Conclusie
1.Inleiding
effective remedyhebben geleid (rov. 4.23.1-4.23.4).
3.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
Onderdeel 1klaagt over de toepassing van de openbare orde-exceptie.
Onderdeel 2klaagt over het oordeel van het hof over het oogmerk van de Russische autoriteiten om Yukos Oil failliet te laten gaan.
Onderdeel 3klaagt over de motivering van het causaal verband tussen de (vermeende) rechtsschendingen en het faillissement van Yukos Oil.
Onderdeel 4klaagt over het verloop van de procedure.
subonderdeel 1.2.2(nr. 65-66) geeft het oordeel van het hof dat het genoemde verweer van Promneftstroy c.s. zou afstuiten op een eindbeslissing in het arrest van 19 oktober 2010, blijk van een onjuiste rechtsopvatting en/of is dit oordeel onbegrijpelijk, omdat het hof in zijn tussenarrest heeft beslist dat er jegens Promneftstroy c.s. geen eindbeslissingen zijn genomen.
moetworden aangewend als de betrokkene daartoe in staat is, ook indien het aanwenden van een rechtsmiddel vermoedelijk ineffectief, kansloos of zinloos is. De eigen inschatting van de betrokkene over de slagingskansen van het rechtsmiddel is in dit verband niet relevant. Het subonderdeel verwijst in dit verband naar twee uitspraken van de Hoge Raad, te weten HR 5 april 2002 en HR 8 juli 2016. [14] Daarnaast klaagt het subonderdeel (onder nr. 70) dat het oordeel van het hof in rov. 4.23.4 jo. 4.51 ontoereikend is gemotiveerd, omdat het hof niet is ingegaan op de essentiële stelling van Promneftstroy c.s. dat niet op voorhand is uitgesloten dat de fiscale veroordelingen zouden kunnen worden herzien.
Diageo Brands/Simiramidahet volgende overwogen:
fait accompli. Daaraan doet volgens het subonderdeel niet af dat die eerdere uitspraken indirect hebben bijgedragen aan het faillissement, omdat van die eerdere uitspraken immers geen erkenning wordt gevraagd.
rechtmatigen/of onredelijk wordt ervaren levert strijd met de openbare orde op. Tot op zekere hoogte moet er ruimte zijn voor een verschil in appreciatie van feiten door de autoriteiten, zeker in fiscale zaken, en voor een andere aanpak als het gaat om executie van vorderingen. Dat hoeft aan ‘erkenning’ van de aldus ontstane rechtstoestand niet in de weg te staan. Er zijn echter grenzen die niet overschreden kunnen worden zonder dat dat consequenties heeft voor de aan een buitenlandse rechterlijke beslissing toe te kennen rechtsgevolgen. Dat vloeit voort uit fundamentele rechtsbeginselen omtrent fair trial en de wijze waarop de fiscale autoriteiten zich (met het oog op vermogensrechtelijke belangen van belastingplichtigen) behoren te gedragen – elementen van de hiervoor bedoelde behoorlijke rechtspleging in ruime zin – die tot de kern van de Nederlandse rechtsorde behoren.’
fair trialen de wijze waarop de fiscale autoriteiten zich (met het oog op vermogensrechtelijke belangen van belastingplichtigen) behoren te gedragen, onderdeel zijn van de Nederlandse openbare orde. Evenmin is een klacht gericht tegen het – kennelijke – oordeel van het hof in rov. 4.60.1 en 4.60.2 dat deze beginselen absolute werking hebben, gelet op het oordeel van het hof dat het bij deze beginselen gaat om de belangen van Yukos Oil. [21] Het hof spreekt in rov. 4.60.1 en 4.60.2 immers over de vermogensrechtelijke belangen van ‘belastingplichtigen’, in casu Yukos Oil, en over de wijze waarop de Russische autoriteiten met de belangen van Yukos Oil zijn omgegaan.
“In de onderhavige zaken gaat het alleen om defecten in het Russische Faillissementsvonnis en in de procedure waarin dat vonnis is gewezen. Schendingen van Russische rechtsregels in de daaraan voorafgegane fiscale procedures kunnen in beginsel slechts van belang zijn voor zover zij tot de conclusie voeren dat Yukos Oil daardoor nodeloos in staat van faillissement is geraakt. Ook om deze reden zal de inhoudelijke uitspraak van het EHRM inzake de door Yukos Oil ingediende klachten niet noodzakelijk doorslaggevend zijn voor de afdoening van de onderhavige zaken.
“Deze rechtsoverweging komt er op neer dat aan schendingen van Russische (belasting)rechtsregels enkel betekenis kan worden toegekend bij de beantwoording van de vraag of het faillissementsvonnis inzake Yukos Oil niet erkend kan worden wegens strijd met de Nederlandse openbare orde, indien deze regels door de Russische autoriteiten zijn geschonden met het kennelijke oogmerk om betalingsonmacht en uiteindelijk het faillissement van Yukos Oil uit te lokken.”Daaraan dient in verband met de hierna te bespreken causaliteitsvraag nog te worden toegevoegd dat vereist is dat deze schendingen ook daadwerkelijk een beslissende rol hebben gespeeld bij de insolventie en faillietverklaring van Yukos Oil.’ (curs. van het hof, A-G)
révision au fond. Bij de beoordeling van de vraag of de erkenning in strijd is met de Nederlandse openbare orde, kan aan schendingen van Russische rechtsregels slechts betekenis worden toegekend, indien de Russische autoriteiten, kort gezegd, rechtsregels hebben geschonden met het kennelijke oogmerk het faillissement van Yukos Oil uit te lokken en deze schendingen een beslissende rol hebben gespeeld bij de uiteindelijke faillietverklaring. Is daarvan sprake, dan is de erkenning van het faillissementsvonnis, mede gelet op de causaliteit tussen het kennelijke oogmerk van de Russische autoriteiten het faillissement uit te lokken en de uiteindelijke faillietverklaring, in strijd met de Nederlandse openbare orde en kan aan dit faillissementsvonnis in Nederland geen werking toekomen, ook al kleven aan dat vonnis zelf geen gebreken. De Nederlandse rechter zou anders met de erkenning van het faillissementsvonnis een schending van de in het geding zijnde fundamentele rechtsbeginselen aanvaarden, en daarmee strijdigheid met de Nederlandse openbare orde, aangezien deze beginselen – zo is in cassatie onbestreden – onderdeel uitmaken van de Nederlandse openbare orde en absolute werking hebben.
