Conclusie
niet verschenen
* de vraag of voor een ontslag wegens een verstoorde arbeidsverhouding (de g-grond) vereist is dat sprake is van verwijtbaarheid van de werknemer;
* de vraag of ontslag wegens een verstoorde arbeidsverhouding mogelijk is indien de werkgever op verstoring van de arbeidsverhouding heeft aangestuurd, mede met het oog op de ‘
Asscher-escape’;
aannemelijkis dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding;
[A/B]- criterium.
* de billijke vergoeding bij ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever (art. 7:671b lid 8, aanhef en sub c BW).
1.Feiten
Ik heb het nu helemaal met jou gehad, jouw aanhoudend gezeur over de auto en de wartaal in jouw mails. Echt, ik ben er helemaal klaar mee. Iedere keer als er een afspraak wordt gemaakt, dan is het een paar weken, maanden of een jaar later weer anders. Je bent nu echt te ver gegaan en ja, ik heb het helemaal gehad met jou. Het dringt blijkbaar niet tot jou door dat we puur uit coulance voor jou persoonlijk zover zijn gegaan (oa qua gesprekken & (advocaat)kosten) en de laatste keer het ontbindingsverzoek niet hebben ingediend. Het dringt blijkbaar ook niet tot je door dat we dit puur uit medelijden doen, omdat in jouw specifieke situatie (taal, leeftijd en je voorkomen) het nagenoeg onmogelijk zou zijn om weer een baan te vinden. Je hoefde ondanks alles niet weg, maar nu het afgelopen. Dit is je ALLERLAATSTE kans. (…) Wat ons betreft, einde communicatie over dit onderwerp. Je hoeft hier dus niet inhoudelijk meer op te reageren, wij zullen niet meer antwoorden.”
In verband met het gebruik van de word “wederom”:
Je was wel op kantoor vandaag, maar ik hield het voor mogelijk dat je een mail aan mijn privé adres gestuurd hebben. Dit was net zo. Ik heb besloten geen vervolg stappen te nemen voor vrijdag. Ik vind het redelijk om je tijd te geven en hoop dat ik overeind kan blijven deze week. Ik zou wel wat moe zijn denk ik. Ik stel voor dat je deze tijd gebruiken om onafhankelijk juridisch advies in te winnen.”
Ik heb geen idee waarover en waarom ik ‘onafhankelijk juridisch advies’ zou moeten vragen! Ik heb geen idee waarop je doelt!
Bedankt voor deze bevestiging dat jou mail inhoudelijk onwaar was. De reden voor deze inhoud was voor mij in de periode tussen vrijdag en nu niet van belang. Je had mij een mail kunnen sturen dat jou mail vrijdag, dat voor mij enorm veel stress had veroorzaakt, eventueel op een aanname baseert en dat het maandag onderzocht word. Dat had mij al gerust gesteld. Het was een simpel een regel mail met inhoud geweest. In elke geval hat [betrokkene 1] mij informeert dat hij niet bezig was met de planning en dat [betrokkene 3] dit gedaan heeft. Over juridische advies doelt ik op basis begrippen zo als onderzoeksplicht, vertrouwensbeginsel, inlichtingenplicht, en zorgplicht. Ik zou geen stappen meer ondernemen behalve deze mailwisseling in mijn dossier op te nemen.”
2.Procesverloop
3.Inleiding
voldoende aannemelijkis. Een tweede klacht gaat over het herplaatsingsvereiste, meer specifiek over de vraag of het hof zich kon beperken tot het oordeel dat herplaatsing
niet in de redeligt. Een derde klacht stelt de vraag aan de orde of bij de berekening van de wettelijke transitievergoeding, de arbeidsperiode bij de eerdere werkgever van [verzoeker] (Digihuis) moet worden meegenomen. Daarbij gaat het erom of het opvolgend werkgeverschap beoordeeld moet worden aan de hand van het tot 1 juli 2015 geldende recht en het toen geldende criterium uit het
[A/B]-arrest, of dat het Wwz-regime van art. 7:673 lid Pro 4, aanhef en onder b, tweede volzin, BW onmiddellijke werking heeft. Ten slotte is een vierde klacht gericht tegen het oordeel van het hof dat er geen grond is voor toewijzing van het verzoek om een billijke vergoeding vanwege ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever (art. 7:671b lid 8, aanhef en sub c BW).
