Conclusie
reprise) van een bedrag van € 570.000,- uit de huwelijksgoederengemeenschap van partijen aangenomen en heeft het de man veroordeeld de helft van dit bedrag aan de vrouw te voldoen. Voorts heeft het hof de man veroordeeld om aan de vrouw inlichtingen te verstrekken met betrekking tot de stand van zijn vermogen gedurende de periode van 2011 tot aan de datum van ontbinding van de gemeenschap, daaronder mede begrepen een verklaring ten overstaan van een notaris in Marokko of en zo ja welke goederen in deze periode op naam van de man zijn geregistreerd. In cassatie worden beide veroordelingen door de man bestreden.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
“op grond van de niet sua sponte (want niet door de vrouw verzochte) verstrekte inlichtingen” [9] tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 285.000,- heeft veroordeeld.
“althans”)
“deze beslissing”, alsmede het in rov. 11 van de bestreden beschikking vervatte oordeel dat de man een bedrag van € 285.000,- aan de vrouw dient te betalen, als een verrassingsbeslissing. Het subonderdeel voert daartoe aan dat het hof heeft miskend dat art. 1:83 BW Pro tot doel heeft
“inlichtingen te verschaffen in het kader van de voortzetting van het processuele debat”, en dus niet ertoe dient - anders dan het hof volgens het subonderdeel heeft gemeend - om dit debat door het geven van een eindoordeel te beëindigen. Gezien het voorgaande had het hof de man (middels een tussenbeschikking [10] ) de gelegenheid moeten bieden de verzochte inlichtingen te verschaffen of althans te reageren op het voornemen van het hof om de man op grond van art. 1:83 BW Pro tot betaling van € 285.000,- aan de vrouw te veroordelen, zo wordt gesteld. De man behoefde volgens het subonderdeel derhalve niet erop bedacht te zijn dat het hof direct, zonder hem die gelegenheid te bieden, tot een veroordeling zou overgaan.
“(…)
op grond van art. 1:83 BW Pro aan de vrouw inlichtingen dient te verstrekken met betrekking tot de stand van zijn vermogen gedurende de periode 2011 tot aan de datum van ontbinding van de gemeenschap”. Betoogd wordt dat het hof - voor zover het zou hebben kunnen beslissen dat de man inlichtingen dient te verstrekken aan de vrouw - met deze beslissing eraan heeft voorbijgezien dat art. 1:83 BW Pro niet zo ver reikt dat echtgenoten zouden zijn gehouden rekening en verantwoording jegens elkaar af te leggen [11] . Het hof had derhalve niet een bepaalde periode, maar een specifieke datum dienen vast te stellen waarover de man inlichtingen over de stand van zijn vermogen moet verschaffen, aldus het subonderdeel.
“de bankrekeningen van de man te Marokko”en de
“registergoederen op naam van de man en op naam van zijn vader” [19] .
van de man(
“zijn goederen”). Ook overigens blijkt uit de bestreden beschikking niet dat het hof de reikwijdte van het verzoek van de vrouw zou hebben miskend: in zowel rov. 12 als in het dictum heeft het hof de formulering gehanteerd dat de man inlichtingen dient te verstrekken aan de vrouw
“met betrekking tot de stand vanzijnvermogen”(onderstreping toegevoegd; LK).
“Het hof heeft de man echter op grond van de niet sua sponte (want niet door de vrouw verzochte) verstrekte inlichtingen veroordeeld tot betaling van een bedrag van EUR 285.000,- aan de vrouw.”) wordt beoogd een klacht te poneren en zo ja, wat die klacht precies behelst.
“sua sponte”overleggen van bescheiden door de man zou hebben verbonden, te weten dat de vrouw een rechtstreekse vordering op de man heeft, te verstrekkend is, nu de sanctie op het niet overleggen van de gevraagde informatie ingevolge art. 3:194 lid 2 BW Pro [20] dient te zijn dat de betreffende echtgenoot zijn aandeel in de betrokken, tot de gemeenschap behorende goederen verbeurt [21] . Het komt mij voor dat dit betoog feitelijke grondslag mist. Het hof heeft de man niet tot betaling van € 285.000,- aan de vrouw veroordeeld op grond van het niet verstrekken van inlichtingen (ex art. 1:83 BW Pro
). Het hof heeft in rov. 11, voortbouwend op de vaststelling in rov. 8
“dat de vrouw een vordering op de huwelijksgemeenschap heeft van € 570.000,-, welke schuld bij de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap in aanmerking moet worden genomen” [22] en voorts uitgaande van de eigen stellingen van de man dat er geen goederen zijn die als activa deel uitmaken van de ontbonden huwelijksgemeenschap, geoordeeld:
“geldt dat zij staan of vallen met het hebben van een afdwingbaar recht op informatie over het gevoerde bestuur, de stand van het (gemeenschappelijk) vermogen en van het vermogen van de andere echtgenoot” [24] .Anders dan het subonderdeel kennelijk veronderstelt, is art. 1:83 BW Pro niet slechts gericht op het verkrijgen van informatie om aan de hand daarvan een voortzetting van het processuele debat mogelijk te maken.
