Uitspraak
GERECHTSHOF Den Haag
Afdeling Civiel recht
1.Het geding
2.Beoordeling van het hoger beroep
- het aan de vrouw toe te wijzen bedrag onder 3.4 in het dictum van de rechtbank te verhogen met € 3.161,- en voor wat betreft dit additioneel toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van de dag van deze memorie, ter zake het onverklaard gebleven verschil in de banksaldi;
- (voorwaardelijk, voor het geval de grief VII van de man slaagt) aan de vrouw toe te kennen ten laste van de man een vergoeding gelijk aan de helft van het verschil tussen de nieuw vast te stellen waarde van de auto en € 8.000,- (zodat het onder 3.4 toegewezen bedrag gelijk blijft);
- het aan de vrouw toe te wijzen bedrag onder 3.4 in het dictum te verhogen met € 15.000,- en voor wat betreft dit additioneel toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van de dag van deze memorie, ter zake van het hanteren van een hogere waarde van de woning dan door de rechtbank is gehanteerd;
- aan de vrouw toe te kennen een vordering ter zake de vruchten van de boedel (waaronder gebruiksvergoeding van de woning en de revenuen uit effecten- en spaarrekeningen) over de periode vanaf datum echtscheiding tot aanvang van de renteaanspraken ingevolge het dictum onder 3.3 en 3.4 in goede justitie te bepalen op € 15.000,- en voor wat betreft dit additioneel toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van de dag van deze memorie;
- Ten aanzien van het dictum onder 3.3 in aanvulling daarop:
€ 5.000,- per dag met een maximum van € 200.000,-, vanaf de dertigste dag na betekening van het in dezen te wijzen arrest, indien de man in gebreke blijft aan de veroordeling (tot medewerking aan de notariële akte en betaling van € 50.000,- bij die gelegenheid) te voldoen,
- de man leidt aan een bi-polaire stoornis;
- de vrouw wilde niet op huwelijkse voorwaarden huwen;
- formeel heeft het huwelijk kort geduurd;
- de man was ten tijde van de huwelijkssluiting ernstig ziek en had een levensbedreigende ziekte;
- de vrouw blijkt haar eigen woning al die tijd aangehouden te hebben;
- de vrouw is er door het huwelijk met de man financieel niet op achteruitgegaan;
- de vrouw heeft, nadat de man na ziekenhuisopname vrijwel meteen na de huwelijkssluiting, was teruggekeerd in de woning, op zolder een eigen kamer ingericht.
€ 3.003,- in de verdeling heeft opgenomen. De man stelt dat de vrouw het bestaan van die schuld niet heeft aangetoond.
- de schulden;
- het saldo van de bankrekening van de man;
- de waarde van de auto;
- de hoogte van de overbedelingsvordering;
- de hoogte van het restantbedrag dat de man aan de vrouw dient te voldoen zoals verwoord in 3.4 van het dictum.
3.Beslissing
- de vordering van de man op de bank is bepaald op een saldo van € 111.143;-
- de waarde van de auto is bepaald op een bedrag van € 8.000,-;
- de vrouw de schuld moet voldoen van € 3003,-;
- de overbedelingsvordering is vastgesteld op € 145.724,50;
- de man aan de vrouw moet betalen de somma van € 80.724,50
- deelt aan de man toe zijn vordering op de bank van € 101.143,- onder gehoudenheid van de man om de helft van dit saldo met de vrouw te verrekenen;
- deelt toe aan de man de auto tegen de waarde zoals vermeld op de ANWB koerslijst per ultimo januari 2012, onder gehoudenheid van de man om de helft van de waarde met de vrouw te verreken;
- veroordeelt de man op grond van het bovenstaande om aan de vrouw te betalen een nog nader door partijen te bepalen bedrag wegens onderbedeling overeenkomstig de door het hof besliste verdelingsgeschillen en door het hof bekrachtigde beslissingen van de rechtbank, alsmede de betalingsregeling zoals verwoord in het bestreden vonnis met in achtneming van de door het hof gewijzigde bedragen;