veranderingen in de omstandigheden, welke van dien aard zijn, dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen”. Bij de beoordeling van de vraag of aan deze maatstaf was voldaan, kwam de rechter een grote mate van vrijheid toe. Bovendien had de rechter de mogelijkheid om de werknemer aan de hand van de ‘kantonrechtersformule’ een vergoeding toe te kennen, waarbij de hoogte van de vergoeding mede werd bepaald door de mate van verwijtbaarheid van een of beide partijen. In de praktijk fungeerde deze ontslagvergoeding als een ‘smeermiddel’ om onvoldoende onderbouwde ontslagverzoeken toe te wijzen. [3]
een zelfstandig oordeelvormde over het ontslag. Geoordeeld werd dat de rechter een eigen verantwoordelijkheid heeft en niet gebonden is aan hetgeen in het kader van de UWV-procedure was onderzocht en beslist, ongeacht of de bij de rechter aangevoerde argumenten al eerder ter sprake waren gebracht bij de behandeling van het verzoek door het UWV. [7] De rechter is ook niet gebonden aan feiten waarvan het UWV is uitgegaan, noch aan de waardering die aan die feiten is gegeven. [8] Indien de rechter tot andere bevindingen over de ontslaggrond kwam dan het UWV, kon de rechter een schadevergoeding toekennen (art. 7:681 lid 1 BW Pro (oud)). Deze vergoeding diende op een andere wijze te worden berekend dan de ontslagvergoeding in een ontbindingsprocedure, waardoor geen toepassing diende te worden gegeven aan de kantonrechtersformule. [9] Daarnaast kon de rechter de werkgever veroordelen tot herstel van de arbeidsovereenkomst, zij het dat daaraan een afkoopsom kon worden verbonden (art. 7:682 lid 1 en Pro lid 3 BW (oud)).
doordatde werkgever ten onrechte getracht heeft de werknemer op een andere, onvolkomen, grond te ontslaan, is door Sagel de
Asscher-escapegenoemd. De Asscher-escape komt er dus op neer dat met geld een tekort aan ontslaggrond wordt gecompenseerd. [31] In zijn oratie heeft Sagel betoogd dat een ruime toepassing van de Asscher-escape niet waarschijnlijk is, omdat nog steeds zal moeten zijn voldaan aan de eis dat van de werkgever
in redelijkheidniet kan worden verwacht dat hij de arbeidsovereenkomst laat voortduren. Als de werkgever zelf de verstoorde verhouding heeft veroorzaakt, zal aan die eis niet snel zijn voldaan. Sagel acht een ruime toepassing van de Asscher-escape ook niet wenselijk, omdat de door de wetgever beoogde separate toetsing van de ontslaggronden daarmee zou worden uitgehold. [32] Ook andere auteurs zijn van mening dat de Asscher-escape uiterst terughoudend zou moeten worden toegepast, omdat anders – kort gezegd – in feite het stelsel van gesloten ontslaggronden wordt verlaten. [33] In de jurisprudentie wordt de Asscher-escape wel af en toe toegepast, meestal in uitzonderlijke situaties, waarin de rechter besluit dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst geen zin meer heeft. [34]
ernstigeen
duurzameverstoorde arbeidsverhouding. In de memorie van toelichting bij de Wwz is over deze vereisten, in relatie tot de formulering van de g-grond, het volgende opgemerkt: [36]
zodanig dat van de werkgever redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.” Niet in alle situaties hoeft echter sprake te zijn van een ‘duurzame’ verstoring, omdat ook bij een minder duurzaam verstoorde arbeidsverhouding de arbeidsovereenkomst ontbonden moet kunnen worden als de ernst daarvan zodanig is dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst in redelijkheid niet van de werkgever kan worden gevergd. Daarmee lijkt de ontslaggrond ‘verstoorde arbeidsverhouding’ toch in enige mate te zijn verruimd ten opzichte van het Ontslagbesluit en de Beleidsregels ontslagtaak UVW. [37]