ultimum remedium-karakter van de openbare orde-exceptie meebrengen dat de reeds aan het desbetreffende buitenlandse faillissementsvonnis gegeven uitvoering in Nederland erkend moet worden. Elders verkregen rechten of vastgestelde rechtsverhoudingen dienen zoveel mogelijk als voldongen rechtsfeiten geëerbiedigd te worden. De rechtszekerheid en de continuïteit van het internationale handelsverkeer vereisen dat rechten van verkrijgers op openbare veilingen als vaststaand erkend worden. Het subonderdeel (nr. 86) verwijst in dit verband naar art. 13 Fw Pro en HR 11 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2577, evenals naar HR 1 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8179.
Gazprombank). [27] In dit verband wijs ik erop dat art. 431 Rv Pro slechts de tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen en in het buitenland verleden authentieke akten verbiedt, en niet in de weg staat aan de erkenning van de rechtsgeldigheid van een door een buitenlands vonnis of akte in het leven geroepen rechtsverhouding. [28]
ultimum remedium, waarvan een uiterst spaarzaam gebruik moet worden gemaakt. De openbare orde-toets heeft geen betrekking op de juistheid van de buitenlandse beslissing (verbod van
révision au fond). Daaronder valt ook het verbod om de erkenning van de buitenlandse beslissing te weigeren, indien de rechter die het vonnis heeft gewezen een ander recht heeft toegepast dan het recht dat op basis van de Nederlandse conflictregels van toepassing zou zijn. [29] Binnen de begrenzing van het verbod van
révision au fonddient de Nederlandse rechter de beweerde schending van de in het geding zijnde fundamentele beginselen nauwkeurig te toetsen aan de specifieke feiten en omstandigheden die in dit kader van belang zijn en die betrekking hebben op de gang van zaken in de staat van herkomst van de beslissing. Het verbod van
révision au fondbrengt mee dat het kan voorkomen dat ook een inhoudelijk onjuiste beslissing voor erkenning in aanmerking komt, behoudens in het geval dat sprake is van strijd met de openbare orde. [30]
ultimum remediumkarakter in de weg staat aan de toepasselijkheid van de openbare orde-exceptie. Het
ultimum remediumkarakter van de openbare orde-exceptie zorgt er immers voor dat slechts in uitzonderlijke situaties het vonnis van erkenning wordt uitgesloten, doch niet dat de openbare orde-exceptie in haar geheel niet van toepassing is.
fair trialen de wijze waarop de fiscale autoriteiten zich (met het oog op vermogensrechtelijke belangen van de belastingplichtigen (in casu Yukos Oil)) behoren te gedragen, welke rechtsbeginselen tot de kern van de Nederlandse rechtsorde behoren. Het gaat daarbij om grenzen die niet overschreden kunnen worden zonder dat het consequenties heeft voor de aan een buitenlandse rechterlijke beslissing toe te kennen rechtsgevolgen. In rov. 4.60.2 van het bestreden eindarrest spreekt het hof over de wijze waarop de Russische autoriteiten met de belangen van Yukos Oil zijn omgegaan. Hieruit volgt dat het hof heeft geoordeeld dat de fundamentele rechtsbeginselen waaraan in de onderhavige zaak wordt getoetst absolute werking hebben en dat het bij het uitvoeren van de openbare orde-toets om die reden niet relevant is in hoeverre de Nederlandse rechtssfeer betrokken is.
ultimum remediumis en dat daaraan een verzwakte werking kan toekomen. Aan strijd met eisen van behoorlijke rechtspleging komt geen doorslaggevend gewicht toe, indien niet is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en relativiteit. Het subonderdeel betoogt dat het hof heeft miskend dat een voldongen feit, zoals de overdracht van een goed door de curator aan derden, moet worden erkend, met name indien het gehele vermogen van de failliete rechtspersoon al is vereffend en die rechtspersoon volgens de
lex societatis(en dus ook volgens het Nederlandse IPR) onherroepelijk is ontbonden. Kopers op een openbare faillissementsveiling moeten, gelet op de rechtszekerheid, erop kunnen vertrouwen dat een door de rechter aangestelde curator beschikkingsbevoegd is. Het oordeel van het hof in rov. 4.68 van het bestreden eindarrest, waarin is overwogen dat de fundamentele aard van de openbare orde-toets niet zou mogen zwichten voor daaruit voortvloeiende problemen van praktische en juridische aard, is onjuist of onvoldoende begrijpelijk. Dit geldt eveneens voor rov. 4.69, gelet op art. 10:9 BW Pro en de door Promneftstroy c.s. aangehaalde literatuur, aldus het subonderdeel.
