Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Individueel Functioneren Medisch Specialisten (IFMS)bijeenkomsten plaatsgevonden met de werkneemster en haar collega’s van cluster Noord, onder begeleiding van een externe consultant, [betrokkene 1] . In zijn – door het hof onder 3.9 gedeeltelijk geciteerde − rapport van 2 januari 2015 concludeert deze consultant dat de verstandhouding en de groepsdynamiek binnen het cluster zodanig zijn verstoord dat de collega’s van de werkneemster niet meer in staat zijn de ontstane verstandhouding met haar te doorbreken. Het advies van deze consultant luidde dat de werkneemster met coaching en training gaat werken aan haar communicatie, gedrag, omgaan met kritiek en zelfreflectie, een en ander met een duidelijke
deadlinevan een half jaar.
human resources-adviseur gesproken over het in gang zetten van een individueel coaching traject voor de werkneemster, waarbij na een half jaar resultaat zichtbaar moet zijn. In mei 2015 heeft de werkneemster ingestemd met benoeming van [betrokkene 2] als coach. Op 30 juni 2015 is het coaching-traject van start gegaan.
IFMS-bijeenkomsten plaatsgevonden. Uit het evaluatieverslag van de consultant [betrokkene 1] d.d. 22 januari 2016 blijkt dat meerdere collega’s van de werkneemster vinden dat zij onvoldoende progressie heeft getoond en dat deze collega’s er geen, althans onvoldoende vertrouwen in hebben dat de werkneemster haar houding en gedrag zal verbeteren.
IFMS. De werkneemster mag daarbij haar bedenkingen hebben, maar het is aan de Stichting als werkgever om te bepalen hoe zij in de rol van werkgever samenwerkingsproblemen tussen personeelsleden (in groepsverband) wenst aan te pakken. Gedurende dat traject is eind 2014 gebleken dat de werkneemster door een aantal collega’s – in de woorden van het hof – als storende factor in de onderlinge verstandhouding werd ervaren door haar onbereikbaarheid, gebrek aan zelfreflectie en het niet zodanig aanpassen van haar wijze van communiceren dat dit een positieve bijdrage aan de groepsdynamiek leverde. Uit het verslag van de consultant [betrokkene 1] blijkt dat hij de door het gedrag van de werkneemster verstoorde groepsdynamiek ook zelf heeft geconstateerd, hetgeen aanleiding was voor zijn duidelijke advies dat de werkneemster ook een individueel traject diende te volgen van maximaal een half jaar, waarin zij op deze punten zichtbaar verbetering zou moeten tonen (rov. 5.6).
2.Bespreking van het cassatiemiddel
preventiefplaatsvindt, door middel van interne en externe kwaliteitscontroles. Daarmee is (het openstaan van zorgverleners voor) kritiek op het functioneren van zorgverleners een middel ter bevordering van de kwaliteit van zorgverlening geworden [9] .
IFMS, te weten (kort samengevat): dat coaching geen zichtbaar effect heeft gehad en dat van verdere groepssessies geen heil te verwachten valt. Blijkens hetgeen het hof aansluitend in rov. 5.7 overweegt, werd die uitkomst bevestigd door de eigen, in cassatie onbestreden, bevindingen van het hof ter zitting. Tegen de achtergrond hiervan kon het hof, zonder verdere bewijslevering, als vaststaand aannemen dat de werkneemster niet in voldoende mate beschikt over communicatieve en/of gedragscompetenties die tot het beroepsprofiel van een arts-microbioloog behoren.
IFMS) voor de leden van de vakgroep gezamenlijk, kan worden gerekend tot de beoordelingsruimte die een werkgever toekomt (vgl. rov. 5.6). Ook dit aspect van ’s hofs beslissing is in cassatie niet bestreden.
in het algemeenniet in staat werd geacht met anderen te communiceren of samen te werken. Uit rov. 5.7 (“niets heeft aangevoerd waaruit moet volgen dat …”) volgt dat het hof hetgeen de werkneemster in hoger beroep had gesteld [11] en te bewijzen had aangeboden niet van belang heeft geacht voor de te nemen beslissing, omdat dit onvoldoende betrekking had op de geschetste specifieke communicatie- en samenwerkingsproblematiek die uit de opgesomde vaststaande feiten en uit de bevindingen na het coaching-traject en de IFMS-groepsbijeenkomsten naar voren was gekomen.
novum), waarvoor in cassatie geen plaats is. Reeds hierom faalt deze klacht.
kanleiden tot een beschrijving van een na te streven ideaalbeeld (het spreekwoordelijke ‘schaap met vijf poten’) zonder dat minimumeisen zijn geformuleerd waaraan iedere beoefenaar van dat beroep zonder uitzondering te allen tijde moet kunnen voldoen. Dat maant tot voorzichtigheid bij het gebruik van zulke beroepsprofielen voor andere doeleinden, zoals een tuchtrechtelijke beoordeling of – in dit geval – de beoordeling in rechte van een verzoek tot ontbinding van een arbeidsovereenkomst. Met die relativering in het achterhoofd komt het mij voor dat de feitenrechter, gezien het omvangrijke dossier waarin de communicatie- en samenwerkingsproblemen gedurende een aantal jaren zijn gedocumenteerd en onderbouwd, tot zijn oordeel heeft kunnen komen dat (de Stichting in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat) op deze punten sprake is van een disfunctioneren van de werkneemster in de zin van art. 7:669, lid 3 onder d, BW dat niet wordt gecompenseerd door goed presteren van de werkneemster op andere punten.