekennende had mogen aanmerken. [12]
NJ2015/347 m.nt. Schalken. Ten laste van de verdachte was bewezen verklaard dat hij nader omschreven wapens en munitie (een pistool, kogelpatronen en een busje pepperspray) tezamen en in vereniging met een ander voorhanden had gehad. De verdachte had in eerste aanleg (onder meer) verklaard: ‘Ik wist dat het vuurwapen en het busje pepperspray in de auto lag. Het was mijn verantwoording. Ik was de nacht voordat ik werd aangehouden uitgegaan. Een jongen vroeg een lift en ik heb hem thuisgebracht. Die jongen had het wapen in de auto achtergelaten’. A-G Aben kwam tot het oordeel dat de verdachte geen duidelijke en ondubbelzinnige bekentenis had afgelegd wat betreft het (voorwaardelijke) opzet op het medeplegen en het (voorwaardelijke) opzet op het voorhanden hebben van de elf patronen. Uw Raad overwoog: ‘De enkele omstandigheid dat de ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring niet met zoveel woorden alle onderdelen van de bewezenverklaring bestrijkt, behoeft niet te betekenen dat de verdachte het bewezenverklaarde niet heeft bekend. Bij de beantwoording van de vraag of van een bekennende verklaring sprake is, kan in het bijzonder van belang zijn of die verklaring tevens elementen bevat die de tenlastelegging op een of meer onderdelen bestrijden, alsmede welke procesopstelling de verdachte heeft gekozen, waarbij in verband met het voortbouwend appel met name betekenis toekomt aan zijn procesopstelling in hoger beroep.’ Uitgaande van die benadering was ’s hofs oordeel dat de verdachte het bewezenverklaarde had bekend ‘niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen de hiervoor vermelde inhoud van het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg en de omstandigheid dat blijkens de inhoud van het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep de verdediging de door de Politierechter gehanteerde bewezenverklaring en bewijsvoering niet heeft bestreden en de verdachte heeft verklaard in beroep te zijn gekomen omdat hij de straf te hoog acht, terwijl het Hof de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van de verdachte kennelijk en niet onbegrijpelijk niet als afwijkend van de in eerste aanleg afgelegde verklaring van de verdachte heeft aangemerkt.’
NJ2006/542 is gekozen. In HR 1 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2447 zijn de overwegingen uit dat arrest herhaald. De verklaring van de verdachte ‘dat hij, door drie mannen geïntimideerd, heeft toegestaan dat in zijn huis hennep werd gekweekt, maar het zelf niet heeft gedaan, dat hij de vernielingen heeft laten gebeuren en dat hij heeft toegestaan dat er stroom werd afgetapt’ had in dat licht niet als een bekennende verklaring mogen worden beschouwd van de bewezen verklaarde feiten (kort gezegd: hennepteelt, onbruikbaarmaking van delen van een woning en diefstal van elektriciteit). In HR 4 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2239,
NJ2016/443 had de verdachte verklaard dat het klopte dat hij op nader omschreven dagen in en in de nabijheid van een nader omschreven woning was geweest. Uit die verklaring kon volgens Uw Raad evenwel niet worden afgeleid dat hij had erkend met het door de strafbaarstelling van art. 11 Wet Pro tijdelijk huisverbod vereiste opzet te hebben gehandeld. Daarmee was ’s hofs ‘kennelijke oordeel dat de verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend in de zin van art. 359, derde lid, Sv niet zonder meer begrijpelijk’. Ook dat is een verwijzing naar de overwegingen in HR 26 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX5776,
NJ2006/542. En in het door het middel genoemde HR 6 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2773 werd eveneens gecasseerd. De verdachte had de ten laste gelegde roekeloosheid grif bekend: ‘Het ten laste gelegde klopt’. Maar Uw Raad wees op de specifieke betekenis die in de rechtspraak van Uw Raad aan roekeloosheid is toegekend; tegen die achtergrond was het oordeel van het hof ‘dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend in de zin van art. 359, derde lid, Sv’ onbegrijpelijk.
NJ2015/347 m.nt. Schalken in het licht van deze latere rechtspraak als een witte raaf te betitelen. Dat Uw Raad in deze latere arresten niet van een (duidelijke en ondubbelzinnige) bekentenis wil spreken, verbaast immers niet. In het eerste arrest werd feitelijk daderschap ontkend, in het tweede arrest was uit de verklaring niets af te leiden omtrent het bewezen verklaarde opzet en in het derde arrest heeft Uw Raad, naar ik vermoed, in de ten laste gelegde feiten geen roekeloosheid gezien.