fait accompli-exceptie, zoals neergelegd in art. 10:9 BW Pro. Dit correctiemechanisme bewerkstelligt ter bescherming van het gerechtvaardigde vertrouwen van partijen of van de rechtszekerheid, dat ingeval van botsende verwijzingsresultaten een Nederlandse conflictregel onder voorwaarden wordt uitgeschakeld door voorrang te verlenen aan een buitenlandse conflictregel, zodat het uiteindelijke verwijzingsresultaat, ook in Nederlandse ogen, wordt aangewezen door de buitenlandse conflictregel. [38] De exceptie van het
fait accomplikan een schending van de openbare orde in de internationaal-privaatrechtelijke betekenis niet repareren of verdoezelen. Het voorgaande, dat ziet op de vaststelling van het toepasselijke recht, verschilt niet wezenlijk van de vraag of een buitenlands vonnis of een in het buitenland tot stand gekomen rechtsfeit kan worden erkend. Ten aanzien hiervan is de
fait accompli-exceptie in de openbare orde-toets verwerkt, in die zin dat de conflictenrechtelijke toets geen onderdeel uitmaakt van de openbare orde-toets. [39] Ook daarvoor geldt dat de
fait accompli-exceptie op geen enkele wijze de openbare orde-toets met betrekking tot de erkenningsvraag kan uitschakelen. [40]
ultimum remediumis en dat daaraan een verzwakte werking toekomt. Ook herhaalt het subonderdeel dat bij de toepassing van de openbare orde voldaan moet worden aan de vereisten van relativiteit en proportionaliteit.
fait accompli-leer, falen deze klachten, omdat ook zij voortbouwen op voorafgaande subonderdelen. De klacht herhaalt dat een faillissement niet kan worden ‘besmet’ door fouten in eerdere rechterlijke beslissingen. Ik verwijs voor een bespreking daarvan naar hetgeen ik heb geschreven bij de bespreking van subonderdeel 1.3.2. Voor het overige geldt dat het oordeel van het hof dat het faillissementsvonnis iedere rechtskracht mist, meebrengt dat een rechtshandeling die ter uitvoering van dat vonnis in Nederland wordt verricht, zonder meer ongeldig is en dat de goede trouw van een derde hierbij irrelevant is, evenals de omstandigheid dat de
fait accompli-exceptie de openbare orde-toets niet uitschakelt.
ultimum remediumis. Het subonderdeel betoogt dat voor een geslaagd beroep op de openbare orde in ieder geval moet zijn voldaan aan de vereisten van relativiteit en proportionaliteit en dat daardoor geen andere vorm van strijd met de Nederlandse rechtsorde en de daardoor beschermde belangen mag ontstaan. Het hof heeft ten onrechte, althans zonder toereikende motivering, geen doorslaggevend gewicht toegekend aan de omstandigheid dat een geslaagd beroep op de openbare orde ertoe leidt dat Yukos Finance geen aandeelhouder meer heeft. Dat de activa van Yukos Finance zijn ondergebracht in een stichting doet hieraan niet af, aldus het subonderdeel.
onderdeel 1niet tot cassatie kan leiden.
Subonderdeel 2.2.1(nr. 130-143) bevat een inleiding en een korte omschrijving van de verschillende klachten. Het subonderdeel (nr. 143) klaagt dat het hof door zelf diep in te gaan op de feiten, het latere verzoek van Yukos Oil om toepassing van het nultarief en het Russische recht, ten onrechte feitelijk is overgegaan tot een
révision au fond. Deze klacht wordt in de volgende onderdelen van subonderdeel 2.2 toegelicht en uitgewerkt.
révision au fond. Het hof heeft, kort samengevat, overwogen dat het in deze zaak alleen gaat om defecten in het Russische faillissementsvonnis zelf en om defecten in de procedure waarin dat vonnis is gewezen. Aan schending van Russische fiscale regels kan slechts betekenis worden toegekend bij de beantwoording van de vraag of het faillissementsvonnis in Nederland niet erkend kan worden, indien die regels door de Russische autoriteiten zijn geschonden met het kennelijke oogmerk om betalingsonmacht en uiteindelijk het faillissement van Yukos Oil uit te lokken. De enkele omstandigheid dat een buitenlandse beslissing inhoudelijk onjuist zou zijn, leidt er niet toe dat in Nederland erkenning van die beslissing zou moeten worden geweigerd. Dát zou immers in strijd zijn met het verbod van
révision au fond. Wanneer echter, zoals in de onderhavige zaak, regels door de Russische autoriteiten zijn geschonden met het kennelijke oogmerk om betalingsonmacht en uiteindelijk het faillissement van Yukos Oil uit te lokken, en voor zover deze schendingen ook daadwerkelijk een beslissende rol hebben gespeeld bij de insolventie en de faillietverklaring van Yukos Oil, staan deze schendingen de erkenning wél in de weg. Dat vloeit immers voort uit het in Nederland fundamentele rechtsbeginsel van behoorlijke rechtspleging (
fair trial). Dat beginsel ziet niet slechts op de eisen van behoorlijke oproeping van de gedaagde in het geding en op de eisen van hoor en wederhoor, maar ook op een eerlijke en behoorlijke procesvoering in die zin dat in rechte een behoorlijk onderzoek dient plaats te vinden met de daaraan verbonden processuele waarborgen voor een gelijke behandeling van de procespartijen. Het hof heeft geoordeeld dat de wijze waarop de fiscale autoriteiten zich (met het oog op vermogensrechtelijke belangen van belastingplichtigen) behoren te gedragen (zie rov. 4.60.1), tot die fundamentele rechtsbeginselen moeten worden gerekend. De erkenning van het buitenlandse faillissementsvonnis is derhalve, gelet op de absolute werking van deze fundamentele beginselen, in strijd met de Nederlandse openbare orde.
fees.
révision au fondde beweerde schending van de in het geding zijnde beginselen nauwkeurig getoetst aan de specifieke feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de gang van zaken in het land van herkomst van de beslissing. De feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de BTW-problematiek heeft het hof slechts in acht genomen ter beoordeling van de vraag of de fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden (zie in dit verband rov. 4.24.1). De klacht dat het hof ten onrechte de BTW-aanslagen heeft betrokken in de beoordeling van de vraag of het Russische faillissementsvonnis in Nederland kan worden erkend, stuit op het voorgaande af. Het oordeel van het hof geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.