Verstoorde arbeidsrelatie
Arbeidsrelatie tussen werkgever en werknemer
de gezagsverhouding. Een verstoorde arbeidsrelatie ziet dus in beginsel op de verticale gezagsverhouding tussen werkgever en werknemer en niet op de horizontale relatie tussen de werknemer en zijn collega’s. [39] Dat het gaat om verstoring van de verticale gezagsverhouding, betekent dat ook een verstoring van de relatie tussen werknemer en diens leidinggevende kan kwalificeren als een verstoorde arbeidsverhouding. In bijzondere gevallen kan echter ook een verstoring van de verhoudingen tussen werknemers onderling een verstoorde arbeidsverhouding opleveren. Dat kan het geval zijn wanneer de verstoorde relatie tussen de werknemers óók een verstoorde arbeidsverhouding van een van hen, of van beiden, met de werkgever oplevert. De werkgever zal dan moeten onderbouwen waarom dat laatste het geval is. Als sprake is van een slechte samenwerkingsrelatie tussen collega’s geldt bovendien het volgende: [40]
schuldvraag, dus de vraag of en in hoeverre de werkgever dan wel de werknemer in een verwijt kan worden gemaakt van de verstoorde arbeidsverhouding, geen afzonderlijk toetsingscriterium vormde. Weliswaar was in de Beleidsregels ontslagtaak UWV aanvankelijk nog opgenomen dat de schuldvraag bij de ontslaggrond verstoorde arbeidsrelatie voor het UWV
in beginselgeen toetsingscriterium is. [42] In de toelichting op het Ontslagbesluit is echter vermeld dat de woorden ‘in beginsel’ worden verwijderd, omdat art. 5:1 lid 4 van Pro het Ontslagbesluit daar bij nader inzien geen ruimte voor laat: [43]
algemeneherplaatsingsplicht is geïntroduceerd, terwijl, zo stelden zij, deze plicht voorheen alleen met betrekking tot specifieke situaties en gronden bestond. De minister antwoordde daarop het volgende: [63]
Herplaatsing ligt in ieder geval niet in de rede indien dat redelijkerwijs niet van de werkgever kan worden verwacht of in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen d, e, g en h”. [65] De minister ontraadde dit amendement: [66]
Ook hier geldt dat een werkgever aannemelijk moet maken dat er geen mogelijkheden zijn tot herplaatsing in een andere passende functie, al dan niet met behulp van scholing.”
de werkgever zelfherplaatsing niet in de rede ligt (in die zin dat de herplaatsingsplicht dan niet geldt). Alleen bij een verstoorde relatie
op de werkvloerzou de herplaatsingsplicht onverkort gelden en moet worden onderzocht of betrokkene bijvoorbeeld kan worden overgeplaatst naar een andere plek in het bedrijf.
herplaatsing niet in de rede ligt’, zoals art. 7:669 lid Pro 1, eerste volzin, BW het aanduidt. Volgens De Graaf is er een verschil tussen de algemene redelijkheidstoets die onder het oude ontslagrecht gold in verband met het onderzoeken van de mogelijkheid van herplaatsing, en het ‘niet in de rede liggen’ van herplaatsing. Onder verwijzing naar de hiervoor bij 3.31 aangehaalde uitlatingen van de minister, schrijft hij het volgende: [68]
evident– volgens Van Dale: ‘zeer duidelijk’, ‘in het oog springend’ of ‘geen bewijs behoevend’ – zijn dat van herplaatsing geen sprake kan zijn. Daarmee gaat het niet zozeer om situaties waarin herplaatsing ‘niet redelijk’ is, maar – aansluitend bij de betekenis die Van Dale geeft aan ‘in de rede liggen’ [73] – om gevallen waarin herplaatsing ‘niet logisch’ is. Deze uitleg sluit ook aan bij de door de minister gegeven voorbeelden (illegaliteit, detentie, verwijtbaar handelen of nalaten werknemer).
