Conclusie
2.Procesverloop
3.Bespreking van het principaal cassatieberoep
Decor-uitspraak heeft overwogen dat deze beleidsregels weliswaar vervallen zijn, maar dat dit niet uitsluit dat de rechter bij zijn oordeelsvorming omtrent de vraag of sprake is van een van de ontslaggronden van art. 7:669 lid 3 BW Pro, acht slaat op de in deze oude regelgeving vervatte gezichtspunten. [19] Dat heeft, zo komt hierna nog aan de orde (randnummer 3.45), mogelijk ook betekenis bij het antwoord op de vraag wanneer met succes een beroep kan worden gedaan op de in art. 7:669 lid 3 BW Pro genoemde d-grond (disfunctioneren).
New Hairstyle-beschikking [25] is Uw Raad, in een zaak die betrekking had op de vergoeding van art. 7:681 lid 1 onder Pro a BW (billijke vergoeding na onterecht ontslag waarbij sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever), niet alleen ingegaan op de strekking van de billijke vergoeding en de verhouding tot de transitievergoeding, maar heeft Uw Raad ook, niet-limitatief, gezichtspunten aangeduid die de omvang van de uiteindelijke billijke vergoeding mede bepalen. Zo mag onder meer rekening worden gehouden met de gevolgen van het ontslag voor de werknemer, is afd. 6.1.10 BW van overeenkomstige toepassing voor zover de billijke vergoeding ook vergoeding van schade van de werknemer beoogt en heeft Uw Raad benadrukt dat de vergoeding geen punitief karakter heeft. In de
Tihani-beschikking [26] heeft Uw Raad vervolgens geoordeeld dat, hoewel de billijke vergoeding ex art. 7:683 lid 3 BW Pro niet afhankelijk is van een aan de werkgever te maken verwijt, de gezichtspunten genoemd in rov. 3.4.4 en 3.4.5 van de
New Hairstyle-beschikking, waarvan diverse gezichtspunten de nodige ruimte laten voor ‘de omstandigheden van het geval’, ook in het kader van art. 7:683 lid 3 BW Pro toepassing kunnen vinden. Dat geldt ook voor een eventueel (wel) aan de werkgever te maken verwijt.
Vertrouwen in de toekomst, Den Haag oktober 2017), reeds nu in verband met (vermeende) knelpunten een concept-voorstel Wet arbeidsmarkt in balans [38] en is zelfs al een internetconsultatieronde afgerond. In het onderhavige kader is relevant dat ons ontslagrecht mogelijk alsnog wordt verrijkt met een cumulatie-grond (diverse eigenlijk niet voldragen ontslaggronden leveren in combinatie eventueel wel een redelijke grond in de zin van art. 7:669 BW Pro op). In het regeerakkoord wordt daarover het volgende gesteld: [39]
Tihani-beschikking (hiervoor reeds randnummer 3.10) heeft Uw Raad in dit verband als volgt overwogen: [51]
algemeneverplichting niet geldt, missen zij in zoverre dus feitelijke grondslag.
incidentele, tot een specifiek geval beperkte, verplichting om de werknemer schriftelijk in kennis te stellen van disfunctioneren, falen zij wat mij betreft. Het wettelijk regime laat wel degelijk ruimte voor een dergelijke door de concrete omstandigheden ingegeven verplichting die beoogt recht te doen aan de gedachte achter het inkennisstellingsvereiste van art. 7:669 lid 3 onder Pro d BW: de werknemer moet weten (en dus begrijpen) wat er aan schort, wat er van hem verlangd wordt en wat er op het spel staat (hierna randnummers 3.50 e.v.). Hoe dat wordt gerealiseerd, zal afhangen van de omstandigheden van het geval. Dat daarvoor in de regel geen schriftelijke stukken nodig zijn, sluit niet uit dat een schriftelijke mededeling in een enkel geval wel degelijk geboden is. Daarbij valt te denken aan een geval als het onderhavige waarin de (veronderstellenderwijs aangenomen) mondelinge waarschuwingen kennelijk geen effect sorteren.
onderdeel 1doel.
2. Disfunctioneren
functie-uitoefeningwaarover bij de werkgever ontevredenheid bestaat. Als een werkgever aannemelijk moet maken dat een werknemer niet voldoet aan de redelijkerwijs gestelde of te stellen functie-eisen, zal allereerst duidelijk moeten zijn wat die eisen precies zijn. Hierbij is het belangrijk te beschikken over een eenduidige functiebeschrijving met de daarbij behorende functie-eisen. Te denken valt o.a. aan opleidingseisen, taakstelling, productie- en kwaliteitsnormen. De functie-eisen zullen bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst of bij een functiewijziging ook duidelijk aan de werknemer kenbaar moeten zijn gemaakt. Aan de hand van deze achtergrondinformatie kan worden onderzocht welke onderdelen van de functie ter discussie staan en welke niet. (…)
die liggen in de persoon van de werknemer(karakter, houding, gedrag). (…)
3.Aannemelijk maken en onderbouwen
aannemelijkmaakt. UWV kan aan de hand van hetgeen werkgever heeft aangevoerd en hetgeen werknemer daar tegenin heeft gebracht, tot het oordeel komen dat bepaalde stellingen voldoende aannemelijk zijn geworden om ontslag te rechtvaardigen. Dit betekent dat het disfunctioneren wel voldoende concreet moet zijn gemaakt. Daartoe kan de werkgever allerlei gegevens overleggen. Dit kan gaan om correspondentie uit het personeelsdossier, gespreksverslagen, een functiebeschrijving, de arbeidsovereenkomst, overzichten over loopbaanbegeleiding en - ontwikkeling, opleidingen, trainingen en evaluatiegesprekken, enzovoort.”