Subonderdeel 2.2.4(nr. 159-171) is gericht tegen de beoordeling door het hof van de procedure inzake de BTW-teruggave. Het subonderdeel bevat diverse klachten.
shells(schijnvennootschappen) voor niet door hen verrichte exporten om de eigen ontduiking van de winstbelasting te camoufleren, is ook zelf een vorm van BTW-fraude. Het subonderdeel betoogt dat het onbegrijpelijk is dat het hof dit in rov. 4.38.2 ‘goedpraat’ door dit aan te merken als het gevolg van een achteraf door de fiscus gegeven duiding van de desbetreffende transacties en de door Yukos Oil hiermee voortgezette ontkenning van de shell-fraude als niet relevant af te doen.
shellsvoor niet door hen verrichte exporten om de eigen ontduiking van de winstbelasting te camoufleren, ook zelf een vorm van BTW-fraude is, betreft dit een ontoelaatbaar novum in cassatie. De klachten dienen derhalve te falen.
Subonderdeel 2.2.5(nr. 172-173) heeft betrekking op de uitputting van rechtsmiddelen. Het subonderdeel betoogt dat Yukos Oil haar bezwaren tegen de afwijzing van de verzoeken van BTW-teruggaven niet in een separate procedure aan de orde heeft gesteld (zie ook rov. 4.38.2 eindarrest). Volgens het subonderdeel heeft het hof ten onrechte, althans zonder kenbare motivering, nagelaten te beoordelen of Yukos Oil de lokale rechtsmiddelen ter zake heeft uitgeput, omdat zonder een zodanige uitputting niet geklaagd kan worden over een rechtsschending in Rusland, die de toepassing van de Nederlandse openbare orde-exceptie rechtvaardigt.
Onderdeel 2.3(nr. 175-202) valt in zeven subonderdelen uiteen en is gericht tegen het oordeel van het hof over de executieveiling van de aandelen in YNG (rov. 4.40-4.48 van het bestreden eindarrest).
subonderdeel 2.3.1(nr. 175-178) is de kernklacht geformuleerd, namelijk dat het oordeel van het hof in rov. 4.44-4.48 rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk is of ontoereikend gemotiveerd. Met het oordeel dat bij de veiling van YNG regels van Russisch recht zijn geschonden en dat mede hieruit blijkt dat de Russische Federatie niet heeft gestreefd naar een zo hoog mogelijke opbrengst, is het hof ten onrechte overgegaan tot een
révision au fonden heeft het daarbij niet of onvoldoende acht geslagen op de stellingen van Promneftstroy c.s. en de beoordeling door Russische rechters resp. het EHRM, waardoor deze
révision au fondbovendien talloze rechts- en motiveringsgebreken bevat. Het subonderdeel werkt deze klacht uit in de daaropvolgende subonderdelen.
Subonderdeel 2.3.2(nr. 179-184) is gericht tegen rov. 4.42 waarin het hof heeft overwogen dat in deze procedure ten aanzien van de veiling van YNG sprake is van nieuw bewijsmateriaal dat niet beschikbaar was in de procedure voor het EHRM. Het subonderdeel (nr. 182) neemt als uitgangspunt dat het hof heeft overwogen dat het nieuw bewijsmateriaal zou bestaan uit ‘e-mailverkeer tussen rechtstreeks betrokkenen’. De klacht houdt in dat dit oordeel rechtens onjuist en/of onbegrijpelijk is, althans ontoereikend gemotiveerd, om de redenen die in het subonderdeel nader worden genoemd (in nr. 183, onder a t/m c).
Subonderdeel 2.3.3(nr. 185-187) betoogt dat het hof de veilingen in 2004 heeft verward met de veilingen in 2007. Het subonderdeel is gericht tegen rov. 4.44.2, 4.44.6, 4.4.8 en 4.53-4.60, waaruit die verwarring zou blijken, te weten:
révision au fond. Deze herbeoordeling van het hof in rov. 4.44 is bovendien rechtens onjuist en/of onbegrijpelijk om de redenen die in het subonderdeel (nr. 187, onder a t/m e) nader worden uiteengezet.
révision au fonddoor niet het oordeel van de Russische rechter inzake de veiling van YNG tot uitgangspunt te nemen, faalt op de gronden die ik hierna bij de bespreking van subonderdelen 2.3.5 en 2.3.6 noem. Ik volsta daarnaar te verwijzen.