NJ2006/542 de aandacht op vestigde. Dat de verdachte het overzicht heeft verloren kan goed samen gaan met het feitelijk leiding geven aan handelen door een rechtspersoon (als bewezen verklaard) dat plaatsvindt met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen. Dat blijkt ook uit zinnen die de verdachte na de eerste passage heeft uitgesproken en die het hof in de aanvulling heeft overgenomen: ‘Er kwam geld binnen. Van dit geld ben ik gaan leven. Toen het geld op was, ben ik opnieuw klanten gaan benaderen. Ik heb nooit ergens iets in geïnvesteerd.’ Dat de verdachte niet de bedoeling had om ‘mensen erin te laten tuinen’, kan voorafgaand aan de tenlastegelegde feiten waar zijn geweest. In zijn op deze woorden volgende erkenning dat het er wel van is gekomen, kan het hof echter zeer wel hebben gelezen dat de verdachte heeft erkend dat zijn intentie daarop uiteindelijk wel was gericht. Die interpretatie ligt mede in de rede omdat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, door de voorzitter geattendeerd op zijn in eerste aanleg afgelegde verklaring ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit, expliciet heeft verklaard: ‘Ik blijf bij die bekennende verklaring.’ Blijkens de pleitnota in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte voorts aangevoerd: ‘Zijn bekennende verklaring inzake [A] maakt (…) zijn ontkenning in [C] sterker.’ [16]
‘Terzake het onder 4 tenlastegelegde feit ging mijn cliënt er vanuit dat er sprake was van een vrijstelling. Dat daar geen sprake van was, is hij nooit op gewezen, zodat vrijspraak terzake feit 4 dient te volgen. Terzake de onder 3 en 4 tenlastegelegde feiten doet het vreemd aan dat je na de gepleegde oplichting nog een straf krijgt omdat je er geen vergunning voor had. Je pleegt juist de oplichting omdat je geen vergunning had. Er is derhalve sprake van een eendaadse samenloop met de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten. Ook is er geen sprake geweest van een bemiddelen in de zin van de Wet op het financieel toezicht. Er is geen sprake geweest van een beleggingsobject, er was geen plantage in teakhout en mijn cliënt is er vanuit gegaan dat er sprake was van een vrijstelling, zodat van de beide feiten 3 en 4 vrijspraak dient te volgen.’
opzettelijkzonder vergunning heeft bemiddeld.
tweedemiddel klaagt dat het hof de vordering van de benadeelde partij ‘de erven van [betrokkene 1]’ heeft toegewezen. Daartoe wordt in de eerste plaats betoogd dat door de verdediging is betwist dat de indieners van de vordering daadwerkelijk erfgenaam zijn en daarvoor ook geen onderbouwing is geleverd. Daardoor zou de beslissing van het hof over de vordering van deze benadeelde partij niet naar de eis der wet met redenen zijn omkleed.
[betrokkene 1] en [vrouw betrokkene 1] zijn beide overleden. Ten aanzien van [vrouw betrokkene 1] geldt dat zij zelf haar vordering indiende en dat deze om die reden ten behoeve van de erven doorgezet kan worden. [betrokkene 1] diende zelf geen vordering in. Nu is er een vordering gedaan door de erven, maar niet blijkt dat het daadwerkelijk om de erven gaat. Om die reden dient de vordering niet ontvankelijk verklaard te worden.’
Vordering van de benadeelde partij de erven van [betrokkene 1]
derdemiddel klaagt dat het hof ten onrechte de vorderingen van de benadeelde partijen heeft toegewezen en daaraan schadevergoedingsmaatregelen heeft verbonden, terwijl die vorderingen zijn ontstaan vóór de datum waarop de verdachte persoonlijk failliet is verklaard (11 november 2008). Derhalve hadden zij bij de curator in het faillissement moeten worden ingediend.
Ten aanzien van alle benadeelde partijen wijs ik u op de volgende overweging van het gerechtshof Den Bosch in de zaak Easy Life:
‘Verdachte heeft ter zitting van het hof gesteld geen draagkracht te hebben om de slachtoffers te compenseren vanwege een persoonlijk faillissement. Deze stelling is niet nader met stukken onderbouwd en blijkt ook overigens niet uit de stukken van het strafdossier. De blote mededeling van de zijde van de verdediging met betrekking tot een persoonlijk faillissement van verdachte, zal het hof dan ook passeren. Bij de bespreking van de vorderingen van de benadeelde partijen wordt dan ook geen acht geslagen op eventuele faillissementsrechtelijke aspecten.’
NJ2017/90 m.nt. Keulen heeft Uw Raad geoordeeld:
Het Hof heeft met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen schadevergoedingsmaatregelen als bedoeld in art. 36f Sr opgelegd. Daartoe heeft het Hof vastgesteld dat deze benadeelde partijen binnen de bewezenverklaarde periode reissommen hebben betaald voor reizen die zij niet hebben kunnen maken, dat zij aldus schade hebben geleden door het handelen van de verdachte en dat de verdachte mitsdien die reissommen aan iedere getroffen benadeelde partij moet terugbetalen. Op grond hiervan heeft het Hof kennelijk geoordeeld dat voldaan is aan het in art. 36f, tweede lid, Sr voor oplegging van de maatregel gestelde vereiste dat de verdachte jegens de benadeelde partijen naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Daaraan doet niet af dat het Hof de benadeelde partijen niet-ontvankelijk heeft verklaard in hun vorderingen omdat het beoordelen daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Daarbij verdient opmerking dat de daaraan ten grondslag liggende overweging van het Hof omtrent de onduidelijkheid ‘welk deel van de vorderingen in het faillissement zijn meegenomen’ berust op het misverstand dat het antwoord op de vraag of de vorderingen al dan niet ter verificatie in het faillissement zijn ingediend betekenis heeft voor de toewijsbaarheid van die vorderingen nadat het faillissement wegens gebrek aan baten - dus zonder dat vanuit de boedel betalingen konden worden verricht aan de concurrente schuldeisers - is opgeheven.’
vierdemiddel klaagt dat de door het hof bij de diverse schadevergoedingsmaatregelen opgelegde vervangende hechtenis in totaal 1132 dagen bedraagt, terwijl deze ten hoogste een jaar mag belopen.