beperkt blijft tot een geïsoleerde situatie met een collega.” Indien een werknemer niet meer kan samenwerken met een bepaalde collega maar in een ander onderdeel van het bedrijf geen contact met hem hoeft te hebben, kan volgens hen herplaatsing wel in de rede liggen. [74] Deze uitleg lijkt mij te beperkt. In de eerste plaats omdat de minister spreekt over een verstoorde arbeidsrelatie “
op de werkvloer”. Ook een verstoring van de relatie tussen een werknemer en zijn leidinggevende kan daaronder worden verstaan. [75] Dus ook in dat geval zal moeten worden onderzocht of overplaatsing naar een andere afdeling of herplaatsing in een passende functie onder een andere leidinggevende soelaas kan bieden. Een dergelijke uitleg sluit ook aan – en dat is een tweede argument – bij de hiervoor bepleitte uitleg van ‘niet in de rede liggen’, namelijk dat het slechts ziet op situaties waarin het voor een ieder duidelijk is dat van herplaatsing geen sprake kan zijn. Zo’n situatie doet zich niet per definitie voor bij een conflict tussen een werknemer en zijn leidinggevende; het hangt af van de concrete omstandigheden van het geval of dat aan de orde is. In de derde plaats sluit deze, ruimere, uitleg aan bij de voorheen geldende Beleidsregels ontslagtaak UWV, waarin van de werkgever ook bij een verstoorde arbeidsverhouding werd verwacht dat hij diende na te gaan of herplaatsing mogelijk was en het – bij de grenzen van die verplichting – uiteindelijk aankwam op een afweging van alle omstandigheden van het geval (zie onder 3.26). Ten slotte is nog te wijzen op het centrale uitgangspunt van de Wwz, dat gestreefd wordt naar “
duurzame arbeidsrelaties en activerende arbeidsmarktinstituties die [de basis vormen] voor investeringen in de inzetbaarheid en wendbaarheid van werknemers op de arbeidsmarkt en de kans op onvrijwillig ontslag [reduceren].” [76] Gelet op dit uitgangspunt en de hierbij aansluitende algemeen en ruim geformuleerde herplaatsingsplicht van art. 7:699 lid 1 BW Pro, ligt het niet voor de hand om de herplaatsingsverplichting beperkt uit te leggen.
Mediant-beschikking beslist dat in een ontbindingsprocedure de wettelijke bewijsregels van toepassing zijn. [78] Overwogen is dat, gelet op art. 284 lid 1 Rv Pro, als uitgangspunt moet worden aanvaard dat de wettelijke bewijsregels van overeenkomstige toepassing zijn in ontbindingsprocedures en dat in de regel niet kan worden gezegd dat de aard van de zaak zich hiertegen verzet.