Chapter 11-procedure aan die onderhandelingen op zichzelf niet in de weg stonden (rov. 4.44.8);
Subonderdeel 2.3.4(nr. 188-192) is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 4.44.5 dat geen concreet bezwaar zou zijn aangevoerd door Promneftstroy c.s. tegen het door [verweerders] in het geding gebrachte (partij)deskundigenrapport van E. Osterwald. Het subonderdeel (nr. 191) betoogt dat dit oordeel onbegrijpelijk althans ontoereikend is gemotiveerd en dat het hof daarbij de regels inzake stelplicht en bewijslast heeft miskend. Het subonderdeel (nr. 192) betoogt dat het oordeel van het hof dat het rapport van Osterwald erop wijst dat de gevolgde procedure sterk afwijkt van hetgeen (ook) in de Russische Federatie gebruikelijk was, rechtens onjuist, althans ontoereikend is gemotiveerd. Het hof is buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden, omdat [verweerders] niet hebben gesteld dat het rapport van Osterwald maatgevend is voor hetgeen in de Russische Federatie gebruikelijk was. Het oordeel is volgens het subonderdeel voorts onvoldoende gemotiveerd, omdat niet kenbaar is ingegaan op de stelling van Promneftstroy c.s. dat Osterwald de gang van zaken heeft getoetst aan criteria die zijn opgesteld door de ICAEW voor vrijwillige veilingen in o.a. Engeland en Wales, en niet voor executieverkopen in de Russische Federatie.
best practices, tegen welk deel van het rapport Promneftstroy c.s. geen concreet bezwaar hebben aangevoerd, wijst er evenzeer op – wat er zij van de conclusie die hij daaruit trekt – dat de gevolgde procedure sterk afwijkt van hetgeen in de Russische Federatie en wereldwijd gebruikelijk is en toen was.’
best practices in corporate finance, hetgeen inhoudt het maximaliseren van de opbrengst van de veiling. Osterwald heeft daarbij gebruik gemaakt van de richtlijn voor
best practicesbij de verkoop van bedrijven opgesteld door het ‘Institute of Chartered Accountants of England and Wales’ (ICAEW). In het deel van het rapport van Osterwald aangaande
best practiceswordt onder A t/m H elke gebruikelijke stap in het verkoopproces beschreven en onder III vergeleken met de bij de veiling van YNG gevolgde procedure. Uit het rapport blijkt dat Osterwald van mening is dat de veiling van YNG sterk afwijkt van hetgeen door potentiële kopers verwacht kan worden bij de verkoop van een dergelijk waardevol vermogensbestanddeel. [verweerders] hebben onder punt 638 t/m 642 van de memorie van antwoord na verwijzing naar dit rapport van Osterwald verwezen. Zij hebben betoogd dat daaruit blijkt dat de veiling van YNG er niet op was gericht om zoveel mogelijk geïnteresseerde bieders bij elkaar te brengen en zo de opbrengst voor de Russische staat te maximaliseren. [verweerders] wijzen onder meer op het oordeel van Osterwald dat de Russische Federatie heeft nagelaten om de veiling voldoende voor te bereiden en potentiële bieders van de nodige informatie te voorzien. [60] Daarin ligt besloten dat [verweerders] heeft gesteld dat de veiling van YNG niet volgens de (ook) in de Russische Federatie gebruikelijke gang van zaken heeft plaatsgevonden. Bovendien verdient opmerking dat het hof in rov. 4.44.5, anders dan Promneftstroy c.s. veronderstellen, niet heeft overwogen dat voor een executieveiling te allen tijde dezelfde regels gelden als voor een vrijwillige verkoop onder ideale marktomstandigheden, maar slechts heeft vastgesteld dat Osterwald erop heeft gewezen dat de bij de veiling van YNG gevolgde procedure sterk afwijkt van de door hem beschreven
best practices.
best practicesonder A t/m H, ontbreekt echter. Uit de kritiek van Promneftstroy c.s. blijkt niet welke van de genoemde
best practicesin het onderhavige geval niet zouden gelden. Het oordeel van het hof dat Promneftstroy c.s. geen concreet bezwaar hebben aangevoerd tegen het deel van het rapport aangaande
best practices, is derhalve niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
Subonderdeel 2.3.5(nr. 193-195) is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 4.44.6. Hierin heeft het hof overwogen dat de openingsprijs voor de veiling, op basis van de vigerende Russische wetgeving, in beginsel diende te worden gesteld op de marktwaarde die volgens het hof in ieder geval op minimaal USD 12,88 miljard lag en dat bij de veiling echter, in de veilingvoorwaarden, deze wettelijke regeling buiten werking is gesteld en de openingsprijs op USD 8,8 miljard is gesteld zonder dat daarvoor een reden is gegeven. Volgens het subonderdeel is dit oordeel rechtens onjuist, althans ontoereikend gemotiveerd. Het subonderdeel werkt de gronden daarvoor verder uit in nr. 195, onder a t/m f.
Order) in beginsel te worden gesteld op de marktwaarde, terwijl bij de veiling van YNG in de veilingvoorwaarden deze wettelijke regel buiten werking is gesteld en de openingsprijs op USD 8,8 miljard is gesteld.
révision au fond, zonder acht te slaan op de reeds ter zake in Rusland gevoerde procedure. Het subonderdeel betoogt dat het hof niet in acht heeft genomen dat in de Russische procedure nimmer is gesteld dat de openingsprijs volgens de Russische wetgeving minimaal gelijk moet zijn aan de marktwaarde zoals vastgesteld door Dresdner Bank. Ten onrechte is het hof niet (kenbaar) ingegaan op de door de Russische rechters gewezen uitspraken, waarin gemotiveerd is beslist dat de gehanteerde openingsprijs bij de veiling in lijn was met de geldende wet- en regelgeving.
révision au fond,omdat het in zijn (ambtshalve) beoordeling niet heeft betrokken wat in een Russische procedure is aangevoerd en wat de beslissing van de Russische rechter was omtrent de gehanteerde openingsprijs, kan derhalve niet worden gevolgd. Wel wordt in voetnoot 157 van de procesinleiding genoemd dat een procedure is gestart om de veiling van YNG nietig te verklaren, maar daarbij wordt niet verwezen naar onderliggende stukken betreffende de stellingen die door Yukos Oil daarbij zijn ingenomen of de beslissing van de Russische rechter in die procedure. [64] Voor zover stukken omtrent de procedure over de gang van zaken rond de veiling onderdeel mochten uitmaken van het procesdossier, verzuimt het subonderdeel aan te geven waar die stukken zijn opgenomen. De klacht voldoet in zoverre niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv Pro en kan ook daarom niet tot cassatie leiden.