“met betrekking tot de stand van zijn vermogen gedurende de periode 2011 tot aan de datum van de ontbinding van de gemeenschap”heeft miskend dat de inlichtingenplicht van art. 1:83 BW Pro geen plicht tot het afleggen van rekening en verantwoording behelst. Bij de beoordeling van deze klacht kan het volgende worden vooropgesteld.
weleen plicht tot rekening en verantwoording geldt voor het geval waarin een echtgenoot het hem toekomende bestuur aan de andere echtgenoot overlaat. Ik citeer in verband met de context van de zaak wat uitgebreider [28] :
“Echtgenoten verschaffen elkaar desgevraagd inlichtingen over het door hen gevoerde bestuur alsmede over de stand van hun goederen en schulden.”Deze verplichting geldt ongeacht het toepasselijke huwelijksvermogensregime en heeft betrekking op zowel de goederen en schulden van de huwelijksgemeenschap als de goederen en schulden van de echtgenoten in privé. Uit de wetsgeschiedenis, op dit punt onder meer verwijzend naar voornoemd oordeel van de Hoge Raad uit 1971, volgt dat (ook) art. 1:83 BW Pro geen verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording behelst:
over een bepaalde periode, impliceert echter niet zonder meer dat van een (verkapt) verzoek tot het afleggen van rekening en verantwoording sprake is [30] . Van groter gewicht dan het feit dat de gevraagde inlichtingen op de stand van het vermogen
over zekere periodezien, acht ik aard en inhoud van hetgeen wordt verzocht; betreft dat verzoek inderdaad slechts inlichtingen of wordt van de echtgenoot tot wie het verzoek wordt gericht in wezen verlangd dat hij zich verantwoordt? Hierover wordt door het subonderdeel echter niets aangevoerd, zodat het subonderdeel, mede gelet op het voorgaande, geen doel treft.
voldoende gemotiveerdte betwisten. Of hiervan sprake is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval [41] .
“enkel deze investeringen in algemene zin (zijn) betwist”(rov. 8) en de overweging dat de man een door de vrouw gesteld
“zeer specifiek telefoongesprek (…) slechts bloot heeft ontkend”(rov. 10), was het hof kennelijk van oordeel dat de man de feitelijke stellingen van de vrouw onvoldoende (gemotiveerd) had betwist. In het licht van hetgeen hiervóór (onder 2.13) is opgemerkt, heeft het hof daarmee geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
nietaan haar stelplicht zou hebben voldaan, althans de man de feitelijke stellingen van de vrouw
welvoldoende (gemotiveerd) zou hebben betwist [42] . Dit betoog ziet eraan voorbij dat het oordeel of feitelijke stellingen voldoende zijn onderbouwd dan wel voldoende gemotiveerd zijn betwist berust op waarderingen van feitelijke aard en als zodanig is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Mitsdien kan dit oordeel in cassatie niet op juistheid maar slechts op begrijpelijkheid worden getoetst [43] , terwijl het onderdeel slechts een rechtsklacht omvat [44] .
“dan ook ten onrechte (is) afgeweken van de bewijsregels en (…) daarmee blijk (heeft) gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.”
“(…) de vrouw, op basis van de stellingen van de man dat er geen goederen zijn die als activa deel uitmaken van de ontbonden huwelijksgemeenschap, een rechtstreekse vordering heeft op de man van € 285.000,- (...).”
Althans” is het bestreden oordeel volgens het subonderdeel onbegrijpelijk, nu er geen grond bestaat om de man rechtstreeks aan te spreken op de waardevermindering van de gemeenschap, bijvoorbeeld omdat hij zaken aan de gemeenschap zou hebben onttrokken.