aannemelijkzijn, maar dat feiten moeten zijn
bewezen. Dit volgt uit art. 149 lid Pro 1, eerste volzin, Rv, waarin staat dat de rechter slechts die feiten of rechten aan zijn beslissing ten grondslag mag leggen (...) die overeenkomstig de voorschriften van afdeling I.2.9 Rv (bewijs) zijn komen vast te staan. Het ‘komen vast te staan overeenkomstig de voorschriften van afdeling I.2.9’ houdt enerzijds in dat betwiste feiten moeten worden bewezen, en anderzijds dat de rechter niet-betwiste feiten (op grond van art. 149 lid Pro 1, tweede volzin, Rv) als vaststaand moet beschouwen. [79]
waaruit volgt dat ...’(waarna het ‘feit’ wordt omschreven waarvan bewijs moet worden geleverd). Met deze formulering wordt tot uitdrukking gebracht dat het te bewijzen feit een gevolgtrekking behelst, die bewezen kan worden door feiten of omstandigheden te bewijzen waaruit het feit
kanworden afgeleid. Omdat het te bewijzen feit een gevolgtrekking is, is het onontkoombaar dat daarover altijd discussie en onzekerheid kan blijven bestaan. Het maximaal haalbare is dan dat feiten en omstandigheden worden bewezen, waaruit redelijkerwijs de gevolgtrekking te maken is dat het te bewijzen feit zich heeft voorgedaan. Ook in een dergelijke situatie wordt wel gezegd dat het te bewijzen feit ‘(voldoende) aannemelijk’ is gemaakt. Bij de beoordeling of dat het geval is, komt het ook hier uiteindelijk aan op een waardering en afweging van de argumenten die in het processuele debat door partijen over en weer zijn aangevoerd.
enige ruimtemoet hebben bij een beslissing over het ontslag van een werknemer, moeten tegen deze achtergrond worden begrepen. [82] Zij betekenen niet dat de rechter ‘marginaal’ toetst of sprake is van ongeschiktheid of van een verstoorde arbeidsverhouding. [83] Het betekent wel dat voor het bewijs van ongeschiktheid of een verstoorde arbeidsverhouding voldoende is dat feiten en omstandigheden komen vast te staan – waarbij de bewijslast op de werkgever ligt –, waaruit redelijkerwijs kan worden afgeleid dat sprake is van ongeschiktheid of een verstoorde arbeidsrelatie. Of die gevolgtrekking inderdaad kan worden gemaakt, hangt af van hetgeen over en weer door partijen is aangevoerd en moet dus beoordeeld worden in het licht van het processuele debat. Wanneer uit de gebleken feiten en omstandigheden redelijkerwijs evengoed kan worden afgeleid dat géén sprake is van ongeschiktheid of een verstoorde arbeidsverhouding, heeft te gelden dat de ongeschiktheid niet bewezen is. [84]
4.Bespreking van het cassatiemiddel
,dus de vraag of de werkgever dan wel de werknemer in overwegende mate een verwijt kan worden gemaakt van de verstoring van de arbeidsverhouding, in beginsel geen afzonderlijk toetsingscriterium bij de beoordeling of sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding in de zin van art. 7:669 lid 3 onder Pro g BW. Het hof hoefde de omstandigheid dat [verzoeker] van de verstoring wellicht geen verwijt kan worden gemaakt, daarom niet te betrekken bij zijn oordeel dat de arbeidsverhouding ernstig en duurzaam is verstoord. In zoverre faalt het subonderdeel.
aannemelijkis geworden dat zowel de samenwerking met collega’s als de verhouding met leidinggevenden en de directie in de loop der tijd zodanig verslechterd is, dat sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding, heeft miskend dat op grond van de
Mediant-beschikking het bewijsrecht op een ontbindingsprocedure onverkort van toepassing is. Aangezien [verweerster] die verstoring heeft gesteld, maar [verzoeker] deze zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gemotiveerd heeft betwist, had het hof de ernstige en duurzame verstoring niet aannemelijk mogen achten.