Orderde bevoegde autoriteiten de openingsprijs vaststellen. Het hof heeft immers overwogen dat in de veilingvoorwaarden (waarmee het hof doelt op de voorwaarden die door Promneftstroy c.s. als ‘bijzondere voorwaarden’ worden aangeduid) de
Orderbuiten werking is gesteld zonder dat daarvoor een reden is gegeven en dat de openingsprijs op USD 8,8 miljard is gesteld. Dit bedrag is lager dan de marktwaarde, waarop de openingsprijs dient te worden gesteld op basis van de
Order. Het hof heeft daarmee gerespondeerd op het verweer van Promneftstroy c.s. dat de openingsprijs niet is vastgesteld op een wijze die strijdig is met Russisch recht. Het hof heeft van belang geacht dat de gebruikelijke regels niet zijn gevolgd zonder dat daarvoor een reden is gegeven. Daarnaast is het hof ook ingegaan op het verweer van Promneftstroy c.s. dat ook volgens de
Orderde bevoegde autoriteiten de openingsprijs vaststellen. Het hof heeft echter overwogen dat de openingsprijs op basis van de
Orderin beginsel gesteld moet worden op de marktwaarde. Hierbij is het volgens het hof kennelijk irrelevant of de bevoegde autoriteiten de openingsprijs moesten vaststellen, omdat ook zij zich in beginsel aan de door de
Ordervoorgeschreven regels omtrent de vaststelling van de openingsprijs moeten houden. Het hof heeft zich met dit oordeel kennelijk aangesloten bij het standpunt van [verweerders] dat de Russische wet voorschrijft dat de minimum openingsprijs voor een veiling de marktwaarde is die blijkt uit het daarvoor opgestelde rapport en dat het RFV zonder enige redengeving deze wet buiten werking heeft gesteld. [66] Het oordeel van het hof is derhalve niet ontoereikend gemotiveerd, zodat de klacht faalt.
Orderniet kan worden aangemerkt als wetgeving.
Ordervoorschrijft dat de openingsprijs voor de veiling in beginsel dient te worden gesteld op de marktwaarde, dat in de veilingvoorwaarden de voorschriften in de
Orderbuiten werking zijn gesteld, zonder dat daarvoor een reden is gegeven, en dat de openingsprijs niet strookt met hetgeen de
Ordervoorschrijft. Het gaat erom wat het Russische voorschrift van de
Orderbepaalt, dat de
Orderbuiten werking is gesteld en dat in grote mate is afgeweken van het in de
Orderopgenomen beginsel. Het is daarbij niet van belang of de
Orderal dan niet kan worden aangemerkt als een (federale) wet, zoals in het subonderdeel wordt betoogd. Het voorgaande volgt ook uit rov. 4.47 waarin het hof ten aanzien van de veiling heeft overwogen dat de Russische autoriteiten, zonder nadere toelichting/verklaring daarvoor, de gebruikelijke regels niet hebben gevolgd. Het oordeel van het hof is derhalve niet onbegrijpelijk, zelfs al zou de
Orderniet kunnen worden aangemerkt als Russische wetgeving. De klacht mist daardoor belang.
Orderverplicht van toepassing is en dat het hof bij dit oordeel uit het oog heeft verloren dat voor deze veiling een bijzonder reglement gold. Volgens de klacht is dit oordeel van het hof in strijd met art. 24 Rv Pro, althans ontoereikend gemotiveerd.
Orderbuiten werking is gesteld. Uit de bestreden rechtsoverwegingen volgt dat het hof het van belang heeft geacht dat niet is toegelicht waarom in deze bijzondere regeling in een dergelijk grote mate is afgeweken van de gebruikelijke regels. Het hof heeft in rov. 4.44.3 overwogen dat er opmerkelijke aspecten zijn waarin deze veiling afweek van hetgeen in het algemeen gebruikelijk was/is en van de daarvoor normaal in de Russische Federatie geldende regels. Vervolgens heeft het hof overwogen dat niet is toegelicht waarom van de in beginsel geldende termijn van twee maanden (tussen de dag van aankondiging van de veiling en de dag van de veiling zelf) is afgeweken. Het hof heeft daarmee niet uit het oog verloren dat voor deze veiling een bijzonder reglement gold en dat de
Orderniet verplicht van toepassing was. De klacht mist derhalve feitelijke grondslag en faalt.
Subonderdeel 2.3.6(nr. 196-197) is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 4.47. Hierin heeft het hof overwogen dat de Russische autoriteiten met de veiling van YNG niet te goeder trouw hebben gestreefd naar het verkrijgen van de hoogst mogelijke opbrengst en dat de Russische autoriteiten indien zij dat wel hadden gedaan, zouden hebben zorggedragen voor een ruimere periode tussen de aankondiging en de daadwerkelijke veiling en voor betere informatievoorziening. Daardoor zou volgens het hof de kans op meer kapitaalkrachtige bieders, al dan niet afkomstig uit het buitenland, zijn toegenomen. Het subonderdeel klaagt dat dit oordeel rechtens onjuist en/of onbegrijpelijk is om de redenen die nader in het subonderdeel (onder nr.197, a t/m g) zijn uiteengezet.
révision au fond.
due dilligence’) onmogelijk was omdat Yukos Oil daaraan niet meewerkte.