“uitdrukkelijke erkenning van de vrouw”dat zij een bedrag van ten minste € 50.000,- aan haar familie ter hand heeft gesteld, heeft overgemaakt en heeft uitgeleend [46] . Hierbij heeft het hof bovendien niet, althans niet kenbaar, in zijn beslissing betrokken of de vrouw aan de op haar rustende inlichtingenplicht ex art. 1:83 BW Pro heeft voldaan, zo wordt tot slot nog gesteld.
“een vordering op de huwelijksgemeenschap van € 570.000,-”, rov. 8), is een zogenaamde reprise, die kan worden omschreven als
“een vordering van een echtgenoot op het gemeenschappelijk vermogen omdat diens privé-actief in de gemeenschap is verdwenen of ten bate van de gemeenschap is aangewend” [47] . Wat betreft het verhaal van reprises heeft de Hoge Raad in een arrest van 13 januari 2006 (dus onder het oude huwelijksvermogensrecht [48] ) het volgende bepaald [49] :
tot het bedrag van de geïnvesteerde geldenop de andere huwelijkspartner. (…).” (onderstreping toegevoegd; LK).
ter hoogte van die betaling van die echtgenootop die gemeenschap, maar niet,
zoals het hof heeft geoordeeld, tot een
zodanigevordering van die echtgenoot op de andere echtgenoot. (…).” (onderstrepingen toegevoegd; LK).
“kan leiden tot een vordering ter hoogte van die betaling van die echtgenoot op die gemeenschap”), doch niet - zoals het hof had geoordeeld - voor het volle bedrag rechtstreeks op het privévermogen van de andere echtgenoot (
“maar niet (…) tot een zodanige vordering van die echtgenoot op die andere echtgenoot”) [54] . Daarmee is de Hoge Raad mijns inziens [55] niet afgeweken van de reeds eerder ingeslagen weg (onder het oude recht) dat de tot reprisegerechtigde echtgenoot die zijn vordering niet (volledig) kan verhalen op de gemeenschap, de
helftvan hetgeen hij niet op de gemeenschap heeft kunnen verhalen, rechtstreeks kan vorderen van de andere (voormalige) echtgenoot, ten laste van diens privévermogen [56] .
geen(voldoende verhaal biedende) huwelijksvermogensgemeenschap is (
“op basis van de stellingen van de man dat er geen goederen zijn die als activa deel uitmaken van de ontbonden huwelijksgemeenschap”). Gelet op dit - in cassatie onbestreden gebleven - uitgangspunt heeft het hof, gelet op het voorgaande, geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de vrouw een rechtstreekse vordering heeft op de man van € 285.000,-, zijnde de
helftvan de totale vergoedingsvordering van de vrouw op de huwelijksgemeenschap van € 570.000,-. Onbegrijpelijk in de door het subonderdeel voorgestane zin is dit oordeel in het licht van het voorgaande evenmin [57] . Subonderdeel 3.1 faalt derhalve.
subonderdeel 3.2voorgestelde motiveringsklacht geldt het volgende.
“dat de man ook dit bedrag zou opeisen”en daarnaast met de bedoeling dat de broer
“stappen zou ondernemen om het vermogen van de vrouw weer terug te halen” [58] .
“ten minste EUR 50.000,-”. De vrouw heeft in haar appelschrift onder 23 gesproken van
“een bedrag van € 50.000,-”. Tijdens de mondelinge behandeling ten overstaan van het hof heeft de vrouw gesproken van een bedrag van
“slechts € 50.000,-”. Het subonderdeel, dat spreekt van een bedrag van
“ten minste EUR 50.000,-”, strekt kennelijk mede ten betoge dat nog nader moet worden vastgesteld tot welk bedrag de vrouw haar recht van reprise reeds heeft kunnen uitoefenen, maar dat dit bedrag
ten minste€ 50.000,- bedraagt. Op die strekking wijst ook dat het subonderdeel mede de op de vrouw rustende inlichtingenplicht van art. 1:83 BW Pro ter sprake brengt. Daarbij komt dat de man zich op het standpunt heeft gesteld dat de vrouw
“veel geld heeft uitgeleend, onder andere aan familieleden”(zie rov. 5), waarmee de man kennelijk niet het oog heeft gehad op een tot € 50.000,- beperkt bedrag. Bij die stand van zaken kan Hoge Raad mijns inziens de zaak niet zelf afdoen door het toegewezen bedrag van € 285.000,- met € 25.000,- te verminderen, maar zal hij de zaak moeten verwijzen, opdat alsnog nader wordt vastgesteld voor welk bedrag de vrouw haar recht van reprise kan (of had kunnen) uitoefenen op reeds te harer beschikking staande gelden.