de in de feiten weergegeven e-mailcorrespondentie voorbeelden [zijn] waaruit blijkt dat [verzoeker] zich niet kan neerleggen bij beslissingen of situaties die hem niet aanstaan, dat hij zich daarin vastbijt en erop blijft terugkomen.” En voorts uit de overweging van het hof, dat goed voorstelbaar is dat de inhoud, toon en het aanhoudende karakter van de e-mailberichten van [verzoeker] tot irritatie hebben geleid bij de directeur en leidinggevende van [verzoeker] . [86] Verder heeft het hof bij zijn oordeel betrokken de ter zitting gegeven verklaring van de service manager van [verweerster] , dat collega’s [verzoeker] uit de weg gaan om niet in onaangename discussies verzeild te raken. Ten slotte heeft het hof bij zijn oordeel betrokken dat [verweerster] definitief het vertrouwen in [verzoeker] is verloren toen hij heeft geweigerd antwoord te geven op terechte vragen over de verstuurde documenten. [87]
niet in de rede liggen’van herplaatsing alleen dan aan de orde is, indien het voor een ieder duidelijk is dat van herplaatsing geen sprake kan zijn; het moet evident zijn dat herplaatsing niet aan de orde is (zie onder 3.34). Dat doet zich voor bij verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer (de wettelijke uitzondering), en bijvoorbeeld (de door de minister genoemde voorbeelden) bij illegaliteit of detentie van de werknemer. Bij een ontslag wegens een verstoorde arbeidsverhouding kan niet in zijn algemeenheid worden aangenomen dat herplaatsing niet in de rede ligt; of dat het geval is hangt in ieder geval mede af van de vraag
met wiede arbeidsverhouding precies is verstoord (zie onder 3.34).
ofdat het van oordeel is (ii) dat bij ontslag wegens een verstoorde arbeidsverhouding hoe dan ook geen sprake kan zijn van herplaatsing,
of(iii) dat in de concrete omstandigheden van het geval – meer in het bijzonder: de concrete omstandigheden ter zake van de verstoorde arbeidsverhouding tussen partijen – herplaatsing niet aan de orde is. Hierbij is aan te tekenen dat de opvattingen (i) en (ii) niet juist zijn, hetzij omdat geen sprake is van een verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] , hetzij omdat niet duidelijk is waarom het onderhavige geval op één lijn te stellen is met de voorbeelden van illegaliteit of detentie (ad i), hetzij omdat ook bij een ontslag wegens een verstoorde arbeidsverhouding herplaatsing aan de orde kan zijn (ad ii).
Asscher-escape.
Asscher-escapeziet op de situatie waarin
doordatde werkgever
ten onrechtebeëindiging heeft nagestreefd op grond van één van de andere ontslaggronden van art. 7:669 lid Pro 3
door toedoen vande werkgever een verstoring van de arbeidsrelatie is ontstaan, de g-grond (zie onder 3.14). In het onderhavige geval doet zich echter niet een dergelijke situatie voor. Ik verwijs naar wat is opgemerkt onder 4.6.
[A/B]-arrest. [95] In rov. 5.8 komt het hof, onder toepassing van dat criterium, tot het oordeel dat geen sprake is van opvolgend werkgeverschap en dat [verzoeker] daarom een transitievergoeding toekomt, berekend over de periode van 8 april 2009 tot 1 april 2017.
rechtsfeitwaaruit het recht op een transitievergoeding voortvloeit (het ontslag) doet zich immers voor onder de Wwz (ná 1 juli 2015). Doordat de transitievergoeding niet bestond vóór de inwerkingtreding van de Wwz, is het ook weinig voor de hand liggend om voor de berekening van de transitievergoeding aan te sluiten bij leerstukken die onder het oude ontslagrecht
in een ander verbandgolden.