due dilligenceonderzoek te laten verrichten. Het hof heeft in rov. 4.46 vervolgens overwogen dat Promneftstroy c.s., op zichzelf terecht, erop hebben gewezen dat Yukos Oil zelf bieders heeft afgeschrikt door een uitvoerige campagne in de internationale pers te voeren waarin de staf werd gebroken over deze veiling en potentiële bieders jarenlange juridische procedures in het vooruitzicht werden gesteld. In rov. 4.47 heeft het hof vervolgens geoordeeld dat per saldo de beschouwing in onderlinge samenhang van alle in rov. 4.41-4.46 beschreven vaststaande feiten en omstandigheden, ook indien de door Promneftstroy c.s. geplaatste kanttekeningen daarbij worden betrokken, geen andere conclusie wettigen dan dat de Russische autoriteiten met de veiling van (de aandelen van) YNG niet te goeder trouw hebben gestreefd naar het verkrijgen van de hoogst mogelijk opbrengst ter delging van de openstaande belastingschulden. Indien zij dat wel hadden gedaan zouden zij hebben zorggedragen voor een ruimere periode tussen de aankondiging en de daadwerkelijke veiling en voor betere informatievoorziening, omdat de kans op meer kapitaalkrachtige bieders, al dan niet afkomstig uit het buitenland, daardoor zou zijn toegenomen. Hieruit blijkt dat het hof in zijn oordeel heeft meegewogen dat Yukos Oil zich verzette tegen de gang van zaken en dat dit wellicht kan hebben bijgedragen aan de minder dan ideale omstandigheden waaronder de veiling heeft plaatsgevonden. Gelet op de door het hof gemaakte afweging van alle feiten en omstandigheden waarbij acht is geslagen op de daarbij geplaatste kanttekening van Promneftstroy c.s. dat Yukos Oil zich tegen de veiling verzette, is het oordeel betreffende de ongepastheid van de gang van zaken rond de veiling niet ontoereikend gemotiveerd. De klacht faalt derhalve.
Ordervan toepassing was en dat om die reden betekenis toekomt aan de aldaar genoemde termijnen. Deze klacht bouwt voort op de klacht van subonderdeel 2.3.5 (onder nr. 195, onder e) en faalt op dezelfde gronden. Ik volsta met een verwijzing naar de bespreking van subonderdeel 2.3.5.
Temporary Restraining Order) en sommige banken geen financiering mochten verstrekken, en (iii) weigerde om bedrijfsinformatie inzake YNG te verschaffen. Het subonderdeel betoogt dat indien deze door Promneftstroy c.s. geplaatste kanttekeningen werkelijk in de beoordeling van het hof worden betrokken, niet valt in te zien waarom de kans dat (buitenlandse) bieders zouden deelnemen aan de veiling groter zou zijn geweest dan in het geval dat een langere termijn zou zijn gehanteerd.
Subonderdeel 2.3.7(nr. 198-202) is gericht tegen rov. 4.44-4.54 waarin het hof, kort samengevat, heeft geoordeeld dat de Russische Federatie, ondanks verzoeken van/namens Yukos Oil, niet heeft onderhandeld over de hoogte van de belastingaanslag, niet heeft bewilligd in uitstel van betaling en ook geen lening heeft verstrekt aan Yukos Oil. Volgens het hof is van een valide reden daarvoor niet gebleken (rov. 4.52). Het subonderdeel bevat verschillende klachten.
Subonderdeel 2.4(nr. 203-209) is gericht tegen rov. 4.59 en rov. 4.53-4.54 van het eindarrest. Het subonderdeel betoogt dat het oordeel van het hof dat niet alleen Russische (belasting)rechtsregels zijn geschonden, maar ook dat dit is gebeurd met het kennelijke oogmerk om betalingsonmacht en uiteindelijk het faillissement van Yukos Oil uit te lokken, rechtens onjuist is en/of onbegrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd. Volgens het subonderdeel (nr. 206) heeft het hof alleen feiten in zijn beoordeling heeft betrokken die de eigen visie onderbouwen dat belastingaanslagen en invorderingsmaatregelen zouden zijn opgelegd om betalingsonmacht te creëren.
Onderdeel 3(nr. 210-219) is gericht tegen rov. 4.56 en 4.57 van het eindarrest. Het onderdeel bestaat uit één subonderdeel (genummerd 3.1) en bevat onder meer een klacht over de beoordeling door het hof van het causale verband tussen de tekortkomingen in de fiscale procedures en het faillissement van Yukos Oil.
just-satisfaction-arrest niet af. (…)
Onderdeel 4(nr. 220-243) bestaat uit de subonderdelen 4.1 t/m 4.3. Het onderdeel bevat klachten inzake het verloop van de procedure.
Subonderdeel 4.1(nr. 220-228) is gericht tegen rov. 5.2.1-5.3.7, 6.1 en 6.3 van het tussenarrest van 21 juni 2016 en tegen rov. 4.2.2 en 4.5 van het eindarrest. Het subonderdeel klaagt in de kern over het oordeel van het hof dat de namens [verweerders] ingediende memorie van antwoord na verwijzing van 7 juli 2015 met bijbehorende producties een aanvaardbare ‘precisering’ althans uitwerking van de eerdere grieven is en om die reden wordt toegelaten. Volgens het subonderdeel heeft het hof in strijd gehandeld met art. 424 Rv Pro, de tweeconclusieregel en/of de goede procesorde. Het gaat immers om een zeer omvangrijke memorie (van 285 pagina’s met ongeveer 13.500 pagina’s aan producties) met wezenlijk nieuwe stellingen en nieuwe producties, aldus het subonderdeel (nr. 227).
Subonderdeel 4.2(nr. 229-239) valt in twee onderdelen uiteen.