Decor-uitspraak. In deze uitspraak heeft Uw Raad antwoord gegeven op de vraag of het disfunctioneren onomstotelijk vast moet staan of dat het slechts voldoende aannemelijk hoeft te zijn gemaakt. Uw Raad heeft de toepasselijkheid van de wettelijke bewijsregels op de ontbindingsprocedure, waartoe Uw Raad overigens reeds was gekomen in de
Mediant-uitspraak, [60] vooropgesteld in rov. 3.4.2 en daaraan de volgende consequenties verbonden:
in het algemeenniet verlangd wordt dat de werkgever de werknemer in de vorm van een schriftelijke mededeling in kennis stelt van zijn disfunctioneren en een dreigend ontslag, sluit niet uit dat
in een bijzonder gevalwordt geoordeeld dat dit gelet op de specifieke omstandigheden van het geval wel noodzakelijk is. Te denken valt in het bijzonder aan gevallen waarin gesprekken en mondelinge waarschuwingen geen effect sorteren ofwel omdat de boodschap niet overkomt danwel niet tot de werknemer doordringt dat het de werkgever ernst is. Tegen de achtergrond van de strekking van het voorschrift dat de werknemer in kennis moet zijn gesteld zou dan kunnen worden gezegd dat de werknemer kennelijk toch niet heeft begrepen waar hij aan toe is, althans niet heeft begrepen hoe ernstig zijn situatie is.
mediation. [85]
mogelijkerwijseen oplossing kon ‘destilleren’ om ze alsnog te laten samenwerken.
onderdeel 2.
Haviltex-arrest, [102] en/of zijn overwegingen in de bekende ‘Haviltex’-termen gegoten en had het zich afgevraagd wat de tekst van het betrokken beding (die, juridisch gezien, wel scherper had kunnen zijn) in de gegeven context betekent. Dat heeft het niet gedaan. Wat het hof wel heeft gedaan, is aansluiting zoeken bij de betekenis van ‘te wijten aan’ in het normale spraakgebruik, hetgeen volgens het hof, zo blijkt in ieder geval uit zijn overweging, iets anders oplevert dan het ‘voor risico komen van’ waarvan de kantonrechter is uitgegaan. Aanwijzingen voor een dergelijke ruime uitleg ontbreken, zo overweegt het hof, althans zijn niet door Plano in beeld gebracht. Strikt genomen heeft het hof daarmee een ruime uitleg verworpen, maar nog niet aangegeven welke uitleg dan wel aan de orde is. Dat maakt het hof ook daarna niet expliciet. Uit het vervolg is echter wel af te leiden dat het hof ‘te wijten aan’ uitlegt als ‘verwijtbaar aan’. Dat is in die zin opmerkelijk dat de woorden ‘te wijten aan’ in het normale spraakgebruik niet zonder meer de betekenis ‘verwijtbaar aan’ hebben. ‘Te wijten aan’ heeft in veel gevallen een meer neutrale betekenis en betekent dan bijvoorbeeld ‘veroorzaakt door’, ‘toe te schrijven aan’ of ‘voor rekening komend van’. [103] Gelet op de uitkomst van zijn oordeel gaat het hof uit van een meer terughoudende uitleg dan ‘veroorzaakt door’, één die neerkomt op ‘verwijtbaar aan’. Deze uitleg, hoewel enigszins ongelukkig dus gekoppeld aan het normale spraakgebruik, lijkt gelet op de achtergrond van de afspraak over een contractuele beëindigingsvergoeding in de context van het gegeven geval reëel. Deze contractuele beëindigingsvergoeding voorziet immers, zoals [verweerder] in zijn beroepschrift (onbestreden) heeft aangevoerd, in een vangnet voor [verweerder] ingeval van een vroegtijdig ontslag. [104] In dat geval zou hij namelijk alsnog (een deel van) de waarde van zijn voormalige eenmanszaak missen, terwijl het overeengekomen dienstverband juist ook als achtergrond had dat deze waarde niet (voldoende) in de destijds overeengekomen overnameprijs was verdisconteerd. Tegen deze achtergrond is het dan ook goed verdedigbaar dat ‘te wijten aan’ wordt uitgelegd als ‘verwijtbaar aan’.
onderdeel 3daarop laten stranden.
4.Voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
incidenteel cassatieberoeplijkt [verweerder] te willen voorkomen dat nu als vaststaand moet worden aangenomen dat hij vrijwel dagelijks mondeling op zijn functioneren is aangesproken. Dat is in het bijzonder van belang bij het slagen van onderdeel 1 van het principaal cassatiemiddel. In dat geval immers, staat wederom ter discussie of [verweerder] in kennis is gesteld van zijn disfunctioneren in de zin van art. 7:669 lid 3 onder Pro d BW. Daarbij is op zijn minst relevant dat hij vrijwel dagelijks op zijn functioneren zou zijn aangesproken.
incidenteel cassatiemiddeldoel.