altijdrecht heeft op een transitievergoeding. In veel gevallen pakt deze transitievergoeding aanzienlijk lager uit dan de oude ontslagvergoeding, omdat er een andere berekeningssystematiek aan ten grondslag ligt. [119] Bovendien is de transitievergoeding wettelijk gemaximeerd (art. 7:673 lid 2 BW Pro). Dat de transitievergoeding in het algemeen lager ligt dan de ontslagvergoedingen onder het oude ontslagrecht, is een bewuste keuze van de wetgever om de ontslagkosten voor werkgevers omlaag te brengen. [120] Ook zou maximering van de transitievergoeding het in dienst nemen van met name oudere werknemers bevorderen, omdat de leeftijd van de werknemer geen rol speelt bij de hoogte van de vergoeding terwijl dat wel het geval was bij de oude ontslagvergoeding. [121] Overigens blijkt uit onderzoek dat onder de Wwz ook daadwerkelijk sprake is van (aanzienlijk) lagere vergoedingen voor werknemers bij ontslag. [122] Tegen deze achtergrond ligt het naar mijn mening nog minder voor de hand om bij wijze van rechterlijk overgangsrecht een extra overgangsregel te introduceren (op grond van de wet zelf moet immers worden uitgegaan van onmiddellijke werking), door bij opvolgend werkgeverschap geen toepassing te geven aan art. 7:673 lid 4 sub Pro b, tweede volzin, BW, maar aan het onder het oude recht ontwikkelde
[A/B]-criterium. Het leidt er immers toe dat één ‘bouwsteentje’ uit het Wwz-systeem wordt getrokken, zonder dat daar voor de werknemer iets tegenover staat.
[A/B]-arrest. Even goed is dan te verdedigen dan voor opvolgingen van eerdere datum dan het arrest ( 11 mei 2012) moet worden gekeken naar de daarvóór geldende benadering van de Hoge Raad, die in zijn arrest
Boekenvoordeel/ [...]nog uitdrukkelijk opvolgend werkgeverschap aannam, ondanks het in die situatie ontbreken van ‘'zodanige banden’. [124] Dat lijken wellicht vergezochte redeneringen, maar ze laten zien dat bij afwijking van de wettelijke regels, de berekening van het aantal dienstjaren in verband met de transitievergoeding bij opvolgend werkgeverschap tamelijk arbitrair wordt.
subonderdeel 2.2.3kunnen onbesproken blijven.
het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever”. Over de strekking van deze billijke vergoeding is in de memorie van toelichting opgemerkt dat het gaat om compensatie van de werknemer voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever: [126]
als er als gevolg van laakbaar gedrag van de werkgever een verstoorde arbeidsrelatie is ontstaan (bijvoorbeeld als gevolg van het niet willen ingaan op avances zijnerzijds) en de rechter concludeert dat er geen andere optie is dan ontslag;
als een werkgever discrimineert, de werknemer hiertegen bezwaar maakt, er een onwerkbare situatie ontstaat en niets anders rest dan ontslag;
als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat. Te denken is hierbij aan de situatie waarin de werkgever zijn re-integratieverplichtingen bij ziekte ernstig heeft veronachtzaamd;
de situatie waarin de werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren en ontslag langs die weg te realiseren;
de situatie waarin een werknemer arbeidsongeschikt is geworden (en uiteindelijk wordt ontslagen) als gevolg van verwijtbaar onvoldoende zorg van de werkgever voor de arbeidsomstandigheden.”
Het feit dat [verweerster] [verzoeker] na de beschikking van de kantonrechter niet heeft toegelaten tot zijn werkzaamheden kan evenmin worden gekwalificeerd als ernstig verwijtbaar. Nog los van het feit dat een terugkeer van [verzoeker] tot een onwerkbare situatie had geleid kan van [verweerster] in het licht van de situatie m.b.t. privé e-mails en het feit dat [verzoeker] daarover bewijsbaar onwaarheden verkondigde niet worden verlangd hem toegang te geven tot de interne systemen.”
andere gronden waarop de verzochte billijke vergoeding is gebaseerd het hof niet [zijn] gebleken.” Daarmee heeft het hof verzuimd om in te gaan op de hiervoor onder 4.37-4.38 genoemde stellingen van [verzoeker] , terwijl het niet nakomen van een rechterlijk oordeel wel een ernstig verwijt aan de werkgever zou kunnen opleveren. Zijn oordeel is daarmee niet toereikend gemotiveerd. Voor zover de
subonderdelen 2.3.1, 2.3.2 en 2.3.3hierop gerichte klachten bevatten, zijn deze dan ook terecht voorgesteld.