Onderdeel 4.2.1(nr. 229-235) is gericht tegen rov. 4.16.2 van het eindarrest en klaagt, kort samengevat, dat het hof heeft miskend dat de stelplicht en de bewijslast alsmede het bewijsrisico voor het bestaan van feiten en omstandigheden ter staving van de openbare orde-exceptie op [verweerders] rusten.
non liquet. Aangezien die situatie zich niet heeft voorgedaan, was het hof daartoe ook niet gehouden. Het hof heeft immers geoordeeld dat sprake is van feiten en omstandigheden die tot de conclusie leiden dat de erkenning van het Russische faillissementsvonnis, in de zin dat daaraan in Nederland rechtsgevolgen worden toegekend, in strijd is met de Nederlandse openbare orde. Van een geval van blijvende onduidelijkheid van de feiten is dus geen sprake.
Gazprombank-arrest [88] niet opgaat. In die zaak ging het om de erkenning van een vreemd vonnis op de voet van art. 431 lid 2 Rv Pro. Aan de orde was de vraag of de erkenning afstuit op de grond dat de voor erkenning vatbare buitenlandse beslissing volgens het recht van het land van herkomst niet, nog niet dan wel niet meer uitvoerbaar is. Wat betreft de verdeling van de stelplicht en de bewijslast heeft de Hoge Raad in die zaak geoordeeld dat de stelplicht en de bewijslast ter zake van een beletsel met betrekking tot de uitvoerbaarheid rusten op degene die aanvoert dat sprake is van een dergelijk beletsel. [89] In de zaak die thans in cassatie aan de orde is, gaat het niet om de vraag of het gezag van het buitenlandse vonnis in het land van herkomst is aangetast, maar om de vraag of de erkenning van het buitenlandse (faillissements)vonnis in strijd is met de Nederlandse openbare orde. In tegenstelling tot de aantasting van het gezag van een buitenlandse beslissing toetst de rechter ambtshalve of sprake is van strijd met de Nederlandse openbare orde. De onderhavige zaak kan om die reden niet op één lijn worden gesteld met de zaak die ten grondslag ligt aan het
Gazprombank-arrest. De regel inzake de verdeling van de stelplicht en de bewijslast die de Hoge Raad in het
Gazprombank-arrest hanteert, speelt derhalve in de onderhavige zaak geen rol.
Esmil-arresten [90] dat bij de openbare orde-toets de door Promneftstroy c.s. verdedigde verdeling van de stelplicht en de bewijslast geldt. In die arresten is bevestigd dat degene die een buitenlands vonnis heeft verkregen op vereenvoudigde wijze een Nederlandse executoriale titel kan verkrijgen. [91] De arresten hebben geen betrekking op de verdeling van de stelplicht en de bewijslast in het geval dat de rechter ambtshalve de openbare orde-toets uitvoert of, meer algemeen, in het geval dat de vraag rijst of sprake is van een beletsel voor de erkenning van een buitenlandse beslissing.
Subonderdeel 4.2.2(nr. 236-239) is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 4.73 dat geen ter zake doende bewijsaanbiedingen zijn gedaan. Het onderdeel klaagt dat het hof hiermee ten onrechte het aanbod van Promneftstroy c.s. tot getuigenbewijs heeft gepasseerd.
fair trial) (rov. 4.14.1 en 4.14.3). Het hof heeft aldus geoordeeld dat dit fundamentele rechtsbeginsel dat onderdeel uitmaakt van de nationale openbare orde, eveneens in bepalingen van het EVRM is neergelegd. Ik verwijs hierbij naar de bespreking van subonderdeel 2.2.2 omtrent de verhouding tussen fundamentele rechtsbeginselen die behoren tot de nationale rechtsorde en bepalingen van het EVRM. Aangezien het EHRM een schending van art. 6 EVRM Pro heeft aangenomen en de nationale rechter wel meer, maar niet minder bescherming mag bieden, was het hof gehouden om zich bij de beoordeling of sprake is van schending van een fundamenteel rechtsbeginsel dat tot de Nederlandse rechtsorde behoort en eveneens is neergelegd in bepalingen van het EVRM, te richten naar de uitleg die het EHRM aan art. 6 EVRM Pro heeft gegeven.
Subonderdeel 4.3(nr. 240-243) bevat in de kern primair de klacht dat rov. 4.66 en 4.70 van het eindarrest moeten worden vernietigd omdat het hof ten onrechte heeft verzuimd een deugdelijk proces-verbaal op te maken met een zakelijke weergave van hetgeen ter zitting (buiten de pleitnota’s om) is besproken, alsmede de klacht dat het hof ten onrechte heeft geweigerd de wel beschikbare geluidsband te verstrekken. Hiermee heeft het hof in strijd gehandeld met het bepaalde in art. 88, 91, 279 en 290 Rv, althans met de daaraan ten grondslag liggende gedachte dat de zakelijke inhoud van hetgeen ter zitting is besproken moet vastliggen, opdat dit kan worden betrokken bij het instellen van een rechtsmiddel. Thans worden Promneftstroy c.s. ten onrechte beperkt in haar mogelijkheid cassatieberoep in te stellen tegen de bestreden rechtsoverwegingen, omdat zij worden gehinderd aan te tonen dat het daadwerkelijk verhandelde ter zitting het tegendeel inhoudt van hetgeen in deze rechtsoverwegingen is weergegeven. Subsidiair wordt in de procesinleiding onder nr. 243 het Parket, althans Uw Raad, verzocht de geluidsopname op te vragen, opdat Promneftstroy c.s. de gelegenheid krijgen het cassatiemiddel op die beide onderdelen aan te vullen.